De vreugde van het verval

Als alles langzaam afremt in de winter tot het haast tot stilstand komt, ontstaat er een decor dat er makkelijk toe verleidt, dan denken we er bij leven over na: de dood. De donkere dagen komen met donkere gedachtes, en het hele vreemde is: die donkere gedachtes zijn allesbehalve somber. Zij roepen eerder warmte op, en een sfeer van intimiteit en vertrouwdheid.

Niet te veel doen, maar soms is het een heilzame daad. Dan mag het en geeft mijmeren over wat ieder mens uiteindelijk te wachten staat, ook inzichten die helpen in het traject daarvoor: het leven.

In dat decorum van de winter is het heerlijk om eropuit te gaan. ’s Avonds na de maaltijd een lekker warme jas aan, het donker en de kou in. Naar de stad met haar betoverende lichtjes, haar oude panden en haar geschiedenis.

Overal is beweging. In de grachten zie en hoor je de meerkoeten. Als kleine ronde, zwarte vlekken peddelen ze in het kabbelende, koude water. Met hun snerpende kreet roepen ze ‘kau, kau’ als om aan te geven dat het voor hun klamme pootjes wel een graadje warmer mag. Wandelend onder de lantaarns door de kromme straten ervaar je de drukte van mensen. Ze rinkelen met hun fietsbellen langs je heen, mutsen op, handschoenen aan. En wie te voet is, maakt haastige bochtjes op de stoepen om elkaar nog net niet aan te raken.

Op zo’n levendige Amsterdamse winteravond bezocht ik laatst Barts BoekenCLub in het Betty Asfalt Complex: een tweewekelijkse ongedwongen literaire presentatie met daarna een knusse samenkomst aan de bar. Ik heb genoten. Bart was een perfecte nonchalante gastheer, die zich niet schaamde zich te verspreken. De twee uitgenodigde schrijvers van die avond waren Conny Braam en Midas Dekkers, met hun boeken Ik ben Hendrik Witbooi en De vergankelijkheid. Ze brachten allebei een zeer eigen boodschap en namen de tijd voor een persoonlijk praatje. Het was ouderwets gezellig. Ik kon het niet laten beide boeken aan te schaffen.

Aanvaarding

De trigger voor mijn heilzame mijmerdaad was een uitspraak van Midas Dekkers op die avond, met de ironie waarom hij zo bekend staat:

De mens is klaar als hij 50 is. Het is helemaal niet de bedoeling dat hij zijn nakomelingen voor de voeten loopt. Darwin, of de schepper, of wie dan ook, heeft besloten dat het om het overleven van de soort gaat, niet het individu. Wat is daar nou voor vreselijks aan?!

Het is de op één na grootste gebeurtenis uit ons leven, maar om nou te zeggen dat we er warm voor lopen. Toch gaat het gebeuren.

Vreselijk?

Of is het slimmer om ons aan te sluiten bij Midas Dekkers. Nou gaf hij toe, op diezelfde avond, dat hij als 70-jarige er nog steeds bar weinig zin in heeft, maar de bioloog en filosoof in hem uitten wel aanvaarding: ‘Over een jaar of 10 misschien… in elk geval ergens wacht Magere Hein met zekerheid.’

De meesten van ons zetten ander middelen in dan de aanvaarding om het onvermijdbare minder vreselijk te vinden. Wat we stiekem proberen is de tijd te stoppen. Alsof Darwin, of de schepper, of wie dan ook, dat niet in de gaten heeft. Onbegonnen werk.

We verhouden ons sowieso vreemd tot Vader Tijd. Manen we hem enerzijds tot stilstand, anderzijds verlangen we dat hij op commando sneller gaat. Want de dag van morgen, met zijn rotklus, zijn examen, of zijn routineuze saaiheid, moet vooral heel fluks voorbij gaan. Hypocriet zijn we. Een goede vader – en dat is Tijd – doorziet dat, en houdt stug vast aan zijn eigen lijn.

Jazeker, het is lastig het verval te aanvaarden, maar niet zo lastig als het te beschouwen als een vreselijk lot.

Misschien is Midas Dekkers toch een beetje verder dan de meesten. Het boek dat ik deze avond kocht, schreef hij 20 jaar terug. Het is vol zwartgalligheid en spot, maar het leest als warme humor. Dat helpt enorm om de winteravonden en het gemijmer op te leuken. Midas brengt heel wat leven in de dood.

Oud worden

Op de achterflap van De vergankelijkheid staat een beroemde kwinkslag:

Iedereen wil oud worden, maar niemand wil het zijn.

Hij is niet waar. We worden beduveld; niet iedereen wil oud worden. Een beroemd voorbeeld is Schopenhauer, de filosoof van het aartspessimisme. De gebeurtenis in zijn leven waar hij het meeste spijt van had, was zijn geboorte (De troost van de filosofie, Alain de Botton).

Maar bleef het bij Schopenhauer nog bij filosofische overpeinzingen, ‘gewone mensen’ vertonen daadwerkelijk fatalistisch gedrag. We willen niet vroeg dood, maar velen sturen er wel rechtstreeks op aan. Of doen de pakjes sigaretten dat?

In De kracht van wilskracht van Kelly McGonigal lees ik dat de waarschuwingen op de pakjes een geheel averechts effect hebben. Hoe afschuwelijker de wetgever ze maakt, hoe harder de roker aan het roken slaat. Het maakt hem zo bang dat hij trek krijgt in een sigaret. Verlangen wordt ‘terror management’ in een onbedwingbare mate.

Ze leken mij een goede zaak, al die akelige beloften over verval op die pakjes. Daar heb ik me deerlijk in vergist. Ze creëren Schopenhauers.

Misschien is het veel werkzamer om mijn persoonlijke ervaring toe te geven. Ja, ik heb ook gerookt, maar sinds ik daarmee gestopt ben, voelt het leven een stuk gezonder. Maar ik snap de roker. Het niet-roken hou ik al 30 jaar vol, maar tot op de dag van vandaag kan ik me tot in detail voor de geest halen wat de trek aan een sigaret met je doet: je mag je heel even energiek, cool en vooral jonger voelen. Net te laat zie je steeds in: je wordt wederom beduveld.

De pakjes heffen de vinger: ‘Vader Tijd kan ongenadig zijn als je met hem tracht te spotten!’ Dat werkt dus niet. Misschien is de belofte van gezondheid in plaats van verval toch een veel beter middel.

We gedragen ons behoorlijk tegenstrijdig. Oud worden, dat is wat we willen, maar met ons hoofd in het zand. Daar zijn ontelbare voorbeelden van.

De tijd stoppen

Er zijn twee levensthema’s die ieder mens uit eigen ervaring leert kennen: de geboorte en het sterven. De ironie is dat niemand ook maar één van beiden ooit kan navertellen. Waarom zijn we zo bang voor die tweede en niet voor die eerste, terwijl bij die eerste – om met Schopenhauer te spreken – de ellende eigenlijk pas goed begint?

Wij zijn een positieve diersoort, vol verwachting en lust om te leven; ik denk dat daar het antwoord zit.

Maar dan komt de praktijk en die blijkt weerbarstig. Het is toch allemaal minder leuk op bepaalde momenten dan we eerst dachten. Dus willen we de tijd stoppen, op een moment dat het ons net even wel lekker gaat, op een moment dat we ons gelukkig voelen.

Alleen vraag ik me af, wanneer dan? Hoe maak jij de keuze? Als je al de macht had om de klok te laten stilstaan, op welk punt in je leven zou je dat dan doen? Bij het eerste heuglijke gebeuren al, als je veilig en warm aan moeders borst ligt? En al de toekomstige heuglijkheden dan, ben je bereid om die te missen?

We hebben een verwrongen beeld van geluk. Het zou zitten in hoogtepunten. Maar vergis je niet, de hoogtepunten zijn slechts schakelpunten. Ze markeren de brug tussen de ene en de andere levensfase. Het echte geluk zit hem in het voluit doorleven van die fasen. Geluk zit hem in de uitdagingen van het leven, in de moeilijkheden.

Geluk vind je niet aan moeders borst, het zit in ervaringsuren. Malcolm Gladwell heeft het in Uitblinkers over de 10.000 uren die nodig zijn om ergens echt heel goed in te worden. Dan bereik je meesterschap, dan ga je de gelukzaligheid van flow beleven. Dat geldt op alle vlakken. De boodschap is: stug doorgaan in het leven, met die positieve inslag die ons mensen eigen is.

Dus probeer alsjeblieft de klok niet stil te zetten. Het berooft je van de vreugde die velen pas smaken als ze tegen de zo onterecht gevreesde 50 lopen.

Onsterfelijk

Elke diersoort heeft zijn exit-strategie. De eendagsvlieg plant zich voort en vertrekt onmiddellijk. De olifant verslijt zijn laatste tanden en komt dan om van de honger. De een wordt daarmee vissenvoer, de ander een reuzemaal voor hyena’s en gieren. Bij de dood komt het leven pas goed op gang.

Op de avond in het Betty Asfalt Complex vertelde Midas Dekkers een romantische droom te hebben over zijn sterven:

Onder de grond ontfermen de wormen zich over mijn lichaam en vermalen het weer tot aarde. Boven de grond, op mijn graf, groeit uit de aarde een mooi bloempje. Dan, als het bloempje uitkomt en lieflijk staat te bloeien, huppelt een klein 4-jarig meisje met grappige vlechtjes voorbij. Zij stopt en kijkt naar het bloempje en plukt het, vol bewondering en vreugde.

We gaan helemaal niet dood, we waren altijd al leven en daar verandert niets aan.

De dood is niet angstaanjagend. Het is jammer dat we hem ons nooit zullen herinneren, maar we kunnen ons troosten met prachtige beschrijvingen. Zoals die van Tolstoj in Oorlog en vrede, wanneer Andrej Bolkonski sterft. Je krijgt een gevoel van lijfelijk erbij te zijn als Andrej, als het bijna zover is, in een droom roept: ‘Ik ging dood en ik werd wakker.’ Tolstoj laat Andrej ontwaken uit het leven.

Verval is een bakermat. Alles is energie, ook wij die tastbaar zijn. Einstein drukte dat wiskundig uit in E=mc2. Het is een van de mooiste inzichten van de 20e eeuw. Energie verandert van vorm. Er is geen sprake van verval noch van een weggaan. Zodra je dat aanvaardt, heb je geen vrees voor de dood meer en word je onsterfelijk.

Print Friendly, PDF & Email

Een woord over de auteur

Stan Lenssen

Coacht en schrijft op en over thema's van het leven - Professional Certified Coach - gecertificeerd door ICF: de International Coach Federation, die staat voor kwaliteit in coaching. 'Ik voel me mateloos gedreven om mensen te stimuleren het beste in zichzelf te ontdekken en te activeren, zodat ze hun leven kunnen vormgeven op een manier die bij hen past en die hen gelukkig maakt.'

0 comments… add one

Leave a Comment

Privacyverklaring