De belofte

Bali en Italië hebben afgedaan, Drenthe heeft het druk gekregen. Nederland viert vakantie binnen de eigen grenzen. Er was een tijd dat dat normaal was. Je moet er heel wat zomers voor terug – tot in de jaren vijftig-zestig. In die tijd was een weekje Zandvoort of Texel de beloning voor een jaar ploeteren.

Ons gezin maakte dagtochtjes. Naar de natuur van de Drunense Duinen bijvoorbeeld. Wij woonden in Den Bosch, het avontuur lag om de hoek.

Je kunt nog dichter bij huis blijven:

Kijk recht naar binnen zodat je ontwaart
Talloze landstreken in je eigen aard
Nog onontdekt. Bereis die, raak ervaren
In ’t kosmisch innerlijk ontwaren.

Henry David Thoreau citeert deze regels in Walden (p. 345). Ze komen van de zeventiende eeuwse Engelse dichter William Habington.

Bescheidener

We zijn in de afgelopen maanden bescheidener mensen geworden. Dankzij corona. Ik hoop dat dat nog even standhoudt.

De natuurfilosoof en minimalist Thoreau, die in het midden van de negentiende eeuw twee jaar woonde in een kaal hutje aan de rand van het meer Walden Pond bij de plaats Concord in Massachusetts, zou om ons gelachen hebben: ‘Haha, bescheidenheid, jullie hebben geen idee wat dat betekent!’ Behalve een filosoof en minimalist, was hij een moralistische cynicus.

Thoreau werd 44. Hij stierf aan tbc, zoals zovelen in die tijd. De tering was een trage sloopmachine. In het essay A genuine American weirdo (uit: Natuur als misverstand, 2017) beschrijft schrijver-hoogleraar Jelle Reumer drie afbeeldingen van Thoreau: een uit 1854, een uit 1856 en een uit 1861. Het tijdsverschil tussen de afbeeldingen is slechts zeven jaar, ‘maar de ene Thoreau lijkt zeker een generatie jonger dan de andere’, vertelt Reumer.

Thoreau, een grommende, oude man. Zo zie ik hem voor me, ondanks zijn jonge overlijden. Wel eentje waarvan je gaat houden, zodra je je best doet om hem een beetje te leren kennen.

Materiële status

Henry David Thoreau hekelde de zucht van mensen naar erkenning via de weg van materiële status.

Zo kon hij mopperen over de aandacht die mensen aan hun kleding besteden. Huichelachtig vond hij dat, een façade opwerpen om de schijn van deugdzaamheid op te houden. Hij schrijft daarover (Walden, p. 35): ‘Niemand heeft bij mij ooit minder in aanzien gestaan omdat hij een lap op zijn kleren heeft; toch weet ik zeker dat er over het algemeen meer zorg besteed wordt aan het hebben van modieuze, of op zijn minst schone en niet opgelapte kleren dan aan een schoon geweten.’

Ook voor wie ging voor het grote geld had hij geen goed woord over. Geld was de grote valkuil van de verleiding die je vrijheid beloofde maar je er in werkelijkheid van beroofde. Het was beter je leven direct te besteden aan inhoudsvolle zaken. ‘Het beste deel van je leven te besteden aan het verdienen van geld om tijdens het minst waardevolle deel ervan van een twijfelachtige vrijheid te genieten doet me denken aan de Engelsman die naar India ging om eerst zijn fortuin te maken en daarna terugkeerde naar Engeland om te leven als dichter. Hij had meteen naar een zolderkamertje kunnen verhuizen’, schampert Thoreau (p. 68).

Bij Thoreau viel al dat uiterlijk vertoon onder de categorie dikdoenerij, jezelf belangrijker voordoen dan je bent. De verering van bezit was bovendien een manier om de ander tekort doen. Je hoefde haar of hem niet te beoordelen op innerlijke kwaliteiten; wat je aan de buitenkant zag volstond. Maar je deed ook jezelf tekort, want door een te grote hechting aan materiële status, zo vond Thoreau, maakte je niet de beste keuzes voor je leven, in elk geval niet de keuzes waar je werkelijk gelukkiger van werd.

De vorige alinea is gesteld in de verleden tijd, maar veel is er sinds Thoreau niet veranderd.

Drukte

Een eigentijds equivalent van dikdoenerij is de drukke agenda. Daar is een grap over – ik geloof van cabaretier Theo Maassen:

’Druk, druk, druk.’
‘Als je het werkelijk zo druk hebt, waarom zeg je het dan drie keer?’

Wordt de wereld beter van al onze drukte? Corona heeft ons teruggeworpen op een lager tempo. En zie: de luchten worden blauwer, de rivieren schoner, de antieke binnensteden rustiger. We reflecteren meer en komen tot de slotsom dat het eerlijker en groener moet. Het verlangen daarnaar wordt niet meer weggehoond naar de ‘linkse hobby-hoek’. Zelfs rechtse politici staan in de rij om te verklaren dat we over moeten stappen van een beleid van bezuinigen naar een beleid van investeren – van afbreken naar opbouwen. Natuurlijk moeten we er bovenop zitten om ze eraan te houden.

We hebben meer oog gekregen voor de schade die al onze drukte aanricht. We kruipen vaker op de bank ’s avonds met een goed boek. Van Thoreau bijvoorbeeld. Noodgedwongen of niet, zo leren we nog eens wat.

Alleen zijn

Er is ook meer alleen zijn. Dat is wel een uitdaging.

Thoreau hield van alleen zijn. ‘Ik vind het heilzaam om het grootste deel van de tijd alleen te zijn’, schrijft hij (pp. 153-154). ‘Zich in gezelschap bevinden, zelfs in het beste, brengt algauw verveling met zich mee en leidt af. Ik houd ervan alleen te zijn. Ik heb nooit een kameraad gevonden die zo kameraadschappelijk was als de eenzaamheid. Wij zijn meestal eenzamer wanneer we ons tussen de mensen begeven dan wanneer we in onze kamers blijven.’

Thoreau maakt de vergelijking met hoe de boer zich erover kan verbazen dat hij die studeert helemaal alleen in huis kan zitten terwijl hij zich het grootste deel van de dag niet verveelt en niet neerslachtig is. In feite, zegt Thoreau, is die hij niet anders dan de boer; hij is aan het werk op zijn land en aan het hakken in zijn bossen, en vindt daar hetzelfde genoegen als de boer wanneer die op zijn wijdse land in zijn eentje bezig is.

Alleen zijn hoeft niet erg te zijn. Juist alleen kun je heel productief en gelukkig zijn. Er is geen afleiding, je kunt ongestoord diep gaan in je gedachten en in je creativiteit. Stephen King, die thrillers schrijft aan de lopende band, vertelt in zijn autobiografische boek Over leven en schrijven ‘tot vervelens toe’ over het intense plezier dat hij beleeft met de personages uit zijn romans. Zodra de deur van zijn kamer maar dichtgaat en hij alleen met ze kan zijn.

Verstarring

Alleen zijn zonder eenzaamheid te voelen, is geen kunst. Wat er voor nodig is, is dat je in staat bent om met jezelf te zijn. Je kunt met jezelf zijn als je vrede hebt met wie je bent. Als dat niet lukt, kan de reflectie – die vanzelf komt als je alleen bent – ontaarden in zelfverwijt en piekeren, en in een verlangen naar wat er niet is of niet meer is. Dan komt de eenzaamheid.

Geen kunst, ik zeg dat makkelijk, maar het echte leven is natuurlijk veel complexer. Vrienden vertelden mij deze corona-zomer over hun hoogbejaarde buurman, die zich al maandenlang opsluit in zijn flat. Hij durft de deur niet uit en niemand mag erin. Zijn enige gezelschap is de tv, waarop hij alles omtrent het virus nauwgezet volgt. Ze doen weleens een boodschap voor hem, zetten die dan buiten neer en bellen aan. Vervolgens moeten ze direct weglopen. Dat is het afgesproken protocol, want hij wil elk contact vermijden, bang als hij is voor besmetting. Intussen blijkt in elk telefoongesprek dat ze met hem hebben hoe de misantroop in hem terrein wint en hoe hij steeds dieper een verlaten, donkere tunnel inloopt.

Zo’n verhaal van vrede hebben met jezelf en alleen zijn zonder eenzaamheid te voelen, is mooi in een wereld waarin je creativiteit en intellect en werklust worden uitgedaagd. Maar het werkt slecht als de angst en verstarring hebben toegeslagen en niet je verbeeldingskracht, de ploeg of het boek je metgezel is, maar de tv, die niets beters heeft te bieden dan het doemscenario voeden.

Belofte

Materiële bescheidenheid en alleen zijn, zijn bij elkaar gekomen door corona. We brengen de aarde minder schade toe dan in ons pre-corona gedrag. Ook lijkt het erop dat we relaxter en reflectiever zijn geworden, dat de reis naar buiten – de toeristentrip, de pretparkbelevenis, de kroegentocht – een stukje heeft plaatsgemaakt voor de reis naar binnen. Het besef dat het anders moet – eerlijker, groener, verantwoordelijker – lijkt toegenomen; we durven onszelf er in ieder geval kritischer dan voorheen over te bevragen.

De eenvoudige dichtregels die Thoreau citeert, en die ik aan het begin van dit artikel opgenomen heb, zijn een ode aan de reis naar binnen. Die dichtregels verwoorden de belofte dat de innerlijke reis vervullend is en zonder eenzaamheid. Ik denk dat die belofte waar is.

Met die belofte wilde ik deze tekst oorspronkelijk afsluiten. Maar ik kom niet om een voorbehoud heen, want het voorbeeld van mijn vrienden laat zien dat de belofte niet voor het oprapen ligt. Je kunt haar niet verzilveren wanneer je zo verstard bent dat je de innerlijke reis niet kunt maken.

Wat mensen als Henry David Thoreau, Stephen King, het studiehoofd, de boer en de creatieveling makkelijk afgaat, lukt niet iedereen, zelfs niet als er hulp geboden wordt. Soms moeten we ons neerleggen bij deze beeldspraak: iemand die in een put belandt en de armen uitstrekt kan eruit getrokken worden, het wordt moeilijk als iemand onbeweeglijk blijft liggen.

Print Friendly, PDF & Email

Een woord over de auteur

Stan Lenssen

Coacht en schrijft op en over thema's van het leven - Professional Certified Coach - gecertificeerd door ICF: de International Coach Federation, die staat voor kwaliteit in coaching. 'Ik voel me mateloos gedreven om mensen te stimuleren het beste in zichzelf te ontdekken en te activeren, zodat we ons leven hier kunnen vormgeven op een manier die iedereen gelukkig maakt.'

0 comments… add one

Leave a Comment

Vorige:

Volgende:

Privacyverklaring