Extremiteiten

De belevingswereld van een kinderhoofd staat alleen karakteristieken als ‘lief’ en ‘gemeen’ toe, niets daartussenin. Het zijn twee woorden die je als je klein bent vaak gebruikt om een ander te typeren. Je drukt je dan nog niet uit in nuanceringen als ‘sympathiek’ en ‘venijnig’.

Misschien zijn kinderen daarom wel zo vatbaar voor de verhalen van Charles Dickens. Ik was dat in elk geval wel. De avonturen van Oliver Twist en Een kerstvertelling zijn diep verbonden met mijn kinderjaren.

Dickens schreef over sombere thema’s en zijn werk zit vol maatschappijkritiek. Recent heb ik Zware tijden van hem gelezen, dat ik nog niet kende en waarin het treurige bestaan van fabrieksarbeiders in de jaren vijftig van de negentiende eeuw centraal staat.

Alle donkerte in Dickens’ werk grijpt op de een of andere magische manier een kinderhart niet droevig aan. Sterker, ik kon me aan Dickens’ verhalen verwarmen als aan een kachel, en nog steeds. Ik denk dat dat komt door zijn personages. Dickens maakt van hen sprookjesachtige karikaturen. Neuzen worden hakiger, wenkbrauwen borsteliger en lichamen knokiger. Ook eigenschappen worden radicaler; een vrouw met een zachtaardig hart wordt als de Maagd Maria, een fabrikant met weinig scrupules een meedogenloze tiran.

De wereld van Dickens is er een van extremiteiten. Dickens plaatst intens lief en intens gemeen tegenover elkaar. Lief heeft het in zijn romans bijna onmenselijk zwaar totdat gemeen tot inkeer komt. Dat spreekt een kind enorm aan.

De echte wereld steekt complexer in elkaar. Zijn zwart-wit voorstelling van de wereld en de personages daarin, is Dickens dan ook wel verweten.

Zware tijden - Charles Dickens

Boek: Zware tijden – Charles Dickens
(Huidige uitgave: Moeilijke tijden)

Een paar keer per week loop ik voor boodschappen naar de Albert Heijn XL in onze wijk. Op en neer is dat een tocht van drie kwartier. Er is een kleinere Albert Heijn dichterbij en ook een Lidl en een Jumbo. Die bezoek ik nooit. Liever wandel ik wat verder. Lopen met tassen met komkommers, tomaten, een fles azijn, tofu in water, een kilo appels en een massieve rode kool, dat is goede lichaamsoefening. Mijn spieren trainende, lach ik in stilte om iedereen die de sportschool bezoekt; als je graag beduveld wilt worden, moet je het zelf maar weten.

De Albert Heijn XL is een pleisterplaats van Dickens-personages. Dat is hier in mijn wijk in Amsterdam zo; dat was ook zo toen ik nog in Eindhoven woonde en daar weleens de AH XL bezocht, nu een jaar of zes geleden. Het zijn alleen niet de Maagd Maria en de meedogenloze tiran die ik ken uit Zware tijden, die ik daar tegenkom.

In zijn roman voert Dickens een vrouw op die aan de drank is en in een vreselijke toestand verkeert. Ze heeft haar man, Stephen, een arme arbeider, verlaten en zwerft door de stad. Daar scharrelt ze haar kostje en haar alcohol bijeen, af en toe terugkerend naar de armzalige, bedompte kamer waar Stephen nu alleen woont. Dan rooft ze weg wat ze daar vinden kan en vertrekt weer. Onvermijdelijk leidt dit tot ontmoetingen tussen de twee.

Één zo’n gebeurtenis beschrijft Dickens door de ogen van Stephen: ‘Terwijl ze haar ogen weer afschermde met haar hand – waarbij ze niet zozeer naar hem keek als wel naar hem zocht, met een dierlijk instinct aanvoelend dat hij daar was –, bedacht hij dat er in die verlopen trekken of in de bijbehorende geest niets meer te vinden was van de vrouw met wie hij achttien jaar tevoren was getrouwd. Als hij haar niet stap voor stap zo diep had zien zinken, had hij nooit kunnen geloven dat ze dezelfde was.’

Het zijn mensen als die vrouw die je treft bij het warme luchtgordijn van de schuifdeuren van de Albert Heijn XL – gewone mensen die aan lager wal zijn geraakt. Zij staan net zo in het leven als de meeuwen die hen daar gezelschap houden en er de resten van ons achteloos weggeworpen voedsel snaaien uit de vuilnisbakken en van de straat. Er valt altijd wel wat te mee te pikken van wat overblijft bij zo’n grote supermarkt en er zijn altijd wel mensen die je er wat toestoppen – een zakje chips, een blikje bier, een broodje. En je kunt er vragen om een aalmoes, die soms ook wordt gegeven.

Wat me door de jaren heen is opgevallen, is dat er regelmatiger en op meer plaatsen dan alleen bij de Albert Heijn XL om die aalmoes wordt gevraagd. Het aantal daklozen in Nederland is dan ook in tien jaar tijd meer dan verdubbeld, naar zo’n 40 duizend mensen.

We hebben decennialang de vrije markt zijn gang laten gaan. ‘De mensen’ zouden er beter van worden. Kijken we terug dan blijken ‘de mensen’ diegenen te zijn geweest die het niet nodig hadden.

Sinds 1990 groeiden de topinkomens in Nederland explosief. Ze stegen van 30 keer het minimumloon naar meer dan 50 keer het minimumloon. Ook het bezit concentreerde zich rondom een kleine groep. 10 procent van de bevolking bezit vandaag de dag zo’n 70 procent van het Nederlandse vermogen. Alleen in de VS is de vermogensongelijkheid groter.

Vanaf de jaren negentig groeide de Nederlandse economie jaarlijks met gemiddeld 2 à 2,5 procent (tot corona). De lagere inkomens stonden in die jaren nagenoeg stil. Van de toegenomen welvaart is niets naar beneden doorgesijpeld. Dat dat zou gaan gebeuren hebben we al die tijd met zijn allen wel geloofd, en de bestuurders van Nederland geloven dat nog. Die volharding voert ons steeds verder de donkere Dickens-wereld van extremiteiten in.

Bij de ingang van de Albert Heijn XL staat vrijwel elke dag een grote zwarte man. Hij is dakloos en verkoopt daar krantjes voor een zakcent. Dat doet hij vriendelijk en enthousiast. Steevast als ik hem passeer glimlacht hij een rij mooie tanden bloot en vraagt dan opgewekt: ‘Hello meneer, how are you today?’ Nu en dan stop ik hem wat muntjes toe. Zijn krantje neem ik nooit. Mijn actie is plichtmatig; ik doe iets terug voor zijn beleefdheid, sus mijn geweten en loop dan gauw weer door.

Toch komt het voor dat wereld lief is en niet zo ingewikkeld.

Het was hondenweer gisterenmiddag, de regen kletterde tegen de ramen. Triingg!, gaat de deurbel. Er staat een klein meisje op de galerij, veilig op corona-afstand. In een te grote, gele plastic regenjas. Ze heeft een capuchon op. Daaronder proberen zwarte krullen te ontsnappen. In haar linkerhand draagt ze een kleurig kartonnen koffertje.

Vanonder de klep van de capuchon zie ik een paar heldere, bruine ogen. Ze kijken omhoog, naar mij.

‘Wilt u kinderpostzegels kopen?’ Twee korte armen strekken zich zo ver mogelijk naar voren uit en duwen het koffertje onder mijn neus. Tussen alle kleuren ontwaar ik een QR-code.

‘Ja, is goed’, zeg ik. ‘Weet je dat ik ze vroeger ook heb verkocht? Toen ging alles op een formuliertje.’

‘Dat kan ook,’ zegt ze. Ze trekt het koffertje weer naar zich toe, maakt het open en haalt een pakje papier tevoorschijn. Het wordt bijeengehouden door een elastiekje.

Er vallen druppels op – ze aarzelt: ’Het mag ook met uw telefoon …’

‘Heb je dat liever? Vanwege corona en de nattigheid?’

‘Ja, eigenlijk wel.’

‘Doen we dat.’

En ze stopt het stapeltje gauw weer terug het koffertje in.

Print Friendly, PDF & Email

Een woord over de auteur

Stan Lenssen

Coacht en schrijft op en over thema's van het leven - Professional Certified Coach - gecertificeerd door ICF: de International Coach Federation, die staat voor kwaliteit in coaching. 'Ik voel me mateloos gedreven om mensen te stimuleren het beste in zichzelf te ontdekken en te activeren, zodat we ons leven hier kunnen vormgeven op een manier die iedereen gelukkig maakt.'

2 comments… add one
  • Huub Koch 30 okt 2020, 2:09

    Dag Stan,

    Het is opmerkelijk hoe de verhalen uit onze jeugd zich beperkten tot een zekere mate van onschuld of naïviteit als het ging om de harde kanten van het leven. De dronken man die over straat zwalkte mocht je niet zien. ‘Het meisje met de zwavelstokjes’ was nog net niet over het randje. ‘Alleen op de wereld’ of ‘de hut van oom Tom’ hadden diezelfde Dickiaanse stijl. Het geloof predikte een vorm van mededogen en de arbeidersbeweging solidariteit. Ergens zit dat nog in ons systeem, als je van de generatie bent van medio 50er jaren.

    Vanaf de 90er jaren is dat gevoel voor de medemens in nood nogal in de kou gezet door wat het neoliberalisme heet. We konden ons dat niet voorstellen, maar het bleek niet meer of minder dan keiharde realiteit te zijn. Een bijna onmerkbare verandering van toon.

    Ik herinner me dat ik in 1979 op een straathoek stond in Manhattan. Op dezelfde plek stapte een dame in een bontjas uit een Rolls Royce om een juwelier binnen te gaan, en stond tegelijkertijd een oude vrouw een hamburger te eten die ze zojuist uit een vuilnisbak had gevist. Uit Nederland kende ik die ervaring niet.

    Tien jaar later stonden Lide en ik voor ons hotel in Rome vreemd te kijken toen een oudere man die duidelijk aan epilepsie leed over het trottoir kronkelde en door niemand van de voorbijgangers werd opgemerkt of weer op de been werd geholpen. De confrontatie met armoede, het afwijkende, de geesteszieke, etcetera is steeds dichterbij gekomen, ook in ons landje. Zwerver zijn deed je vroeger uit overtuiging. Nu hoef je maar een paar ongelukkige en verkeerde stappen te maken om ongewild op straat komen te staan. Het kan snel gaan.

    Zelfs in de tot voor kort als modaal bekend staande wijk waar ik woon kom je de werkelijkheid van psychiatrische patiënten die uit hun dak gaan tegen, of worden kleine criminelen op klaarlichte dag overhoop geschoten na een ripdeal. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Inderdaad. Helaas, er is iets veranderd.

    Maar er zijn ook dingen die niet veranderd zijn.

    Die komen niet op het nieuws. Die vallen niet zo op als de ellende die de media over ons uitstrooien. Die behoren niet tot de excessen die steeds dichter bij huis plaatsvinden. Het zijn de kleine dingen. De zachte dingen. De stille dingen.

    Zoals het kleine meisje dat kinderpostzegels komt verkopen. Zoals de moeder die lacht als je opmerkt dat het kindje in haar bakfiets zo lekker ligt te slapen. Of de kassamedewerker die aardig doet, wellicht omdat ze je kent en jij haar of hem ook ‘echt’ hebt gezien.

    In dat soort kleine dingen zit een ander geluid.
    Zolang we dat nog kunnen horen is er nog hoop.

    Maar voor de hopeloosheid of de hulpeloosheid mogen we onze ogen niet sluiten.

    Dirk de Wachter, Vlaams psychiater, legt in elke lezing die hij geeft uit hij teveel werk heeft. Ook vertelt hij dat de oude gemeenschappen, of ze nu religieus waren of socialistisch, een kader gaven om hulp te bieden en elkaars broeders hoeder te zijn. Dat we ook dit zijn kwijtgeraakt. Net als vele andere buffers. Familie, vrienden, geliefden. Bijna iedereen is druk, druk, druk.

    Toch is er een tegenbeweging. De wal keert het schip. Als het Yang op zijn hoogtepunt komt verschijnt het Yin. Daarom is het zo belangrijk om in het kleine het grote te zien. Met of zonder QR-code.

    • Stan Lenssen 30 okt 2020, 15:23

      Dank Huub,
      Wat een schitterend blog op zich weer.
      Groet,
      Stan

Leave a Comment

Vorige:

Volgende:

Privacyverklaring