Een ongelukkige dwaling

‘Er is maar één aangeboren dwaling, en die luidt dat wij bestaan om gelukkig te zijn…’, zo sprak Schopenhauer (uit: De troost van de filosofie, Alain de Botton).

Schopenhauer was een uitgesproken zuurpruim, maar hij had hier wel een punt.

Het merkwaardige is dat mensen gekweld worden door de gedachte dat zij iets van hun leven moeten maken. Andere diersoorten lijken daar geen last van te hebben.

Neem de eend. Het is voorjaar, zij zwemt met wel tien donzige kuikens in de sloot. Uitgebroed na een kille, waaierige winter. De woerd die haar mocht bevruchten, heeft daarvoor halsbrekende toeren uitgehaald. In de broedtijd is hij als een wilde zot. De hormonen sturen maar op één ding aan: paren! Niet zelden vliegt zo’n mannetjeseend zich in zijn ‘blindheid’ te pletter in ons verkeer als aan de overkant van de straat zich een bevallige jongedame bevindt. Alles voor de voortplanting!

En nu, in de sloot, kwijt zo’n bevallige jongedame zich van de taak om het product van al die doodsverachting groot te brengen. Zij doet het goed als drie van de donsbolletjes ook daadwerkelijk eend worden, en is uiterst vastberaden in haar voornemen dat aantal hoog te houden. Een rat die een kuiken tracht te verschalken, kan rekenen op een huiveringwekkend blaasconcert. Alles voor de overleving!

Die eendenman en -vrouw hebben er hun vlerken vol aan om er gewoon te zijn en te doen waar de natuur om vraagt: voortplanten en overleven. Zodat er over tienduizend jaar ook nog eenden zijn. ’t Is al meer dan prestatie genoeg.

De bovennatuurlijke mens

Maar nee, dan de mens, het enige wezen op aarde dat zich druk maakt om geluk. En juist daardoor een groot deel van zijn tijd doorbrengt in onvrede met zichzelf en onvrede met zijn situatie. Het idee gelukkig te moeten zijn is een behoorlijk beperkende gedachte.

Pas als we inzien dat geluk nooit onderdeel van het plan was, pas dan maken we kans om iets van geluk te smaken, bedacht Schopenhauer. De grootste ontkenner van geluk verschafte zo zichzelf en ons toch nog een sprankje hoop.

Waar Schopenhauer van gruwde, was dat de mens zich plaatst boven al het andere gedierte. We hebben hem er zojuist op betrapt dat hij met zijn sprankje hoop niet anders deed, en dus bewees ook maar een mens te zijn.

Waarom kon hij het niet laten zich boven de natuur te verheffen? Waarom kunnen wij dat als mensheid niet laten?

Het is die verdraaide illusie van de vrije wil die ons hier parten speelt. Plotseling zijn we verantwoordelijk voor het verloop van ons eigen leven. Maar – net als een donskuiken – elk mens is per ongeluk en ongevraagd op de aarde gezet. Wie nadenkt, ziet vanzelf in dat ook wij gevangen zijn tussen oorzaak en gevolg. We hebben niets te willen.

En om het kringetje rond te maken: in dat ‘nadenken’ zit hem onze makke. Wij hebben net dat extra evolutiesprongetje gemaakt waardoor ons brein wat groter uitvalt dan dat van de eend. Wij hebben een ratio, een intellect. Zegen, doordat het ons een ongekend scheppend vermogen geeft. Kwelgeest, doordat het ons voorziet van een ego, en bewust maakt van leven en sterven.

En nu denken we dus na en zien hoe het werkelijk zit, en tóch menen we verantwoordelijkheid te mogen claimen. Maar hallo, wij zijn ‘de hogere macht’ niet!

De wet van onontkoombaarheid

Onze zuurpruim had – al lang voordat Libet in de zeventiger jaren van de vorige eeuw aantoonde dat de vrije wil niet bestaat – een uitgesproken mening over het intellect: ‘Het is in eerste instantie onwetend van de beslissingen van de wil. Het levert hem de motieven, maar hoe ze hebben gewerkt, komt hij pas achteraf te weten.’

De geest is ondergeschikt aan het lichaam, hetgeen heel logisch is; de geest is niet meer dan een product van het lichaam. Vrije wil staat gelijk aan wijsheid achteraf. Het lijf heeft allang gedaan wat het bewuste denken achteraf maar weer moet zien goed te praten. Niet voor niets beschouwde Montaigne ons bewustzijn als een gift die slechts bedoeld is om ons te kwellen (De troost van de filosofie, Alain de Botton). Niks verheffing boven andere dieren.

Tolstoj, ook zo’n piekerende levenspuzzelaar, had evenmin veel op met de vrije wil: ‘Als er ook maar één wet is die de activiteiten van de mensheid stuurt, dan kan er geen sprake zijn van vrije wil, want dan moet de menselijke wil aan die wet onderworpen zijn.’ (uit: Oorlog en vrede)

Er is minstens een zo’n wet. Dat wist Tolstoj en dat weten we allemaal. Als we even bereid zijn om onszelf in onze wereld van een afstandje te beschouwen, dan zien we dat wij niet los staan van het geheel, maar er integraal mee zijn verweven. Door Tolstoj genoemd: de wet van onontkoombaarheid.

En toch, als we onszelf vanuit onszelf bezien – en dat is onze favoriete modus – dan voelen we ons vrij. Is dat niet raar?

Het is hier ons bewustzijn dat ons fopt. De favoriete modus dient een doel: ons intellect de ruimte geven om te creëren. Dat lukt alleen maar als we onszelf los kunnen zien van oorzaak en gevolg. Of, om Tolstojs woorden te gebruiken: ‘Om te begrijpen, te beschouwen en conclusies te trekken, moet de mens zich eerst van zichzelf bewust zijn als levend wezen.’

Het is één grote fictie, dat idee van vrijheid. Maar het helpt wel. Het maakt ons creatief. We zijn dan wel niet ‘de hogere macht’, we veroorloven ons wel hem te spelen. Dat maakt ons succesvoller dan al het andere gedierte hier. Alleen, wees gewaarschuwd: ‘succesvol’ is een mensenwoord!

De grafiek van een mensenleven

We dwalen af. Hoe zit het met geluk?

Vanwaar alle drukte? De eend heeft er geen last van. Zij is er gewoon. Haar grote mazzel is: zij weet niet dat zij er is.

Wij hebben in ons ommetje naar bewustzijn en intellect gezien dat wij niet als de eend voor struisvogel kunnen spelen. Wij weten van ons bestaan. Erger nog: wij voelen de beklemming tussen oorzaak en gevolg. We spelen manmoedig de vrije wil, maar realiseren ons verdomde goed dat onze positie niet anders dan die van onze kwakende vriend is.

Uitsluitend zonder oorzaak en gevolg is er honderd procent vrijheid. Helaas is dat onbestaanbaar in de setting die ons gegeven is. Wat een deceptie. Vandaar alle drukte!

In De levens van Jan Six van Geert Mak stuit ik op een bijzonder concept: de grafiek van een mensenleven van Marguerite Yourcenar. Het is geen grafiek die een rechte lijn is van de wieg tot het graf; het zijn drie golfbewegingen ‘die elkaar voortdurend naderen en zich van elkaar verwijderen: dat wat een mens geweest meent te zijn, dat wat hij heeft willen zijn, en dat wat hij werkelijk was’.

Hoeveel diersoorten hebben zo’n diepzinnige dwaalgedachten over het leven?

Print Friendly, PDF & Email

Een woord over de auteur

Stan Lenssen

Coacht en schrijft op en over thema's van het leven - Professional Certified Coach - gecertificeerd door ICF: de International Coach Federation, die staat voor kwaliteit in coaching. 'Ik voel me mateloos gedreven om mensen te stimuleren het beste in zichzelf te ontdekken en te activeren, zodat we ons leven hier kunnen vormgeven op een manier die iedereen gelukkig maakt.'

0 comments… add one

Leave a Comment

Privacyverklaring