Een volksgericht moet kunnen, toch?

Rond de 17e eeuw ging het er in Europa heel anders aan toe. Niemand had nog gehoord van landsgrenzen met slagbomen en patrouillerende marechaussees. Mensen waren zeer gericht op hun eigen stad of dorp. Dat was de wereld waarmee je je identificeerde. Je kwam niet uit Nederland, je kwam uit Utrecht of uit Amsterdam.

Europa was een lappendeken van duizenden stadstaatjes. Die gingen ook regelmatig met elkaar op de vuist. Kun je het je voorstellen, Utrecht en Amsterdam met elkaar in oorlog? In de oude tijd was dat bij onenigheid een beproefde methode. Ze vochten het samen lekker uit, geen centrale overheid die zich daarmee bemoeide.

Natuurlijk had je wel rijken. Dat waren samenklonteringen van vele stadstaatjes aaneen. Met daarboven een vorst, meestal een koning die met bloedig geweld die stadstaatjes bijeen probeerde te houden. En met even zo veel bloedig geweld voortdurend zijn rijk trachtte te vergroten.

Dat was het patroon dat de burger ook gewoon aanvaardde. Europa was zo’n beetje permanent in oorlog. De Nederlanden behoorden in die tijd tot het immense rijk van Karel V, tot hij in 1555 dat deel van Europa overdroeg aan zijn zoon Filips II, die ook staatshoofd werd van de Spaanse koninkrijken. Zo werd de boel steeds opnieuw verdeeld.

De burgerbevolking vond het meestal prima. Zij beschouwden de vorsten als intermediair tussen God en de Aarde. Het volk voelde zich bij deze lui in uitstekende handen. Ze werden geadoreerd. Zolang men maar zijn eigen gang kon gaan in de onderling konkelende stadstaatjes, was er niemand die morde.

De adorering van de koningshuizen ging behoorlijk ver. Als bijvoorbeeld een groep stadstaatjes door de loop van de geschiedenis los kwam te staan, ging men gewoon op zoek naar een ‘werkloze’ vorst ergens in Europa. Die bombardeerde men tot koning en zo was de noodzakelijk geachte connectie met het Bovenaardse weer geregeld. Min of meer op die manier zijn wij aan de Oranjes gekomen.

Niemand kwam in die tijd op het idee dat men ook uit eigen gelederen een staatshoofd kon benoemen. Of, ja toch, de vrijzinnige Hollanders. Zij stichtten op een gegeven moment een heuse republiek. Dat gebeurde onder leiding van Johan en Cornelis de Witt. Zij wisten het oorlogszuchtige koningsvolk op geraffineerde wijze naar de zijlijn te manoeuvreren. Zij zagen in dat al dat oorlogvoeren nergens toe leidde. Het veroorzaakte slechts een hoop ellende en – en dat vond men misschien wel het overtuigendste argument – het zat de handel dwars.

De politiek van de gebroeders de Witt legde de Nederlanders geen windeieren. In hun tijd vierden de Lage Landen de hoogtepunten van de Gouden Eeuw.

De Republiek was haar tijd wellicht te ver vooruit, want met het Rampjaar 1672 was het feest voorbij. De gebroeders de Witt raakten verwikkeld in een politiek steekspel met hun opponenten. Na een onfrisse rechtspraak werden ze gelyncht door de eigen bevolking. In alle intriges daaromheen werden de hoofddaders voor de moordpartij beloond door de Oranjes. Zij bestegen weer de troon.

Later in de geschiedenis is het gelukkig allemaal weer goed gekomen: de macht van onze monarch werd stap voor stap teruggebracht tot uiteindelijk de niet veel meer dan ceremoniële rol die wij nu kennen. (Bronnen: De Ware Vrijheid, Willem van Oranje, De Opstand in de Nederlanden 1568-1648.)

Ouderwets carrière maken

Normen en ideeën veranderen. We kijken anno 2016 volkomen anders tegen veel zaken aan.

Een volksgericht was niet vreemd in de 17e eeuw. Het kwam regelmatig voor dat bestuurders die men niet meer moest, met geweld belaagd werden door groepen burgers. Hun huizen werden geplunderd, de boel kort en klein geslagen en met gezin en al werden ze de straat op gejaagd.

Aan de andere kant was het een geaccepteerd verschijnsel dat een bestuurder als Johan of Cornelis de Witt zijn protegees had: mensen die lucratieve voordeeltjes en goed betaalde makkelijke erebaantjes toebedeeld kregen in ruil voor lippendiensten en andere, naar ons huidige oordeel dubieuze, klussen. Men verdrong zich om in zo’n positie te komen, het was een ouderwetse wijze van carrière maken.

Het zijn normen die we nu veroordelen. Voor ons zijn ze onbestaanbaar. Net zoals het idee onbestaanbaar is dat Koning Willem-Alexander de intermediair zou zijn tussen de Nederlanders en God.

Maar wat zullen ze over ons zeggen als we 350 jaar verder zijn? Was het goed beleid van die 21e eeuwse Nederlanders dat ze mensen die hun grenzen overstaken om de ellende in hun thuislanden te ontvluchtten vastzetten in speciale centra? En hanteerden zij niet een heel primitief en dom systeem van verkeersboetes; gedroegen ze zich er braver door op de openbare weg?

Wie heeft gelijk? Ofwel, wat is waarheid? Bepaalt de tijdgeest dat? Bepaalt kennis dat? Bepaalt de machthebber dat, of het volk? Bepaalt de wetgeving dat? Bepaalt de economie dat, of het milieu?

In Oorlog en vrede stelt Tolstoj zich diezelfde vraag op het moment dat Napoleon en Rusland in oorlog raken. Dan maakt hij een vergelijking met een rijpe appel die van de boom valt. De teler zal zeggen dat de oorzaak is dat de steel afknapt doordat de cellulose in dit ontwikkelingsstadium van de vrucht verzwakt. De toevallige passant voelt een zucht wind en beweert dat die de appel doet vallen. En het kind onder aan de boom weet het zeker: zij heeft gebeden tot God dat die smakelijke appel voor haar zou vallen, en zo is het gebeurd.

Norm is wet

De norm vormt zich ongeveer als volgt: we horen wat anderen vinden en als hetzelfde geluid maar vaak genoeg klinkt, wordt dat onze gemeenschappelijke overtuiging. Die voelt als: zo is het en niet anders! De norm is onze waarheid. Waar die precies vandaan komt, weten we niet.

Vormen wij in vrijheid onze meningen en overtuigingen? Nee, in alle eerlijkheid: we slikken voor zoete koek wat anderen ervan vinden en sluiten ons daarbij aan. Dat het voor zoete koek is, hebben we niet in de gaten, want het gaat sluipend, beetje bij beetje. Dit experiment is daarvan een mooi voorbeeld.

Het heeft allemaal te maken met onze behoeften. Het is aangetoond dat we nauwelijks een besef hebben van onze behoeften. Ze borrelen onder water in ons onbewuste. In ons streven naar geluk laten we ons drijven door 3 basisbehoeften (uit Op naar geluk, Ap Dijksterhuis):

  • We willen erbij horen
  • We willen iets goed kunnen
  • We willen kunnen doen wat we willen

Vooral die eerste is hier interessant. Misschien is zij ook wel de sterkste van de drie. Wij zijn een zeer sociaal wezen, we willen bij de groep horen, hoe dan ook. Want de groep biedt ons bescherming, daar voelen we ons veilig en geborgen. Logisch dus dat we erg openstaan voor de geluiden uit de groep. Ze klinken ons als betrouwbaar in de oren. Sociale bewijskracht noemen marketeers dat; zij kan tot dramatische taferelen leiden.

Socrates

Onze rationaliteit is beperkt. Onderhuids borrelen de behoeften. Een kuddedier zoekt geborgenheid. Daarom accepteren we normen. Het was geen misdaad om in de 17e eeuw aan een volksgericht mee te doen. Je droeg actief bij aan maatschappijverandering. Tegenwoordig gaan we naar de stembus. Wie heeft er gelijk?

Socrates had een suggestie: degene die zijn rationaliteit het beste weet in te zetten.

De norm is onze waarheid, maar het is een semi-waarheid. De echte waarheid kan van alles zijn, zoals Tolstoj ons liet zien. De inhoud van jouw waarheid doet er daarom helemaal niet zo toe. Wat werkelijk telt, is hoe jij tot jouw waarheid gekomen bent. Heb je klakkeloos de norm aanvaard; je dierlijke instinct gevolgd en gehoor gegeven aan je onbewuste behoefte aan sociale veiligheid? Of heb je jezelf vragen gesteld? Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman zou zeggen: ‘Heb je systeem 2 ingezet?’

Socrates opperde, zo rond 450 voor Christus, dat men zelfstandig moest denken. Niet zomaar aanhobbelen achter wat de meerderheid roept. Maar jezelf vragen stellen om tot jouw waarheid te komen.

Legendarisch zijn de gesprekken die hij hield in de straten van het oude Athene. Hij sprak belangrijke en minder belangrijke figuren aan, en begon ze onbeschaamd te bevragen. Vaak over grote thema’s, zoals de zin van het leven. Zijn vragen waren open en hij nam geen genoegen met een oppervlakkig antwoord. Hij pelde door en door om tot de kern te komen, behoorlijk gelijkend op hoe een professionele coach dat tegenwoordig doet.

Keuzevrijheid voor generaals

Socrates’ idee was: door vragen te stellen, creëer je meer keuzevrijheid en zelfstandigheid. Beroemd is het voorbeeld van de 2 generaals Nikias en Laches. Ze hingen het toen algemeen geaccepteerde idee aan dat een man pas dapper is als hij in het leger zit, ten strijde trekt en tegenstanders doodt. Socrates spreekt ze beide aan op een middag in Athene:

Socrates: ‘Probeert gij nu eens te zeggen wat moed is.’

Laches: ‘Dat is niet moeilijk. Iemand die in de linie blijft en niet op de vlucht slaat. Dat is absoluut moedig.’

Maar Socrates herinnert zich een slag waarin de strijders op de vlucht sloegen om de andere partij in verwarring te brengen. Vervolgens keerden zij bij verrassing terug en versloegen de uiteengevallen vijand. Dit voorval brengt Socrates te berde.

Laches komt nu met een aanvulling: ‘Moed is ook een kwestie van volhouden.’

Nikias oppert: ‘Voor moed is ook kennis nodig.’

En al verder redenerend, komen ze tot nog meer conclusies: ‘Een besef van goed en kwaad is van belang, en moed beperkt zich niet alleen tot oorlog.’

De Grieken omarmden in die tijd een alom bewonderde en aanvaarde definitie van moed. Maar tijdens een kort gesprek in de Atheense buitenlucht ontdekten 2 belangrijke generaals opeens allerlei leemtes in die definitie. De implicaties waren groot, want de nieuwe definitie gaf de krijgsheren in het oude Athene ineens veel meer keuzevrijheid, en wapende hen tegen kritiek. (Bron: De troost van de filosofie, Alain de Botton.)

De rede

Zoals je ziet: het gaat niet over waarheid, het gaat over jezelf keuzevrijheid verschaffen. Een kritisch mens stelt zichzelf voortdurend vragen. Hij hobbelt niet achter de meute aan, maar durft zijn ziel en gezonde verstand te raadplegen.

Dat maakt het leven overigens niet makkelijker, want nu moet je gaan kiezen als een autonoom persoon. Dat schept verantwoordelijkheid. Maar het maakt het leven ook eerlijker en helderder. Naar jezelf en naar elk ander.

Socrates was een man van de rede. Elk mens, daar was hij van overtuigd, heeft het vermogen tot kritisch nadenken. Bij alle heersende ideeën die men aanhoort, is het belangrijk dat vermogen in te zetten. ‘Echt respect dwing je niet af door de meerderheid achter je te hebben, maar door logisch na te denken’, zegt Alain de Botton in zijn hiervoor genoemde boek over die visie van Socrates.

Door de rede in te zetten kan ook de meerderheidsopinie uiteindelijk veranderen. Is dat niet precies waardoor we nu geen volksgerichten meer kennen op onze pleinen? Of waarom we over 350 jaar ons niet meer zullen verschansen achter slagbomen, maar een wereld zijn zonder grenzen, waar het elk mens is toegestaan om zich vrij te verplaatsen en zich vrij te vestigen?

Print Friendly, PDF & Email

Een woord over de auteur

Stan Lenssen

Coacht en schrijft op en over thema's van het leven - Professional Certified Coach - gecertificeerd door ICF: de International Coach Federation, die staat voor kwaliteit in coaching. 'Ik voel me mateloos gedreven om mensen te stimuleren het beste in zichzelf te ontdekken en te activeren, zodat we ons leven hier kunnen vormgeven op een manier die iedereen gelukkig maakt.'

0 comments… add one

Leave a Comment

Privacyverklaring