Durven luisteren – Dodenherdenking 2018

‘Antisemitisme vormt nooit een doel, het is altijd slechts een middel, een maatstaf voor onoplosbare tegenstellingen. Het is een spiegel voor de eigen gebreken van individuele mensen, maatschappijstructuur en staatssystemen. Zeg me waarvan je de Joden beschuldigt, en ik zeg je waaraan je zelf schuldig bent.’

Uit: Leven en lot, Vasili Grossman, vertaling Froukje Slofstra (2008), tiende druk, november 2016.

Een kostbaar moment

Vier jaar geleden ben ik in Amsterdam komen wonen, om precies te zijn op 1 mei 2014. Drie dagen daarna stond ik ’s avonds op de Dam, samen met twintigduizend andere mensen, dicht op elkaar, in een zeldzame stilte. Er was niets anders dan het geruis van jassen, een enkele ingehouden kuch, het vleugelgeflapper van opvliegende duiven en de pompende voorjaarszang van een levenslustige koolmees. De geluiden maakten de stilte nog nadrukkelijker. Ik had de Nationale Dodenherdenking nooit zo lijfelijk beleefd.

Ik stond daar, nog onder de indruk van de woorden van Jan Terlouw van dertig minuten daarvoor in de Nieuwe Kerk. Zijn toespraak werd voor ons geprojecteerd op het grote scherm op het plein. Één zin heb ik toen opgeschreven – ik wilde hem per se niet vergeten:

‘Vrijheid is niet dat je mag doen waar je zin in hebt; vrijheid is dat het je wordt toegestaan om te doen wat je moet doen in de gegeven omstandigheden.’

Op die plek, in dat kostbare moment van twee minuten stilte, dacht ik aan het boek van Viktor Frankl dat iedereen zou moeten lezen: De zin van het bestaan. De Joodse psychiater Viktor Frankl verloor alles en iedereen in de Holocaust, en zat drie jaar vast in verschillende concentratiekampen. Toch wist hij een waardig mens te blijven, vrij van wrok en haat. In de hel op aarde was hij in staat om de zin van het leven in zichzelf op te diepen en zich daaraan omhoog te trekken.

In 2016 ben ik opnieuw naar de Dodenherdenking geweest en hoorde ik de Rotterdamse burgemeester Ahmed Aboutaleb spreken. Hij herinnerde ons eraan dat wij elk jaar op die plek bijeen zijn om steeds weer de bevestiging te voelen dat wij ons hart, ons verstand en ons geweten moeten blijven gebruiken, omdat het kwaad begint met vooroordelen.

Dit jaar, 2018, was ik voor de derde keer aanwezig op de Dam.

Elk jaar zijn we op 4 mei in stilte twee minuten bijeen – niet alleen op de Dam, maar in heel Nederland. Twee minuten om bij onszelf naar binnen te kijken, zoals Viktor Frankl deed, en vrij van oordeel, wrok en haat te blijven.

We durfden elkaar niet aan te kijken

Ik ben van 1958; ik heb mijn militaire dienstplicht vervuld. In 1982 kwam ik op, in 1997 is de dienstplicht in Nederland opgeschort. Voorlopig hoeft niemand meer op te komen.

Ik zal openhartig zijn. De eerste maanden van mijn dienstplichtvervulling vond ik vreselijk. Ik voelde me gevangen, geïntimideerd en bang gemaakt. In het militaire apparaat werd dagelijks over oorlog en het doden van mensen gepraat – je werd erin onderwezen.

De kernwapendiscussie was in die periode volop aan de gang. Tegen de NAVO-atoomtaken van Nederland werd massaal gedemonstreerd: in de protestmarsen van 1981 en 1983 liepen 400.000 en 550.000 mensen mee. Nog nooit waren in ons land zulke aantallen mensen gezamenlijk op de been geweest om zich ergens tegen uit te spreken.

‘Wat doe jij als het erop aankomt?’, was een, onder ons dienstplichtigen, veel gestelde vraag. We durfden elkaar niet aan te kijken: hadden we het over demonstreren of doelden we op gevechtssituaties? Bij de artillerie, waar ik was ingedeeld, waren nucleaire granaten een mogelijk onderdeel van het wapenarsenaal.

Oorlog kwam voor mij veel dichterbij, maar ik zat nog steeds veilig en beschermd op de kazerne.

Een discussie zonder getuigen

Oorlog wordt verheerlijkt in films, boeken en in schilderkunst. Maar oorlog is helaas geen spannend avontuur met een goede afloop. Het is de armoedigste uiting van ons mens-zijn, de verschrikkelijke spanning die openbarst als we alle normen kwijt zijn. Het is machteloze, willoze, dierlijke vernietiging.

Wij kunnen dat niet echt weten, we kunnen het alleen maar zeggen. De huidige Nederlandse generaties hebben altijd in vrede geleefd; dat is een grote zegen, het is ook onze zwakte. Voor ons zijn vrede en vrijheid vanzelfsprekend.

Enkele weken terug schrok ik van de discussie die in Rotterdam was opgelaaid om de koopavond tijdens de Nationale Dodenherdenking – dit jaar op een vrijdag – gewoon doorgang te laten vinden. Gelukkig was er te weinig draagvlak en gingen de winkels uiteindelijk toch om 19.00 uur dicht, net als op de meeste plaatsen in Nederland.

Twee minuten in stilte onszelf aankijken, één keer per jaar; is dat te veel gevraagd? Zijn we zo verblind door consumptiedwang dat het kopen en verkopen van een blouse bij H&M of een elektronische gadget bij MediaMarkt ons zinvoller voorkomen dan nadenken over de kernwaarden van onze samenleving? Dat waren in gedachten mijn eerste reacties.

Later zag ik de logica van het opvlammen van de discussie. Oorlogen en inperking van vrijheid zijn ver van huis. Wij voelen ze niet en hebben ze ook nooit echt gevoeld; wij zijn de fortuinlijke generaties. In onze omgeving zijn nog maar weinig laatste getuigen die de gemoedsbewegingen kennen die het besef levend houden.

Vasili Grossman – Leven en lot

Er zijn ooggetuigen die hun verhalen hebben opgeschreven; zo indringend dat ze de nieuwe generaties kunnen helpen. De Oostenrijkse psychiater Viktor Frankl noemde ik al. De Sovjetschrijver Vasili Grossman is ook zo’n ooggetuige. Hij schreef Leven en lot, een boek dat past in de traditie van Russische literaire werken als Oorlog en vrede.

De, in 1905, in de Oekraïne geboren Vasili Grossman was oorspronkelijk scheikundig ingenieur, maar ontwikkelde zich na zijn dertigste tot een van de grootste Russische schrijvers. Vasili Grossman was van Joodse afkomst. In de Tweede Wereldoorlog was hij correspondent aan het front voor de Stalinregering. Zijn verslagleggingen waren zo inlevend dat hij een grote populariteit verwierf onder de Sovjetbevolking.

Door zijn werk als correspondent kende Grossman de oorlog van binnenuit. Hij was bij de eerste journalisten die in Polen de kampen Majdanek en Treblinka bezochten. Over het functioneren van het vernietigingskamp Treblinka sprak hij overlevenden en omwonenden; hij schreef er heel gedetailleerd over. Grossman leed ook zware persoonlijke verliezen. Zijn stiefzoon kwam om als rekruut en zijn moeder werd met meer dan twintigduizend Joden uit het getto van Berditsjev (zijn geboortestad in de Oekraïne) door de Duitsers geëxecuteerd.

Vasili Grossman kende ook de verschrikkingen van de Stalinterreur. Hij zag hoe critici de mond werden gesnoerd en naar de goelag verdwenen. En hij maakte mee hoe de Sovjetautoriteiten campagne voerden tegen de Russisch-Joodse intellectuelen. In die hetze vonden stelselmatig arrestaties en executies plaats.

Vasili Grossman kende de wreedheid van oorlog en de inperking van vrijheid niet alleen door de Duitse bezetter, maar ook door het meedogenloze totalitaire regime van de Sovjetmachthebbers.

Na de oorlog werkte hij tien jaar aan Leven en lot. Het boek is grotendeels gesitueerd op twee plaatsen: aan het Sovjet-Duitse front bij de Slag om Stalingrad in de winter van 1942-1943; en rond het instituut voor fysica in Moskou, waar de objectiviteit van de wetenschappers en hun onderlinge loyaliteit ondermijnt worden door de geboden en de achterdocht van het Stalinregime.

Vasili Grossman was aanvankelijk enthousiast over de idealen van de Russische revolutie, maar raakte steeds meer gedesillusioneerd. Hij kon niet meer schrijven wat hij wilde. In de naoorlogse jaren profileerde hij zich steeds kritischer. Zijn populariteit heeft hem vermoedelijk behoed voor arrestatie.

In 1959 voltooide hij het manuscript van Leven en lot, dat onverholen oordeelde over het Sovjetsysteem. Stalin was in 1953 overleden en onder zijn opvolger Chroesjtsjov was het culturele klimaat enigszins ontdooid. Grossman hoopte dat zijn boek in de Sovjetunie kon verschijnen, maar zijn vrienden waarschuwden hem.

Gearresteerd

In 1961 werd zijn levenswerk ‘gearresteerd’, zoals Grossman het zelf zei. De KGB nam het manuscript en alles wat erop betrekking had in beslag, tot en met het carbonpapier. Ze bezochten zelfs het adres van zijn typiste om daar de gebruikte linten van de typemachine op te halen. ‘Ze hebben me gewurgd in mijn eigen portiek’, zei Vasili Grossman. In 1964 overleed hij aan kanker.

Maar hoe zorgvuldig de KGB ook was geweest, toch kwam het boek in 1980 naar buiten. Het verscheen in het Russisch bij een Zwitserse uitgeverij. Vasili Grossman had naar zijn vrienden geluisterd en had één van hen een kopie ter hand gesteld. De KGB is die nooit op het spoor gekomen. De kopie werd op microfilm gezet en naar het buitenland gesmokkeld.

In 1988 verscheen het boek uiteindelijk toch in de Sovjetunie. Het was de tijd van de Perestrojka (ommekeer) en de Glasnost (openheid) van Gorbatsjov.

Kort daarop bleek dat Grossman nog een tweede exemplaar aan een studievriend in de provincie had gegeven. Het was het exemplaar met zijn laatste correcties. Het werd de eerste complete Russische editie van Leven en lot. Deze werd gepubliceerd in 1989, het jaar van de val van de Berlijnse Muur. Het citaat aan het begin van dit artikel komt uit deze versie. In 2008 is die naar het Nederlands vertaald door Froukje Slofstra. Bij de weduwe van Grossmans studievriend had het definitieve manuscript jaren in een boodschappennetje aan de kapstok hangen, schrijft Slofstra in haar nawoord.

De opdracht voor de nieuwe generaties

Het citaat uit Leven en lot waar dit artikel mee aanving, gaat niet alleen over antisemitisme. Wat Vasili Grossman daar zegt, geldt voor alle vormen van discriminatie en vooringenomenheid. Schrijvend aan dit artikel schoot de volgende vraag door mij heen: wat zouden wij nu doen als mensen in onze huidige buurten, waar wij thuis zijn en de gezichten kennen, worden opgepakt om wie zij zijn?

Dit jaar – Dodenherdenking 2018 – kwam ik niet op mijn gebruikelijke manier op de fiets naar de Dam. Mijn vrouw en ik, wij liepen mee met de traditionele stille tocht, met de nieuwe generaties. Die tocht begint bij het Amsterdamse stadhuis en eindigt op de Dam – de burgemeester en vijftig schoolkinderen voorop.

Bij het startpunt, op het stadhuisplein aan de Amstel, sprak Minka Bos, initiatiefneemster van Oorlog in mijn Buurt. Zij stelde zich ook de vraag van hierboven. Zij maakte hem nog persoonlijker en richtte zich rechtstreeks tot zichzelf en tot ons, het luisterende publiek: ‘Wat zou ik doen – wat zou u doen?’

Daarna sloot zij af met onze opdracht, die op het oog zo eenvoudig aandoet:

‘Durven vragen stellen, en durven luisteren.’

Foto: Nationale Herdenking 2018 – Ben Houdijk

Een woord over de auteur

Stan Lenssen

Professional Certified Coach en schrijver - gecertificeerd door ICF: de International Coach Federation, die staat voor kwaliteit in coaching. 'Ik voel me mateloos gedreven om mensen te stimuleren het beste in zichzelf te ontdekken en te activeren, zodat ze hun leven kunnen vormgeven op een manier die bij hen past en die hen gelukkig maakt.'

0 reacties… add one

Geef een reactie

Privacyverklaring