Blijven denken

Als je mij vraagt of een mens in de trein geconcentreerd kan lezen of werken, dan zeg ik: onmogelijk! Op een zonnige maartse ochtend, tijdens een rit van Amsterdam-Zuid naar Leeuwarden die ik in de stiltecoupé met een mooi boek door had willen brengen, heb ik eens bijgehouden hoe vaak ik om de door de spoorwegen voorgeschreven zwijgzaamheid moest vragen. Ik kwam op zes keer: vier bellers, een groepje luidruchtige Italiaanse toeristen en een stel keuvelende dames.

Overigens waren die zes keer niet voldoende om het stil zijn van mijn medepassagiers zeker te stellen. Maar na mijn laatste verzoek werd ik afkerig van mezelf; ik voelde me een schoolmeester, een zeur. Toen er dus opnieuw een telefoon afging en de eigenaar een gesprek begon, gaf ik mij gewonnen. Dat was zo ongeveer halverwege mijn eindbestemming, ter hoogte van Zwolle. Vol van innerlijke ergernis sloeg ik daar mijn boek uiteindelijk dicht, schoof het terug mijn tas in, sloot mijn ogen en vluchtte in een meditatie die tot Leeuwarden zou duren.

Leesvoer voor treinreizen

Blijkbaar heb ik een niet algemeen gedeelde voorkeur als het gaat om het benutten van de tijd van het treinreizen. In de stiltecoupé hoop ik een oase van rust aan te treffen om de reisduur lezend en al denkend door te kunnen brengen, maar er bestaat een kennelijk grote groep mensen die het ook op die plek niet kan laten zijn tijdverdrijf te zoeken in de oppervlakkige verstrooiing van kabaal.

Nu was mijn voorjaarsrit naar Leeuwarden een uitschieter wat het rumoer aanging. Gelukkig maak ik het niet vaak zo mee, en gelukkig zijn er veel reizigers die wel het in de stiltecoupé door de NS voorgeschreven protocol respecteren. Desalniettemin heb ik het lang geleden al afgeleerd om leeskost die veel van mijn aandacht vraagt, mee te nemen in de trein. Ik laat me liever vergezellen door bundels van makkelijk verteerbare schrijfsels.

Zo steek ik de laatste tijd Verstrooid van schoot (2018) van Jean Pierre Rawie graag bij me, een verzamelboek van lichte prozastukjes waarin de dichter zichzelf en zijn bekenden met de nodige satire op de hak neemt. Ook het boekje Odes (2018) van de Belgische cultuurhistoricus en schrijver David van Reybrouck is de afgelopen maanden een favoriete reisgezel geweest. Het is een bundel van korte, filosofisch getinte lofzangen, voorheen gepubliceerd in de digitale krant De Correspondent. Een andere goede keuze voor mijn treinreizen was eerder Ik ben vaak heel kort dom (2013) van schrijfster Esther Gerritsen. Dat is een pocketuitgave van columns die zij schreef voor de VPRO-gids, en waarin – door haar altijd verrassende gedachtesprongen – onbeduidend lijkende gebeurtenissen uit haar leven betekenis krijgen.

Excuses voor de inspanning van denken

Wat ik op die maartse ochtend tot mijn ergernis bij een aantal van mijn medereizigers in de stiltecoupé vaststelde, is wat mij betreft symptomatisch voor het moderne leven. Daarin gooien we voortdurend belemmeringen op, voor onszelf en voor anderen, om ergens wat langer en diepgaander over na te denken. Alsof ons lichaam een instinct herbergt dat permanent op scherp staat om de inspanning die voor denken nodig is, te vermijden. En elk excuus is welkom om dat instinct af te laten gaan, ongeacht of we ons op een plek bevinden waar van ons verlangd wordt om het tijdelijk in toom te houden.

De moderne wereld biedt meer dan voldoende excuses om niet te hoeven denken. Het is dan ook niet alleen in de trein dat elke poging tot diepgang makkelijk het slachtoffer wordt van luidruchtigheid, de dictatuur van de telefoon en oppervlakkig gekout; zowat het hele huidige openbare leven stuurt aan – vaak dwingend – op onbenullige verstrooiing. Dat is een geestelijke wereld die ver weg ligt van geconcentreerd denken. Heb je je ooit afgevraagd waarom de gratis nationale treinlectuur – de Metro – zo’n simpel krantje is? Je hebt nu het antwoord gevonden.

We mogen ons overigens gelukkig prijzen dat er nog bibliotheken, gebedshuizen en zendo’s zijn. Daar wordt nog een min of meer openbaar leven gerespecteerd dat niet verstoord is door luidruchtige ruis – vluchten naar een met anderen gedeelde stilte kan, met andere woorden, nog steeds. En voor wie in de gelukkige omstandigheid verkeert van het hebben van een kamer voor zichzelf zoals Virginia Woolf dat bedoelde, zeg ik: koester die plek en bewaak haar, want het is een kostbaar privilege als je je in onze opdringerige samenleving ergens terug kunt trekken voor solitaire concentratie.

Het doel van denken

Je kunt denken over denken. Het is een van de wonderlijkste eigenschappen van ons denken: dat je erboven kunt staan, kunt transcenderen; het denkproces kunt aanschouwen en het, recursief, kunt overdenken. Dat is de overstijgende trap van denken: metadenken – en tegelijkertijd is het het denken zelf.

Metadenken doen we allemaal. Op het moment dat je denkt, werkelijk bewust en intensief, zoek je tevens inzicht in wat je denkt. Je analyseert de logica en opbouw van je gedachten, net zoals ik dat met deze zin doe op het moment dat ik hem opschrijf. Ik wil namelijk dat wat ik denk duidelijk voor mij is, net zoals ik wil dat wat ik opschrijf mijn denken duidelijk weergeeft.

Denken is een poging tot het creëren van begrip, in de zin van begrijpen. En metadenken is de eindeloos circulerende feedback-loop om dat begrip steeds verder aan te scherpen. Dat klinkt als een vermoeiende iteratie. Maar die vermoeiende iteratie is de enige manier om vooruit te komen. Dat is het doel van denken: het zoeken van de ontwikkeling voorwaarts!

Richting Utopia

De Californische essayiste Rebecca Solnit noteerde in haar boek Optimisme (2006) (Engelse titel: Hope in The Dark) een citaat van de Uruguayaanse journalist en schrijver Eduardo Galeano (1940-2015). Het kan dienen, vind ik, als een schitterende analogie van wat ik hierboven beweer over het doel van denken. Gebruikt als die analogie, transformeert het de niet aflatende, repetitieve lus van denken en metadenken, van een vermoeiende iteratie in een energiek vliegwiel. Hier komt het (p. 113):

‘“Utopia ligt aan de horizon”, verklaarde Eduardo Galeano. “Als ik twee stappen vooruit zet, zet het twee stappen terug. Ik zet tien stappen en het is tien stappen verder weg. Waar dient Utopia voor? Hiervoor: om te lopen.”’

Waar we hopelijk met zijn allen met onze wereldwijde samenleving naartoe willen, is een Utopisch eindpunt. We hebben er natuurlijk geen idee van hoe dat eruitziet. Maar dat is ook niet nodig, want het eindpunt zullen we niet en kunnen we niet bereiken. Het is eerder te doen om het effect dat de beweging in die richting teweegbrengt: de diepe bevrediging van een continue progressie. In mijn analogie wordt de beweging naar het Utopische eindpunt in gang gehouden door het leveren van de inspanning van het denken, en worden we uitgedaagd om juist het leveren van die inspanning ons allesoverstijgende doel te laten zijn.

Ik krijg hoop van deze gedachtegang. Hij is voor mij een oproep om dat energieke vliegwiel erkenning te geven en niet te tuinen in de zang van de sirenes van de moderne samenleving, een zang die ons voortdurend probeert weg te lokken naar verstrooiing, alsof Utopia daar te vinden is.

Vier leefregels om te blijven denken

In het Midden-Amerika van kort voor 1200 leefde het Indiaanse volk de Tolteken. Hun beschaving, die toen op haar hoogtepunt was en waarvan de resten na Columbus door de Europeanen werden uitgewist, zou er een levensfilosofie van vier eenvoudige beginselen op na hebben gehouden (De vier inzichten, Don Miguel Ruiz, 2014). De eerste drie waren:

  1. Wees onberispelijk in je woorden.
  2. Vat niets persoonlijk op.
  3. Ga niet uit van veronderstellingen.

Je zou deze beginselen leefregels kunnen noemen. Als ik ze zo overzie dan kom ik al snel tot de conclusie dat de Tolteekse levensfilosofie aanspoorde om voortdurend bewust en kritisch te blijven denken, om je dus niet te laten verleiden tot het gemak van oppervlakkigheid, het gemak van het kritiekloos volgen van je gevoelens of het gemak van de automatische piloot.

Ik vermoed dat het de Tolteken veel moeite gekost zal hebben om zich aan hun eigen beginselen te houden; rond 1200 ging hun rijk aan interne conflicten ten onder (1491, Charles Mann, 2012, p. 163). Maar de Tolteken hanteerden nog dat vierde beginsel. Dat lijkt duidelijk te maken hoe goed zij zich realiseerden dat de uiterlijke eenvoud van de eerste drie absoluut niet garandeerde dat leven ernaar makkelijk zou zijn. Ook het vierde beginsel was van een simpele eenvoud:

  1. Doe altijd je best.

Wat zij elkaar hiermee vertelden, was: je mag struikelen bij je inspanningen om je aan de eerste drie beginselen te houden, maar sta dan weer op, trek lering uit je falen en probeer het opnieuw, en zonodig weer opnieuw en opnieuw enzovoort, om zo jezelf te verbeteren. De Tolteken stuurden aan op blijven denken. Zij verzetten zich tegen onwetendheid en streefden naar scherpzinnigheid.

De vier leefregels van de Tolteken zijn ook voor onze samenleving nog zo actueel als het maar zijn kan.

De waarde van denken

Veel later dan de Tolteken – in 1947 – laat de Franse filosoof Albert Camus (1913-1960) in zijn roman De pest de verteller van het verhaal het volgende zeggen over onwetendheid en scherpzinnigheid (2018, p. 140):

‘Het kwaad in de wereld komt bijna altijd voort uit onwetendheid, en goede bedoelingen die niet gestuurd worden door het verstand kunnen evenveel schade aanrichten als boosaardige opzet. De mens is eerder goed dan slecht, in de praktijk ligt daar niet het probleem. Maar hij is ook in meer of mindere mate onwetend en als zodanig meer of minder deugdzaam, zoals dat heet, waarbij de ontmoedigendste ondeugd de onwetendheid is die alles meent te weten en zich dan het recht toeëigent om te doden. De ziel van de moordenaar is blind en er bestaat geen ware liefde en ware goedheid zonder een uiterste scherpzinnigheid.’

Vooral deze parafrasering hieruit is belangrijk: de ontmoedigendste ondeugd is de onwetendheid die alles meent te weten. Camus wijst hier op een pijnlijke zwakte van mensen, een zwakte die hun goede intenties vaak teniet doet. Scherpzinnigheid is volgens Camus de manier om de goede intenties te bewaken. Daarom is het onze plicht te blijven werken aan het opvullen van de hiaten in onze onwetendheid – blijven denken.

Camus zag dat als een individuele opdracht voor ieder mens. Als aanhanger van het absurdisme vond hij het van belang dat mensen zich vragen blijven stellen over de zin van het leven en daarbij de rede volgen, ook al kom je er met die rede nooit uit. Hij noemde dat de opstand die het  leven waarde geeft, want, zo zegt hij in zijn essay De mythe van Sisyphus (2019, p. 82), ‘Voor een mens zonder oogkleppen is er geen mooier schouwspel dan het gevecht van de intelligentie met een werkelijkheid die ze niet de baas kan.’

Begrip is de enige uitweg

De ‘plicht’ tot de opstand via de rede waar Camus het over had, herken ik in de volgende woorden:

‘Als je je haat en woede voedt, brand je jezelf op. Begrip is de enige uitweg. Als je begrijpt, zul je minder lijden en zul je weten hoe je de oorzaak van onrechtvaardigheid kunt aanpakken. De Boeddha zei dat als één pijl je raakt, je zult lijden. Maar als een tweede pijl je op dezelfde plek raakt, zul je honderd keer meer lijden.’

Dit is een uitspraak van de boeddhistische monnik Thich Nhat Hanh, Vietnamees schrijver en vredesactivist, de man die in 1967 door Martin Luther King genomineerd werd voor de Nobelprijs voor de Vrede. De zinnen komen uit zijn boek Het hart van Boeddha’s leer (2019, p. 197).

Begrip is de enige uitweg, begrip als abstractie van begrijpen. En aan begrijpen gaat het denken vooraf. Denken is een kernbegrip in het boeddhisme, dat feitelijk niets anders is dan één grote uitnodiging óm te denken. De meeste religies roepen op tot volgzaamheid; je moet geloven. Zo niet het boeddhisme. Dat spoort aan tot kritisch onderzoek en staat toe dat je alles in twijfel trekt, zelfs het boeddhisme zelf. De historische Boeddha, die rond de vijfde eeuw voor Christus leefde en Siddharta Gautama heette, was niet een neergedaalde god, een godszoon of een profeet; hij was hooguit een gids die op een inspirerende wijze liet zien hoe vruchtbaar het is zelf te blijven denken. Zo inspirerend dat er een wereldstroming uit ontstond. Die wereldstroming moet misschien niet eens een religie heten, maar dat is een andere discussie.

Ik koppel nog even terug naar de excuses voor de inspanning van denken. Er is nog wel een andere reden te bedenken waarom denken zich graag laat verdringen door verstrooiing. Als je het ultiem doorzet, leidt denken je naar een confronterend eindpunt: je zult sterven. Ik denk, dus ik besta – Descartes’ eureka. Zodra je weet dat je bestaat, weet je ook dat het maar tijdelijk is. Dat is een verschrikkelijk besef. Dus wil ik maar liever niet denken? Dan besta ik immers niet en ben daarmee gevrijwaard van sterven.

Maar zelf nadenken, op een oprechte, eerlijke (in de zin van niet vertekend door ruis en oordelen) en breed en diepgaand geïnformeerde manier, werkt bevrijdend. Het strekt tot inzichten waardoor je grip op het leven krijgt. Niet dat het leven er beheersbaar of stuurbaar door wordt, maar je wordt je er bewuster van, het glipt minder makkelijk door je vingers. Je leert het op te snuiven en het aan te raken, de geur en de tastbaarheid ervan heel precies te ruiken en te voelen. Dat onverklaarbare wonder, waarvan de zin ondanks al je denken onbeantwoord blijft, wordt het waard om van te genieten. Je gaat het aanvaarden in al zijn facetten – inclusief dat donkere besef dat ik net nog verschrikkelijk noemde; dat het bestaan van jezelf, degene die je ik noemt, slechts tijdelijk is. Dit is het boeddhisme in een notendop.

‘Boeddha’ is een woord. Het stamt van de wortel van het werkwoord ‘budh’. Ik meen dat het komt uit het Pali. Het betekent: ontwaken, begrijpen, weten wat er aan de hand is, maar dan heel diepgaand (Het hart van Boeddha’s leer, p. 181). Begrijpen, begrip krijgen, aanvaarden – ook van het verschrikkelijke besef – vraagt van niemand dat hij of zij boeddhist wordt. Het ligt open voor iedereen. Alles wat daarvoor nodig is, is dat je jezelf aanzet tot denken. Op geen enkele wijze resulteert dat in iets verschrikkelijks dat je zou willen vermijden. Denken belooft geen vreeswekkende uitkomst, denken belooft een uitweg uit allerlei vormen van lijden.

De wereld stilzetten

Wat in de trein gebeurt – de verstrooiing – en wat ik symptomatisch noemde voor het moderne leven, is een streven om het denken te ontlopen, wellicht om inspanning of confrontatie te vermijden. Verstrooiing is een manier om de werkelijke wereld stil te zetten, die zoals zij is natuurlijk imperfect en bedreigend is – beslist geen Utopia. Maar wat heeft het voor zin om om die reden verstrooiing te zoeken? Dat is niets anders dan vluchten, waarbij je, als je dan weer toetreedt tot die werkelijke wereld, tot de ontdekking komt dat er niets veranderd is. Behalve dan misschien dat de wereld nog bedreigender aandoet dan zij al deed.

Er is naar mijn ervaring weinig dat meer vervullend is dan in diepe concentratie, dus met onverdeelde aandacht iets te onderzoeken, een interessant boek te lezen of ergens op te studeren, met andere woorden: je te verliezen in denken. Dat is ook een manier om de werkelijke wereld stil te zetten, maar dan om bij het weer toetreden tot die werkelijke wereld te ontdekken dat als resultante van je denken je begrip van de wereld – en soms ook voor de wereld – een sprongetje in voorwaartse ontwikkeling heeft gemaakt.

Print Friendly, PDF & Email

Een woord over de auteur

Stan Lenssen

Coacht en schrijft op en over thema's van het leven - Professional Certified Coach - gecertificeerd door ICF: de International Coach Federation, die staat voor kwaliteit in coaching. 'Ik voel me mateloos gedreven om mensen te stimuleren het beste in zichzelf te ontdekken en te activeren, zodat ze hun leven kunnen vormgeven op een manier die bij hen past en die hen gelukkig maakt.'

4 comments… add one
  • Sanja de Bruin 30 aug 2019, 11:30

    Beste Stan,
    Jouw blogs lees ik altijd met veel plezier. Herkenbaar probleem: lawaai in stilte-coupé.
    ik zit eigenlijk nooit meer in de trein, maar sluit me graag af tijdens het lezen. Mijn oplossing: Koptelefoon op met ontspannen gitaarmuziek of iets dergelijks en dan lekker lezen.. Ik hoop dat je iets hebt aan deze tip. vriendelijke groeten Sanja voor Strongpeople

    • Stan Lenssen 30 aug 2019, 12:30

      Supertip, dank je wel Sanja.
      Hij kan natuurlijk zelfs op zonder muziek, voor als je helemaal de stilte zoekt.
      En vooral ook dank je wel voor het steeds zo trouw lezen van mijn blogs. Het doet me goed dat je daar plezier van hebt.
      Hartelijke groet,
      Stan

  • Huub Koch 30 aug 2019, 14:33

    Ha Stan,

    Het gevoel wat je beschrijft – tijdens en na de stilte-coupé – over het moderne leven, daar is een benaming voor: ‘anachronisme’. Een anachronisme is iets wat niet helemaal in zijn tijd past. Of, preciezer geformuleerd: een al dan niet gewilde inbreuk op of breuk in de chronologische samenhang van toestanden of gebeurtenissen. Dat ‘iets’ dat zijn wij.

    Denken is trouwens al heel lang uit de mode… Friedrich Nietzsche beklaagde zich er al over in zijn tijd. Hoe weinig mensen midden op straat een kwartier stil konden staan om een gedachte tot het eind toe uit te denken.

    Dus helemaal mee eens dat de mens met honger naar gewaarzijn een kamer voor zichzelf nodig heeft. Misschien wel een heel huis.

    ‘Soms had ik het over mijn verbazing, maar aangezien niemand die scheen te delen – zo bestaat het leven uit een serie kleine eenzaamheden – dacht ik er verder niet meer aan’. – Roland Barthes, ‘La Chambre Claire’.

    Ah! Don Miguel Ruiz: ‘Life is nothing but a dream, and if we are artists, then we can create our life with love, and our dreams become a masterpiece of art.’ – The Mastery of Love.

    Voor mij persoonlijk is het leven iets waar je geen grip op kunt krijgen. Helaas ook niet of juist niet met het denken. Omdat het zijn beperkingen heeft.

    Het mooiste verhaal dat dit weergeeft is het verhaal van de Chinese boer en zijn buren. Ik zal je zo een linkje sturen… video-verhaal voorgelezen door Alan Watts.

    https://www.youtube.com/watch?v=byQrdnq7_H0

    Uiteindelijk gaat het voor mij toch om ‘de wijsheid’. Paul Stassen zei daar onlangs wat over in een interview met Lex Bohlmeijer in een podcast van de Correspondent: ‘de naïeve bestuurder (of manager) meent dat je voortdurend moet ingrijpen en aansturen. Een wijs geworden bestuurder begrijpt dat alles zijn eigen loop kent en dat je die moet laten begaan. De dingen vinden hun eigen bestemming, tijd, en plek om te verschijnen en weer te verdwijnen.’ Zo wordt het leven moeiteloos.

    • Stan Lenssen 30 aug 2019, 19:52

      Wat een mooie aanvullingen weer Huub,
      Ik ga die video nog bekijken. Dank.
      Werkelijk prachtig citaat van Roland Barthes.
      Groet,
      Stan (uitkijkend naar je boek)

Leave a Comment

Privacyverklaring