Een kwestie van geloof

Het is 2019, de eeuw is voor bijna een vijfde voorbij. Daaraan denkend, schrik ik van een vraag die in mijn hoofd oppopt: hoe zou het zijn met het leven op aarde als we aan het einde van deze eeuw zijn? Nog eenentachtig jaar – het lijkt ver weg, maar het is slechts één mensenleven. Ik durf me er geen beeld van te vormen.

Het is geen nieuws, het gaat compleet mis met het klimaat. Als het probleem niet zo urgent en alles bedreigend was, zou ik het een afgezaagd cliché noemen. Maar wat op ons afkomt is té groot, het vraagt om aandacht, telkens weer. De atmosfeer op aarde is anno nu structureel één graad warmer dan zij zou moeten zijn. Dat is minder gezellig dan het klinkt, want in een gestaag tempo slokt daardoor de zee grote delen van het land op. Dat gaat ten koste van ons leefgebied en dat van vele andere landdieren met ons.

De zeespiegel stijgt door de opwarming van het oceaanwater en het smelten van honderden miljarden tonnen ijs van de gletsjers en de ijskappen op Groenland en de Zuidpool. Het is alsof de reserve-voorraadkamers water van de aarde in de zee aan het leeglopen zijn. Ook het Noordpoolijs is aan het verdwijnen. Dat heeft weliswaar geen invloed op de zeespiegelstijging omdat dit ijs al in het water ligt, maar het gevolg is wel dat een permanent dichtgevroren Noordpool voor de volgende generaties verloren is. Rond het jaar 2100 is het daar voortaan ’s zomers een waterige oceaan.

Kortom: er is een onvoorstelbare watersnoodramp in de maak (om over de andere rampen maar te zwijgen). Sommige delen van de aarde kunnen zich daar nu al niet meer van redden. Zo is de eilandrepubliek Kiribati in Oceanië, terwijl ik dit schrijf, in de zee aan het verdwijnen. Kiribati heeft 120 duizend inwoners. Zij verliezen land, huis en haard. Het lijkt me dat de ontreddering bij de mensen daar enorm moet zijn. Eenzelfde lot wachten verschillende van de Seychellen, Malediven en Salomonseilanden. Maar de ramp zal zich niet beperken tot exotische eilandenrijken. Ook metropolen als New York, Londen, Tokio, Manilla, en de laag gelegen Nederlandse Randstad met steden als Amsterdam en Rotterdam ontkomen niet aan het noodlot als zij niet tijdig rigoureuze maatregelen treffen.

Nog één graad erbij en er valt niets meer te redden

Er zijn legio voorbeelden die tonen dat onze leefgebieden zullen worden verzwolgen door de oceanen of dreigen dat lot te ondergaan. En, zoals bekend, watersnood is maar één van de gevolgen van de gestage opwarming van de aarde. Klimatologen wijzen ook op een heel scala van andere rampen die op ons afkomen. Zo zullen onze veiligheid en onze water- en voedselvoorziening steeds vaker worden bedreigd door grote orkanen, hevige hittegolven en langdurige droogteperiodes. Ook zal de biodiversiteit eraan moeten geloven. Of beter: er nog meer aan moeten geloven, want sinds 1970 is het aantal soorten zoogdieren, vogels, reptielen, amfibieën en vissen al gehalveerd. Nog één graad erbij en er valt niets meer te redden! In het huidige tempo heeft de aardatmosfeer dat punt over zo’n twintig jaar bereikt.

We zijn het er in meerderheid wel over eens wie hier de hier de hand in heeft; dat is homo sapiens en zijn ongebreidelde consumentisme. Het geologische tijdperk van het holoceen, dat nu twaalf millennia geleden begon, beloofde hem een periode van zo’n 60 duizend jaar klimatologische stabiliteit en mildheid – omstandigheden waaronder homo sapiens goed zou kunnen floreren. Het is vermoedelijk ook daarom dat het hem de afgelopen 12 duizend jaar als diersoort zo goed is gegaan. Hij leerde te anticiperen op de seizoenen, ontdekte hoe gewassen te verbouwen en hoe dieren te domesticeren; hij ruilde zijn onzekere bestaan van jager-verzamelaar in voor dat van landbouwer, stichtte nederzettingen en steden, liet beschavingen opkomen, ontdekte de wetenschap en creëerde industrieën om in zijn groeiende behoefte aan producten te voorzien; dankzij het holoceen werd de aarde voor homo sapiens een zeer gastvrije plek die hij voor zichzelf comfortabel wist in te richten.

Maar de wal is het schip aan het keren. Door homo sapiens’ enorme productie van broeikasgassen – een direct gevolg van zijn floreren – zijn de klimatologische stabiliteit en de mildheid van het holoceen ernstig aan het wankelen gebracht. In wetenschapskringen is het holoceen daarom inmiddels omgedoopt tot antropoceen. Antropo komt van het Griekse ‘anthropos’ en staat voor ‘mensheid’.

Plotseling bevindt de aarde zich in een geologisch tijdperk dat zijn oorzaak vindt in een diersoort die de aarde zelf heeft voortgebracht: de mens, homo sapiens. Dat is in de 4,5 miljard jaar die de aarde bestaat nog nooit vertoond. Maar de omdoping van holoceen naar antropoceen lijkt een cynisch eerbetoon aan die diersoort. Intussen, in datzelfde antropoceen, dreigt zich namelijk de paradox te ontrollen dat de homo sapiens letterlijk verdrinkt in zijn succes. 

We negeren het al decennialang

Wij zijn die homo sapiens, en het is niet dat de ramp bij verrassing op ons afkomt. De eerste aankondigingen stammen reeds van diep uit de vorige eeuw. Al in 1972 werden we gewaarschuwd door de Club van Rome, een internationale groep van wetenschappers die bezorgd is over de toekomst van de aarde. De groep publiceerde in dat jaar het rapport De grenzen aan de groei en liet daarin zien dat we door de toenemende consumptie en industrialisatie afstevenen op een planeet die onleefbaar is doordat zij vervuild is en doordat haar grondstoffen zijn uitgeput.

Twintig jaar later, in 1992, verscheen van de Club van Rome een nieuw rapport: De grenzen voorbij. De balans van de tussen de twee rapporten liggende periode wordt daarin opgemaakt: overheden, bedrijven en burgers bleken nog weinig te hebben bereikt in de zin van de in 1972 geopperde duurzame samenleving. Intussen werden in die twintig jaar de grenzen van wat de aarde kan dragen aan consumptiebelasting door de mensheid overschreden. Zo waarschuwt het rapport expliciet dat de opwarming van de aarde door de mens in de tachtiger jaren duidelijk aantoonbaar werd, en dat er onontkoombare gevolgen zaten aan te komen. De grenzen voorbij leest dan ook als een bezorgd vervolg op De grenzen aan de groei, waarbij de focus ligt op één centrale vraag: laten we het zover komen dat we straks echt te laat zijn?

Een economisch principe dat aanstuurt op een zondvloed

De opwarming van de aarde is een direct gevolg van ons ongematigde consumeren. Ons consumeerpatroon vertoont een stijgende spiraal die zich op verschillende niveaus manifesteert: overheden die streven naar een onophoudelijk groeiend bbp, bedrijven die het continue toenemen van hun winst als hun grootste belang zien, en burgers die een steeds aanzwellende koopkracht als een recht beschouwen – consumeren alleen is ons niet genoeg, de consumptie moet ook groeien.

Samen met de opkomst van het neoliberalisme – een stroming waar ik verderop nog op terugkom – werd een continue groeiende consumptie in de vorige eeuw het kernprincipe van onze economie. De aarde kan de belasting die zo’n groei veroorzaakt natuurlijk niet eindeloos dragen. En dat is veel meer dan een mening waarover valt te twisten, of die wel zal worden gelogenstraft door technische vooruitgang; het is een onderbouwde stelling. In De grenzen voorbij zeggen de wetenschappers van de Club van Rome daar iets interessants over (p. 180-181):

‘Vooral in de laatste decennia heeft zich, door de ontwikkeling van de industriële cultuur, in de menselijke geest de verwachting genesteld van een eeuwigdurende groei. Daarom is het idee dat er grenzen aan de groei zouden zijn, voor veel mensen onvoorstelbaar. Deze grenzen zijn politiek gezien taboe en economisch gezien ondenkbaar. De samenleving is geneigd om het eventuele bestaan van grenzen te negeren door veel vertrouwen te stellen in de mogelijkheden van de technologie en in de werking van de vrije markt. (…)

Elk voorbehoud dat we maken, elke twijfel die we uitspreken, zal door sommige mensen als ketterij worden gezien. Als we suggereren dat de technologie of het marktstelsel problemen kent of grenzen heeft, zullen sommigen ons als tegenstanders van de technologie of het marktstelsel beschouwen. Dat zijn we niet. We hebben een technologische opleiding gehad en zijn enthousiast over technologie. Wij vertrouwen op technische efficiëntie om de economie netjes en zonder dat er veel offers worden gebracht te laten afremmen tot binnen de grenzen van de aarde.’

Het is alsof homo sapiens met open ogen afkoerst op een zondvloed zoals Ovidius die in zijn Metamorfosen beschrijft (vertaling Marietje d’Hane-Scheltema, 2018, p. 11): de mensheid leeft de aarde uit, waarop het wangedrag wordt weggespoeld door Jupiter die geen andere oplossing ziet dan diezelfde mensheid te vernietigen. Alleen, toen kreeg homo sapiens een herkansing; het is de vraag of dat er nu ook in zit.

‘It’s the economy, stupid’?

Anno 2019 – 27(!) jaar na het verschijnen van De grenzen voorbij – weten we dus al decennialang dat ons gedrag onze leefgebieden, en dus onszelf, ernstig bedreigt. Toch hebben de meesten van ons het al die decennia vrij onbekommerd aan laten komen op de grote klimaatramp die de aarde nu dreigt te treffen. Pas nu de vloedgolf al op ons afkomt, is het alle hens aan dek, alsof we toch nog overvallen zijn. Natuurlijk hoop ik dat we het tij weten te keren, maar er is een vraag die mij hier vreselijk dwarszit: waarom waren wij zo lang inert?

Ik kijk nog eens naar onze economie. ’It’s the economy, stupid’, was de strijdkreet van Bill Clinton toen hij op campagne toog voor het Amerikaanse presidentschap van 1992. Hij was ervan overtuigd dat het voornamelijk economische belangen zijn die mensen in beweging brengen. Meer in concreto gaan die economische belangen over zaken als werkgelegenheid, koopkracht, salaris, financiële zekerheid. Bill Clinton richtte zijn campagne op die belangen, en hij won.

Het lijkt logisch om de logica van ‘It’s the economy, stupid’ ook als antwoord te zien op de vraag van het waarom van onze jarenlange inertie ten aanzien van de klimaatproblemen. Want wat roept er dagelijks en indringend eigenlijk steeds en vooral om onze aandacht? Is dat een vaag en schijnbaar ver van ons bed verwijderd proces als de opwarming van de aarde, of is dat wat er in onze portemonnee zit, en wat dus direct voelbaar bepaalt of ons eten, onze kleding, onze huisvesting en onze levensstijl hier en nu doorgang kunnen vinden? Onze economie gaat over deze noden. Het zijn de noden van het directe moment. Zij doen zich dan ook steeds als enorm urgent aan ons voor en weten daardoor zeer effectief onze aandacht af te leiden van zoiets dat op de lange termijn speelt als het klimaat.

Maar hoewel de urgentie die onze economische belangen oproepen zeker mee zal spelen, lijkt het mij onwaarschijnlijk dat daarin een afdoende verklaring schuilt voor onze inertie. Zo’n verklaring suggereert namelijk een te doorzichtige blokkade voor een diersoort met de slimheid van homo sapiens. Overheden, bedrijven en burgers zouden allang lange-termijnmaatregelen genomen hebben om de ideale omstandigheden van het holoceen te redden als er niet nog iets anders speelde waardoor het besef van de bedreiging die op ons afkomt eerder dan nu niet doordrong (en bij sommigen nog steeds niet doorgedrongen is).

Consumeren als levensmodel

Het aan banden leggen van ons consumeerpatroon is een politiek en economisch taboe, zo ondervond de Club van Rome. Een taboe impliceert onbespreekbaarheid. Dan moet het dus wel heel diep zitten.

Historicus en journalist Philipp Blom, die zeer kritisch is over het moderne consumentisme, wijst op een mogelijke oorzaak van die onbespreekbaarheid. In zijn boek Wat op het spel staat (2017) stelt hij dat consumeren een levensmodel geworden is, dat naar onze volle overtuiging het enige juiste is. In zijn visie waardeert de huidige samenleving consumeren als een bijkans religieuze deugd, een daad die getuigt van mededogen. Immers, wie goed consumeert draagt bij aan een groeiende welvaart en daarmee aan een materieel steeds rijker leven voor zijn medemensen en – en passant – ook voor hemzelf.

En de goede daden van de consument gaan verder. Een consumerend mens spekt met zijn uitgaven fondsen waarmee de oplossingen voor problemen die zich in de maatschappij voordoen, gefinancierd kunnen worden – net zoals die uitgaven fondsen opleveren voor onderwijs, gezondheidszorg, infrastructuur en al die andere zaken waarvan we het belangrijk vinden dat we ze goed voor elkaar geregeld hebben; een consumerend mens prikkelt ook de wetenschap en de techniek tot het ontwikkelen van nieuwe vindingen. Consumeren geeft, kortom, onze samenleving een compassievol karakter en een zelfreinigend vermogen. Zo’n samenleving draagt een automatisme in zich waardoor haar vraagstukken zich vanzelf wel oplossen. Zo’n samenleving is een onweerstaanbaar Utopia.

Ik denk dat Philipp Blom een punt heeft; de moderne homo sapiens  is zo overtuigd geraakt van de heilzaamheid van consumeren dat hij in consumptie is gaan ‘geloven’, en een geloof staat niet open voor discussie. Hoe intensiever de individuele homo sapiens zijn consumeren doet, hoe meer hij zichzelf als een devoot participant van de samenleving kan zien – een participant die beloond mag worden als een uitverkorene, zoals dat nu eenmaal hoort bij een religie.

Hoe wordt een uitverkorene beloond?

Laat ik mij beperken tot het Westen. Een uitverkorene worden, is een kwestie van devoot de bij de tijdgeest passend religie aanhangen – dat is een oeroud menselijk principe. Dat principe is door het neoliberalisme, dat in ons Westen alom heerst, van een nieuwe invalshoek voorzien. Het neoliberalisme gaat er namelijk van uit dat iedereen zelf verantwoordelijk is voor zijn positie in het leven, want – stelt het – die positie is gebaseerd op keuzes die voortkomen uit autonome handelingsvrijheid, anders gezegd: keuzes die in alle vrijheid zelf worden gemaakt. De positie die een individuele mens inneemt in de samenleving is daarom de positie die hij verdient, vindt het neoliberalisme. Ergo, je bepaalt dus helemaal zelf of je de juiste religie belijdt en of je dat zodanig doet dat je tot de uitverkorenen behoort.

Het neoliberalisme is misschien wel een hardnekkig kind van het oude calvinisme, want de predestinatieleer klinkt erin door. Dat calvinisme associeerde rijkdom met deugd en armoede met zonde. Als je materiële rijkdom wist te verwerven tijdens je aardse bestaan, kon je ervan op aan dat je in Gods genade viel. Het was een bewijs voor je werklust, je vroomheid en je voorbestemde recht op een plek in de hemel – je was een uitverkorene. Die materiële rijkdom mocht je overigens maar gematigd tonen. Hij diende vooral om aan God in alle nederigheid verantwoording af te leggen; een bescheiden uitstraling was daarom geboden.

Anno nu is de hemel in de ogen van de meesten niet meer de plek van de uitverkorenen; de hemel bestaat niet meer, je dient je uitverkoren plek voortaan hier op aarde te regelen. We zijn ook minder schuchter geworden om rijkdom te tonen; we zijn in groten getale immers van God losgekomen (een uitdrukking waarmee je twee kanten op kunt, ik kies hier voor de letterlijke). Het neoliberalisme heeft velen van ons ervan doordrongen dat ‘ik’ belangrijk is; er is een kleine, nieuwe god opgestaan waar we verantwoording aan verschuldigd zijn. Voor die kleine, nieuwe god is bescheidenheid niet meer nodig; wie het breed heeft, mag het breed laten hangen – dat heeft geen hiernamaalse repercussies.

In dit, laat ik zeggen, post-hiernamaalse tijdperk is er louter een bestaan op aarde. Homo sapiens moet dus de hemel op aarde maken. Hij doet dat door te consumeren. Dat is deugdzaam gedrag want, zoals we hebben gezien, het steunt zijn medemens. Tegelijkertijd eert homo sapiens zijn eigen kleine god. Het idee dat te zijn, met alle materiële privileges die erbij horen, is natuurlijk een prachtige beloning; het lijkt op een modern equivalent van uitverkoren zijn.

Maar het levensmodel van de consumptiereligie is helaas gestoeld op het instandhouden van zelfzuchtig gedrag, hoe compassievol het model zich ook mag voordoen. De eigen kleine god vraagt om alsmaar meer, omdat elke consumptie slechts kortstondig bevredigt; hij raakt verslaafd en is dus op een bepaald moment blind voor de gevolgen – zo sterk kan een geloof zijn.

En of het zelfreinigende vermogen van de consumptiesamenleving de blinde uiteindelijk vanzelf verlost van de klimaatproblemen die zijn geloofsbelijdenis veroorzaakt, is maar de vraag. Het is in elk geval gevaarlijk om daar op te rekenen, want het blijken in dat opzicht onvervulde verwachtingen te zijn die de consumptiereligie tot nu toe voortbrengt.

Van ons geloof vallen

De Club van Rome schotelde de wereld in 1972 met zijn rapport een te sombere onheilstijding voor, zo vonden toen velen, en het werd terzijde geschoven – een geschiedenis die zich in 1992 min of meer herhaalde. Maar was het niet eigenlijk zo dat de Club van Rome in zijn rapporten de wereld een ongemakkelijke spiegel voorhield waarin misschien liever niet werd gekeken? Wat wellicht te weinig erkend werd, was dat de rapporten ook een hoopgevende uitdaging presenteerden: het was nog mogelijk om tijdig een ecologisch en economisch evenwicht te vinden en tot een duurzame samenleving te komen, als maar zou worden afgezien van het dogma van groeiende materiële welvaart.

Maar homo sapiens bleef in zijn levensmodel geloven en koesterde amechtig de ‘religieuze deugd’ van consumeren. Dat zou al zijn problemen immers wel oplossen. Consumeren ontwikkelde zich in een korte eeuw tijd tot zo’n sterk geloof dat homo sapiens er de zin van het leven in vond: zijn uitverkoren zijn. Philipp Blom zegt in zijn boek iets fundamenteels over die ontwikkeling (p. 81): ‘Het is fascinerend te zien dat consumptie als levensmodel enerzijds zo radicaal nieuw is en anderzijds gebruikmaakt van de oudste culturele reflex van homo sapiens: het verlangen naar zin en verbondenheid.’

Een interessante vraag is natuurlijk: zou homo sapiens werkelijk menen dat hij behalve materiële bevrediging ook zingeving en verbondenheid ondervindt door zijn consumeergedrag? Ik zet hier graag een uitspraak van Oxford-econome Kate Raworth naast: ‘Als het over consumentisme gaat, bestaat de armoede die we proberen te verhullen misschien uit onze verwaarloosde relaties met anderen en met de natuur.’ Wat zij bedoelt is: we kunnen dan misschien wel verlangen naar verbinding, in de wereld van nu zijn we die waarde goeddeels kwijtgeraakt; consumeren is vooral een manier waarop we dat verlies trachten te compenseren.

Kate Raworth heeft overigens het lef om het traditionele economische denken uit te dagen met een ander model. Zij schrijft daarover in haar boek Donuteconomie (2018), hetgeen een aanrader is. Uit datzelfde boek komt de geciteerde uitspraak (p. 267).

Het is 2019. Als ik kinderen had, zou ik me ernstig zorgen voor ze maken. Nu maak ik mij plaatsvervangend zorgen voor de kinderen van anderen. In twee decennia nog één graad erbij en er valt niets meer te redden. Twintig jaar gaan in een flits voorbij. Het is de periode waarin een homo sapiens van baby naar volwassenheid holt. Ik heb het gevoel dat de volgende vraag heel actueel is: wat wensen wij de baby’s van nu voor een volwassen leven toe?

We kunnen ons wel bewust zijn van het probleem dat we veroorzaken, maar ik denk dat we het tij nooit zullen keren als we ons niet ook bewust zijn van de diepere oorzaken van ons gedrag. Er is een fundamentele verandering in onze levensbeschouwing nodig, anders zullen en kunnen we nooit onze levensstijl aanpassen. Onmogelijk is het niet. Homo sapiens is wel vaker in de historie van zijn geloof gevallen.

Print Friendly, PDF & Email

Een woord over de auteur

Stan Lenssen

Professional Certified Coach en schrijver - gecertificeerd door ICF: de International Coach Federation, die staat voor kwaliteit in coaching. 'Ik voel me mateloos gedreven om mensen te stimuleren het beste in zichzelf te ontdekken en te activeren, zodat ze hun leven kunnen vormgeven op een manier die bij hen past en die hen gelukkig maakt.'

2 comments… add one

Leave a Comment

Privacyverklaring