2033 – een sneu scenario

Op de stoffige Italiaanse landwegen, in de vroege lente van 1415, ontmoeten we Isidorus van Rillington, architect en heelmeester. Isidorus is dan omstreeks 42 jaar en heeft veel van de wereld gezien. Ooit werd hij te vondeling gelegd voor de poorten van abdij Bellalanda in het graafschap Yorkshire; een luidkeels kraaiende boreling in een mand, ingepakt tussen plakken ruwe turf. Poortwachter Giles dacht het gehuil van demonen te horen, ging naar buiten, en trof een jongetje aan. Hij nam het kind onder zijn hoede en werd zijn eerste leermeester.

Je bent nu in de roman De ommegang (Jan van Aken, 2018).

De monniken gaven het knaapje zijn naam. Hij werd goed verzorgd in het klooster en groeide er voorspoedig op. Isidorus was duidelijk van elders; hij was te donker voor een Engelse of Schotse afkomst en klein van stuk. Intussen verbaasde hij de kloosterlingen met zijn slimheid. Van Giles leerde hij een geheugensysteem dat in de middeleeuwen veel werd toegepast. Het hoofd werd gevuld met huizen, kathedralen, kloosters en andere bekende plekken. Gebeurtenissen en feiten werden geplaatst in de ruimtes die die plekken boden – in een representatie die tot de verbeelding sprak. Zo sponnen de intellectuele middeleeuwers een wereld van kennis in hun hoofd. En als het zo van pas kwam, sloten zij de ogen, maakten een ommegang door die wereld en lepelden hun eerder verworven kennis moeiteloos weer op.

Isidorus was spoedig zeer bedreven in het bouwen van zijn systematische geheugen. Hij was wild van kennis. Hij deed de vondst van zijn jonge leven toen hij de in onbruik geraakte, verstofte bibliotheek van de abdij ontdekte. Hij stortte zich op de inventarisatie van al die boeken, las ze een voor een en memoriseerde ze woord voor woord.

Maar rond zijn vijftiende ontdekte Isidorus dat de kennis van de wereld niet ophield bij de muren van de abdij. Daarbuiten lag een oneindig grotere rijkdom, veel meer dan een mens in één leven plaatsen kon. Plotseling scheen Isidorus de kloosterbibliotheek klein en onbeduidend toe. Isidorus wilde studeren; hij wilde architect en heelmeester worden. Zijn leermeester was inmiddels overleden, dus Isidorus toog op pad. Zo begon een onvoorstelbare zoektocht naar de uithoeken van de wereld.

2033

Enkele jaren van De ommegang spelen zich af in het laatmiddeleeuwse Oxford als Isidorus daar studeert. Boeken lagen er aan de ketting en hij kon ze slechts inzien door er op in te tekenen. De wetenschappers van het huidige Oxford worden niet geplaagd door dergelijke beperkingen.

We springen van circa 1400 naar september 2013. Toen publiceerden Oxford-onderzoekers Carl Benedict Frey en Michael A. Osborne The Future of Employment. Dit onderzoek bekijkt hoe waarschijnlijk het is dat verschillende beroepen binnen de komende twintig jaar overgenomen zullen worden door computeralgoritmen (uit: Homo Deus, Yuval Noah Harari, 2018). Ik ga wat cijfers noemen die beangstigend kunnen zijn:

  • de kans dat computeralgoritmen in 2033 telemarketeers zullen vervangen is 99 procent;
  • de kans dat dat bij verzekeraars gebeurt is eveneens 99 procent;
  • voor sportscheidsrechters is het 98 procent;
  • voor kassières 97 procent;
  • voor juridisch assistenten 94 procent;
  • buschauffeurs 89 procent;
  • veiligheidspersoneel 84 procent;
  • en zeelieden 83 procent.

Het is zomaar een greep uit een eindeloos lijkende lijst. Het is wel interessant dat Frey en Osborne zelf een algoritme ontwikkelden om deze berekeningen te maken. Hun onderzoek geeft een beeld van de Amerikaanse banenmarkt. Het algoritme concludeerde dat 47 procent van de Amerikaanse banen ernstig in gevaar is. We zullen maar niet de vergissing maken om te denken dat wij aan deze kant van de Atlantische Oceaan niets te vrezen hebben.

Hoewel het allemaal nog maar gecomputeriseerde gissingen zijn, is één ding wel zeker: in 2033 ziet de werkende maatschappij er compleet anders uit! Geautomatiseerde algoritmen maken dan veel menselijke arbeid overbodig. En – bekeken vanuit de nu nog werkgevende organisaties – naar volle tevredenheid: ze doen het werk beter en goedkoper, het hele etmaal rond, zonder ooit moe of ziek te worden en zonder ooit te staken.

Twee werelden

Onze wereld is allang niet meer de wereld van Isidorus. Dat was een organische wereld; zij bestond uit fysieke entiteiten. Ten tijde van Isidorus speelde de natuur de hoofdrol. De mens was daar een deel van. We hadden haar nog niet onderworpen; zij boezemde ons ontzag en angst in. De natuur bepaalde het ritme en de regels. Van die regels begrepen wij nog weinig. We hadden slechts God om het onverklaarbare te verklaren. Het gevaar beloerde ons overal. Het was onvoorspelbaar. En als het kwam, was het zeer voelbaar. En weer was er God, maar nu om ons te troosten. In die ongeordende wereld speelde het leven zich af. Er stond nergens een bord aan de grens, men kende geen grote bedrijven, geen merken, geen agenda’s. Hooguit vormden zich al wat voortekenen, maar bovenal was alles tastbare natuur en tastbare werkelijkheid.

Tegenwoordig kennen wij heel andere entiteiten. De moderne mens leeft niet meer in de natuur, maar in een abstracte wereld van organisaties. Hij heeft een account op Facebook, een DigiD om ‘mijn overheid’ te bereiken, hij betaalt met een plastic bliepje. Zijn God is verdwenen. Als hij het onverklaarbare wil verklaren, kijkt hij op Wikipedia. Als hij troost zoekt, vindt hij die bij merken en idolen. De moderne mens leeft, veel meer dan in de middeleeuwen, in zelfbedachte constructen. Ze worden overeind gehouden door een wereld van afspraken en contracten, wetten en regels, wetenschap en feiten. Het is het soort kennis dat zich niet laat beschrijven in een middeleeuws geheugensyteem van fysieke kwartieren. Isidorus zou er hopeloos in verloren raken. Het is data die wordt vastgelegd in haar meest elementaire vorm; in enen en nullen. Zij is grenzeloos veelomvattend en vereist voor haar verwerking een onfeilbare nauwkeurigheid. Een organisch mensenbrein, hoe slim ook met zijn 85 miljard neuronen, beschikt niet over de architectuur om daarmee om te gaan.

Het is niet vreemd dat we alles in geautomatiseerde algoritmen aan het stoppen zijn. Het is niet vreemd dat onze abstracte organisaties in 2033 niet meer op het mensenbrein vertrouwen. De wereld van de eenentwintigste eeuw wordt steeds complexer en ondoorgrondelijker. Het zijn stilaan de algoritmen zelf die haar bouwen. En de individuele mens? Die kan weinig anders doen dan zich verlaten op de buitenkant. Hij hangt aan de memmen van het bouwwerk en hoopt dat het goed voor hem zorgt.

De nutteloze massa

We krijgen steeds minder zicht op wat zich onder de motorkap van onze systemen afspeelt. En we moeten er steeds meer op vertrouwen dat die systemen voor ons de beste besluiten nemen.

Er lijkt misschien niets nieuws onder de zon. We vertrouwen al decennia op financiële instellingen en sociale media zonder de kleine lettertjes te lezen. Idem dito doen we dat met de meeste grote bedrijven, gezondheidsinstellingen en publieke instanties. We rekenen erop dat de garantie op hun juiste handelen goed geregeld is.

Toch zijn er twee dingen fundamenteel aan het kantelen.

Het individu dat we steeds aan konden spreken, is uit het zicht aan het verdwijnen. We spreken steeds meer met het systeem zelf, via de algoritmen. De systemen worden nu – voor het eerst in de geschiedenis – losgekoppeld van mensen. Omdat de systemen er blijk van geven dat ze sneller, onvermoeibaarder en vooral minder feilbaar zijn dan mensen, zijn we ons aan ze aan het overgeven.

Maar we verliezen niet alleen het individu achter het loket, we zijn ook onze eigen individualiteit aan het verliezen. We laten de systemen voor ons beslissen. En waarom zou je ook eigenlijk op je eigen oordeel willen vertrouwen? We weten immers dat we er zelf meestal naast zitten. Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman vertelt daar overtuigend over in zijn boek Ons feilbare denken (hij toont trouwens ook aan dat we niet eens een individu zijn; we bestaan uit meerdere zelven).

Of, zoals Ap Dijksterhuis laat zien in Het slimme onbewuste: we weten zelden waarmee we bezig zijn, we weten zelden dát we überhaupt bezig zijn. Nu dient zich een nog slimmer onbewuste aan, dat het veel vaker wél bij het rechte eind heeft. Waarom zou je daar dan niet op vertrouwen?

Dat we onze banen verliezen is misschien niet eens zo’n ramp. Met wat creativiteit kunnen de geautomatiseerde algoritmen straks prima in ons inkomen voorzien. Want, zoals Harari ons met een vleug sarcasme meedeelt (Homo Deus, 2018, p. 337): ‘De aanstaande technologische goudmijn zal het waarschijnlijk wel mogelijk maken om die nutteloze massa te voeden en te onderhouden zonder dat die daar iets voor hoeft te doen.’ Maar hoe zal de liberaal opgevoede westerling klaar gaan komen met de teloorgang van zijn trotse ego?

En dan is er nog iets waar we mee moeten zien te dealen …

Het infuus van het systeem

Het is erg onwaarschijnlijk dat onze middeleeuwse vriend Isidorus het gevoel had deel uit te maken van een nutteloze massa. Isidorus wist heel goed wat hij met zijn leven aan moest. Zoals vermoedelijk alle middeleeuwers. Hoewel het leven hard was met zijn armoede, Zwarte Dood en gewelddadigheid, hadden zij iets om voor te gaan, al was dat veelal slechts het overleven zelf. Natuurlijk klinkt dat armzalig sneu in onze oren, maar ga er maar van uit dat met dat simpele doel voor ogen het leven door de meeste middeleeuwers intensief geleefd werd. Ze hadden mazzel want ze moesten wel; de natuur drukte hen voortdurend met de neus op de feiten. Tegelijkertijd ook kregen zij van die natuur de ruimte en het ritme om met die feiten om te gaan.

Wij staan er straks heel anders in. Wij overleven met gemak. Liggend aan het infuus van het systeem, wordt er waarschijnlijk goed voor ons gezorgd. We hoeven niets te doen; alles wordt voor ons gedaan. We hoeven niets te besluiten; alles wordt voor ons besloten. En – gezegend zijn de algoritmen – het gebeurt allemaal veel beter dan wij het zelf zouden kunnen. Maar en passant hebben wij een nieuw, groot vraagstuk gecreëerd: hebben wij zes eeuwen na Isidorus ook nog iets om voor te gaan?

We kunnen ons na 2033 voor onze zingeving natuurlijk ook op de onfeilbare algoritmen verlaten. Het Facebookalgoritme bijvoorbeeld. Het kent sommige mensen al beter dan zij zichzelf kennen. Dit ontlokte Facebookonderzoekers de volgende voorspellende suggestie (Homo Deus, 2018, p. 350): ‘Mensen zouden hun eigen psychologische oordelen kunnen laten varen en zich gaan verlaten op computers als het gaat om belangrijke beslissingen in hun leven, zoals de keuze van bepaalde activiteiten, carrièrewendingen of zelfs liefdespartners. Het is mogelijk dat deze datagerelateerde beslissingen het leven van mensen zullen verbeteren.’

Wie is hier eigenlijk armzalig sneu? Je zou het Isidorus kunnen vragen.

Foto: Oxford University

Een woord over de auteur

Stan Lenssen

Professional Certified Coach en schrijver - gecertificeerd door ICF: de International Coach Federation, die staat voor kwaliteit in coaching. 'Ik voel me mateloos gedreven om mensen te stimuleren het beste in zichzelf te ontdekken en te activeren, zodat ze hun leven kunnen vormgeven op een manier die bij hen past en die hen gelukkig maakt.'

0 reacties… add one

Geef een reactie

Privacyverklaring