Een Witte Pater

Ome Adriaan werd geboren op de eerste dag van de twintigste eeuw, in Vught. Hij was een achteroom van mijn moeder en dus een achteroudoom van mij. Ome Adriaan was missionaris, een Witte Pater. Hij had zijn missiepost in Zambia.

De Witte Paters heten officieel Missionarissen van Afrika. Ze dragen witte pijen en een rode fez. Daarmee imiteren ze de Arabische klederdracht van Noord-Afrikaanse landen. Die vereenzelviging met de bevolking vergemakkelijkt het missiewerk. Van de Nederlandse Witte Paters zijn er anno nu nog enige tientallen actief in Afrika.

Ome Adriaan was weinig in Nederland, maar als hij kwam dan kwam hij ook naar ons, vaak meerdere dagen. Mijn moeder was dol op hem en wij – haar kinderen – ook. Ik zie het beeld voor me van de kerstboom die staat te schudden in de woonkamer en Ome Adriaan die op zijn knieën kruipt, en wij die één voor één op zijn rug paardjerijden. Ik ben misschien vier tijdens dit kabaal. Dat zou betekenen dat mijn twee jongste zussen nog niet zijn geboren.

Vaag staat me bij dat me in die jaren is verteld dat Ome Adriaan mij gedoopt heeft. Ik heb lang gedacht dat dat een fantasietje van mij moet zijn geweest, gebaseerd op een wensgedachte. Of dat het niet over mij ging, maar over een van mijn broers of zussen. Totdat ik kortgeleden in het archief van mijn vader een foto vond die het pontificale bewijs van de doop levert.

Stan doop

Ome Adriaan nam altijd een klein cadeau mee uit Afrika voor mijn ouders. Iets van handsnijwerk bijvoorbeeld. Zo hing bij ons jarenlang een ebbenhouten vork, lepel en mes aan de lambrisering. Elk van de drie heften van het bestek verbeeldde een slanke figuur die de armen schuin over de buik gevouwen hield. Rond de hals en schouders was spiraalsgewijs metaaldraad gewikkeld, bij wijze van sieraad. Mogelijk was die bestekset zoiets als onze ‘handgesneden’ klompjes, de typisch Hollandse wooden shoes die Amerikanen meenemen als souvenir uit Nederland. Die vergelijking zou overigens oneerbiedig mank kunnen gaan; ik heb geen kennis van Afrikaanse kunst. Kitsch of niet, ik vond de set mooi – vanwege de momenten die hij terugbracht als ik ernaar keek.

Ome Adriaan had voor mij niets weg van een priester. Zelfs niet toen hij een keer vertelde over de eucharistieviering in zijn kerk op de missiepost in Zambia. Maar misschien is ‘zelfs’ het verkeerde woord en moet het ‘juist’ zijn.

Terug in de tijd, afgaand op de verbeelding in mijn kinderhoofd, was het een open kerkgebouw. Ik wist dat het in Zambia warm was, maar kon me de lijfelijke ervaring van een tropisch klimaat niet voorstellen. Het leek me wel aangenaam, zoiets als wanneer wij op een mooie zomerdag de tafel en stoelen buiten zetten en aten in onze tuin. Het kon daarom niet anders dan dat de mis nagenoeg in de openlucht werd opgedragen. Mijn ingebeelde kerk had daartoe een eenvoudig plat dak van een lichtdoorlatend en beweeglijk doek. Aan drie zijden werd het doek ondersteund door lichtroze gepleisterde muren met in elk een vierkant open raam, eerder een gat, omlijst door een witte rand van tien centimeter breed. Achterin was het gebouwtje open en werd het doek omhoog gehouden door een paar ruwe houten palen. De vloer was niet meer dan aangestampte aarde. Een tiental houten banken, in twee rijen gescheiden door een gangpad, werden bezet door kerkgangers. Dicht opeen zaten ze er naast elkaar. Ik had ze het gebouwtje niet binnen zien gaan, ze waren er gewoon.

Ome Adriaan keek uit over de banken richting de open achterkant en droeg de mis voor. De mensen waren speciaal voor hem gekomen. Ze mochten hem en hoorden hem graag spreken. Dat wist ik zeker, hij was immers een geweldige oom. Tussen hem en de banken in stond het altaar. Dat was een eenvoudige houten tafel. Niets van de inhoud van de viering drong tot mij door, behalve één gebeurtenis, die een onuitwisbare indruk maakte. Die beleefde ik met mijn kinderlijke voorstellingsvermogen door de ogen van Ome Adriaan:

De een na de ander haalden de kerkgangers lange haarspelden uit hun hoge zwarte kroeshaar. Mannen en vrouwen. Ze bukten en ze deden iets met die spelden tussen de banken. Dan richtten ze zich op en staken de spelden weer in hun haar en wriemelde er iets in hun kapsels. Het gedoe tussen de banken ging de hele mis door. De spelden gingen in en uit de haren, en er was steeds dat bukken naar iets dat kennelijk zo aantrekkelijk was dat het de eucharistieviering voor een moment onbelangrijk maakte. Het gewriemel in de kapsels nam toe en de spelden kwamen steeds verder uit het haar te staan. Nu leek het of de spelden zelf aan het wriemelen waren. De mis ging uit. Er werd nagepraat. Buiten. De mensen stonden in groepjes bij elkaar, de spelden met het gewriemel eraan nog in hun haar en deels nu ook in hun handen. Nu en dan, onder het praten, bracht een hand zo’n speld richting een mond om – bij wijze van hartig hapje – er een larf, kever of sprinkhaan af te bijten.

Missiewerk leek onschuldig en belangrijk. Wist ik veel dat ze Afrika ongevraagd wilden kerstenen. Ik bewonderde Ome Adriaan. Hij was gebruind en had een mooi geknipt, vol, wit kapsel, de scheiding strak opzij. Ik heb een beeld van hem in een donker pak, niet in een lichte pij. Ik kan me niet herinneren dat ik hem daar ooit in heb gezien. Ik vond het machtig dat ik een oom in dat toen nog verre Afrika had, diep in de donkere binnenlanden; mijn moeder had me in de atlas aangewezen waar Zambia lag. De vroege jaren zestig waren een tijd waarin je paters en nonnen tegenkwam op straat en er vertrokken er jaarlijks honderden van hen naar de missie. God wilde het en Ome Adriaan was gelukkig daar. Dat kon ik aan zijn ogen zien. Mij scheen het allemaal zeer mystiek en gewichtig toe.

Ik had een vrolijke kinderkijk op de wereld, en een mensengeheugen is bedrieglijk. Misschien is mijn verhaal veel te lief en klopt er niets van wat ik neergeschreven heb over Ome Adriaan. Zijn geschiedenis heeft in mijn geheugen geen einde. Opeens ben ik hem kwijt. Wanneer hij is gestorven heb ik terug kunnen vinden in schrijfsels van mijn vader. Het was op 15 augustus 1978, de dag dat Ome Adriaans oudste zus, Anna, werd begraven. Ome Adriaan was ernstig ziek. Mijn vader had hem in het Groot Ziekengasthuis in Den Bosch, waar hij verpleegd werd en waar mijn vader werkte, die dag nog gesproken. Na hun gesprek vertrok mijn vader direct naar de begrafenis van Anna. Daar hoorde hij dat Ome Adriaan was overleden.

Waaraan Ome Adriaan is gestorven weet ik niet. Hij werd begraven op het kloosterkerkhof van de Witte Paters in Boxtel. In 1987 moest het klooster wijken voor de aanleg van de snelweg Den Bosch-Eindhoven. De bewoners – ook van het kerkhof – vertrokken naar het voormalige klooster van de zusters Franciscanessen van Heythuysen. Mijn vader meldt daarover: ’De paters zijn verhuisd naar Heythuizen N-Limburg en hebben hun doden meegenomen.’

Bron foto boven artikel: Wikimedia Commons – Witte Paters collectebusje – https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Witte_Paters,_Afrika_voor_Christus_collecte_busje,_foto5.JPG

Print Friendly, PDF & Email

Een woord over de auteur

Stan Lenssen

Coacht en schrijft op en over thema's van het leven - Professional Certified Coach - gecertificeerd door ICF: de International Coach Federation, die staat voor kwaliteit in coaching. 'Ik voel me mateloos gedreven om mensen te stimuleren het beste in zichzelf te ontdekken en te activeren, zodat we ons leven hier kunnen vormgeven op een manier die iedereen gelukkig maakt.'

1 comment… add one
  • Huub Koch 29 dec 2020, 4:52

    Het is een aparte geschiedenis, Stan, de teloorgang van het Rijke Roomsche Rijk in Nederland. Ook ik ken de verhalen over de Heerooms en de Missionarissen. Soms zijn het zelfs heldenverhalen, zoals over de oom die de Belgische stad Diest tijdens de Eerste Wereldoorlog behoedde voor een Duits bombardement. Hij kreeg daar een Leopoldsorde voor en een staatsbegrafenis. Ik heb zijn zakhorloge hier bij me thuis, als aandenken.

    Mijn voorouders wisten er alles van, die Katholieke cultuur. De tijden zijn wel veranderd. Vanaf 1970 is het bergafwaarts gegaan met de invloed van de ‘zuilen’. Zelfs voor mijn ouders, en ooms en tantes, een opluchting, want het leven was nogal beperkt, bekrompen, traumatisch en destructief voor de levensvreugde. Wat niets zegt over de ‘goede bedoelingen’. Die waren er volop, zoals altijd.

    Wij zijn van een nieuwe generatie. De opmerkelijke figuren, zoals jouw oom, werden in die ‘andere tijden’ met eerbied en bewondering bekeken. Tegenwoordig mag je blij zijn als zulke verschijnselen als ‘relieken van een voorbije tijd’ worden bezien, met een meewarige glimlach.

    Het mag duidelijk zijn dat de oompjes en tantetjes die het religieuze leven leefden in die tijd, vanzelfsprekend als goede en vrome mensen werden gezien. Vaak zal dat niet bezijden de waarheid zijn geweest. Hoogstens ligt het een en ander genuanceerder, zoals met alles dat tot onze jeugdervaringen behoort. Tegenwoordig heeft de schaduwkant meer recht van spreken. Juist omdat die zo lang gemuilkorfd is.

    Ieder Katholiek gezin was verplicht religieuzen te leveren. Als je niet voor nageslacht kon zorgen werd je priester of zuster en ingezet voor het leveren van ‘goede werken’. Het voert te ver om hier op alle details in te gaan. Behalve dan dat het missiewerk zich niet beperkte tot verre landen.

    Waren die mensen gelukkig? Het blijft moeilijk daar iets over te zeggen. Leven in een strak keurslijf doet het tegendeel vermoeden, maar de werkelijkheid resoneert ook met de tijdgeest.

    Je hoeft maar een lezing van psychiater Dirk de Wachter te beluisteren om te begrijpen dat vooral het sociale aspect wordt gemist vandaag de dag. Net zoals het thema ‘solidariteit’ van die andere zuil, eveneens een verhaal dat ontmanteld is.

    Niet alles was goed. Niet alles was fout. Maar ‘pot-jan-drie-dubbeltjes’, waar is het warme nest gebleven?

Leave a Comment

Vorige:

Volgende:

Privacyverklaring