Het doel

De globaliseringsgekte heeft een kaartenhuis voortgebracht. Door corona is het ingestort. Overheden, terug van weggeweest, steken zich diep in de rode cijfers om hun landen te beschermen tegen onrust en ontwrichting. Het gaat om honderden miljarden. De bedragen zijn zo gigantisch dat ze in relatieve zin hun gelijke pas vinden als we teruggaan naar de periode van direct na 40-45. Het doel heiligt blijkbaar alle financiële middelen.

De lang ontbeerde daadkracht van de overheden is toe te juichen. En hopelijk bestendigt die, want straks, als het virus verslagen is, zal er veel anders moeten. Opvallend is de eensgezinde roep die doorklinkt in de eerste analyses die verschijnen over de crisis: laten we niet opnieuw een kaartenhuis optuigen, niet zoals na 2008, niet nu we opnieuw gewaarschuwd zijn dat het zo niet verder kan met de mensenwereld.

Andere doelen thuis

Hoe is het intussen thuis? Ook hier klopte de crisis aan. De inkomsten zijn weggevallen. Mijn vrouw en ik putten uit onze reserves. We zijn er niet minder gelukkig door. We hebben het huishoudboekje afgestoft en een financieel plannetje opgesteld. Dat gaat ons door deze maanden helpen. We zijn vol vertrouwen en we zijn gezond.

Wel blikken we minder ver vooruit met onze doelen. Er is genoeg te doen dichtbij huis en dichtbij in de tijd. Er gaat nu meer energie naar natuur en milieu en er is meer tijd voor vrijwilligerswerk, uiteraard op afstand. We schrijven, schilderen, lezen en leren, en we genieten van de lente. Dit jaar wordt Amsterdam niet overspoeld door een festivalseizoen, en zijn er geen toeristenbussen en andere luidruchtigheid. De vogels kwetteren en fluiten in de ontelbare stadsbomen. In onze buurt verraadt een nieuwkomer zijn aanwezigheid met gehamer: een specht. We horen het allemaal.

Het is 4 mei als ik dit schrijf, de dag van de Nationale Dodenherdenking. Normaal ben ik daarbij, op de Dam, met twintigduizend anderen. Dit jaar dus niet. Straks om acht uur houdt de koning een toespraak op die plek. Bij wijze van hoge uitzondering; de bevrijding jubileert 75 jaar. We kunnen terugkijken op een ongekend lange periode van vrede en vrijheid in Nederland.

Het plein waarvoor Willem-Alexander straks spreekt zal leeg zijn. Ik probeer me dat voor te stellen. Het beeld van een verlaten, stille Dam doet me denken aan een nieuw begin, voor een nieuw groot doel. Zoals dat doel dat in de vorige eeuw met de dodenherdenking verbonden was: de wederopbouw na 40-45.

Het doel van de wederopbouw na 40-45

Ik ben 61, te jong om de oorlog te hebben meegemaakt, maar een deel van de wederopbouw herinner ik me wel. En ik heb de geest gevoeld waardoor die werd voortgedreven. Via mijn ouders, mijn grootouders, mijn ooms en tantes, mijn onderwijzers, mijn leraren, en alle andere ouderen in mijn omgeving, die, toen ik klein was, in de bloei van hun leven waren en er hard voor werkten om er weer iets van te maken.

Ook toen moest er veel anders. De demonen waren verdreven en nu moest er worden gebouwd aan een nieuwe samenleving. En ditmaal zou er een nieuwe, betere, vreedzame en vooral meer gelijke orde heersen. Want dat de ellende vooral veroorzaakt was door grote ongelijkheid, daar was iedereen het hartgrondig over eens. Tot in het diepst van haar vezels werd de samenleving nu verwarmd door een gezamenlijk doel. Er was een breed gedeeld gevoel voor richting. Dat gaf iedereen energie.

In veel West-Europese landen kwam in die sfeer in de decennia na de Tweede Wereldoorlog de verzorgingsstaat tot stand. In de jaren zeventig was die op zijn hoogtepunt.

De verzorgingsstaat van de wederopbouw voorzag in zekerheden en correctiemechanismen om sociaal-economische beperkingen en verschillen tussen individuen en bevolkingsgroepen te dempen en te verzachten. Het onderwijs, huisvesting en medische zorg werden beter. Er werd een sociaal zekerheidsstelsel opgetuigd dat een buffer vormde tegen ziekte, werkeloosheid en ongevallen. Er kwamen pensioenstelsels. Gesubsidieerd openbaar vervoer en gesubsidieerde kunst en cultuur werden belangrijk. En boven dat alles stonden een overheid en een politiek die nauwlettend de gezamenlijk gekozen richting bewaakten en beschermden.

De verzorgingsstaat was een groot experiment in rechtvaardigheid dat bleek te functioneren. Het voorzag in betere en gelijkwaardiger ontplooiingskansen voor iedereen – niemand mocht aan de kant komen te staan. De verzorgingsstaat ging over gezamenlijkheid, een gevoel van we moeten het met zijn allen doen.

Toen kwam de knak. De geest die de wederopbouw had voortgedreven, vervloog in de jaren tachtig. Met de opkomst van het individualistische neoliberalisme werd het opnieuw ieder voor zich, net als voor de oorlogsjaren. Een wedloop van ik tegen jou, wij tegen zij. Vanaf de jaren 1980 wordt er geknabbeld aan de verworvenheden die we eerst zo belangrijk vonden. Dat proces is al meer dan dertig jaar gaande, sluipend, geniepig.

De verzorgingsstaat was verre van perfect. Hij was dan ook nog lang niet af. Maar we waren het moe, het vuur was gedoofd. We hadden de puf niet meer om de klus samen verder te klaren. De oorlog en ellende waren zo ver weg in het verleden. Wie was daar nu nog mee bezig? De generatie die 40-45 bewust had meegemaakt, doofde langzaam uit. De nieuwe generatie kende geen andere wereld dan die van welvaart en vrijheid. Dat was voor haar ‘water uit de kraan’.

Een schrale troost

Het besef van waarom het allemaal begonnen was loste op in de tijd. De diepe boodschap werd vergeten, maar de materiële welvaart moest behouden blijven. Nu het individu belangrijker werd dan de gezamenlijkheid draaiden diegenen die ertoe in staat waren de kraan nog wat verder open – voor zichzelf.

Het resultaat is een samenleving waar maar weinig mensen echt blij van worden. Zeker, er kan van alles, maar er zijn ook veel problemen: de ongelijkheid neemt gestaag toe; steeds meer mensen moeten ploeteren in twee of meer banen – vaak als onbeschermde zzp’er – om zichzelf en het gezin te kunnen onderhouden; er is weinig ruimte voor persoonlijke ontwikkeling; overgewicht is de norm, obesitas is epidemisch; veel mensen zitten dag in dag uit vastgeplakt aan de smartphone en leven in een gestresste virtuele wereld; schoolprestaties nemen af, vooral onder kansarme groepen; en ga zo nog maar even door.

In deze samenleving is consumeren de schrale troost die alles moet verzachten. Consumeren is de moderne gezamenlijkheid. En de overheid is een accountantskantoor geworden dat de prestaties van de burgerij op dat vlak nauwgezet boekhoudt, alsof het om het voornaamste belang voor het land gaat. Wie het in dat decor waagt te wijzen op waarden als rechtvaardigheid en welbevinden, moet eerst maar eens laten zien wat dat economisch opbrengt.

We willen anders

Zijn we zo echt gelukkig samen? Als zich volproppende individuen die alleen zijn in een mensenmassa waarin iedereen schuin naar beneden tuurt op een schermpje. Van de samenleving die verbonden was door een diep gevoeld collectief doel, is weinig meer heel. Zeker, het woord ‘verbinding’ klinkt alom, maar het is een businessmodel geworden van de moderne media op dat schermpje schuin beneden, die grof geld binnenharken met verkoopadvertenties die aansporen tot nog meer consumeren. Intussen plukken we de aarde leeg en zitten we midden in een ecologische ramp.

Mensen willen wel anders. In de maanden voor de coronacrisis heb ik als vrijwilliger voor Milieudefensie tientallen gesprekken gevoerd met willekeurige stadgenoten. De gesprekken gingen over het klimaatbeleid van onze overheid, dat schromelijk tekort schiet om de doelen van Parijs te halen. Ik was niet de enige die dit deed. Door het hele land werden deze gesprekken gevoerd. We wilden erachter komen hoe de Nederlanders in het algemeen over het klimaatbeleid van de overheid denken, zodat we de stemming onder de bevolking aan de politiek kunnen overbrengen.

In totaal zijn er mee dan 3.100 gesprekken gevoerd (en er is meer dan 30 duizend keer een online vragenlijst ingevuld). 91 procent van de mensen verklaarde zich grote zorgen te maken over het klimaat. Wat mij vooral opviel was dat de meesten mensen die ik sprak dachten dat ze alleen in hun zorgen stonden. En wat me ook opviel, was dat vrijwel iedereen de gesprekken in een breder kader trok.

Zeker, het klimaat is belangrijk, kreeg ik te horen, maar het gaat ook om de kloof tussen arm en rijk, de stigmatisering van bevolkingsgroepen, het vluchtelingenprobleem, de onderwaardering voor de zorg en het onderwijs, de toenemende macht van de grote bedrijven, enzovoort. Mensen somden een trits aan maatschappelijke kwesties op waarin naar hun idee de overheid veel te onverschillig is.

Intussen toonden diezelfde mensen zich veelal blij verrast en dankbaar voor de gesprekken. Ze stonden dus toch niet alleen, concludeerden ze. En wat was het fijn dat iemand ze benaderde om een keer naar hun zorgen te luisteren, iemand waarbij ze hun hart konden luchten.

Een collectief doel in coronatijd

Veel mensen voelen zich niet erkend in wat er voor hun echt toe doet. Ze liggen wakker van zorgen en missen een overheid die ruggesteun biedt. Ze verwijten de politiek – terecht, denk ik – te veel te hechten aan economische belangen; er wordt wel geluisterd naar de wensen van het grootbedrijf, de aandeelhouders en de banken, maar er wordt weinig gehoor aan de behoeften van de burger gegeven.

Mensen roepen de overheid op minder inert te zijn, meer zichtbaar te worden en richting te wijzen. Premier Rutte beroept zich graag op zijn adagium ‘visie is een olifant die het zicht belemmert’. Mensen doorzien onderhand dat het een versleten drogreden is om een overheid neer te kunnen zetten die haar verantwoordelijkheid niet hoeft te nemen. En om een politiek te kunnen bedrijven die meer gericht is op het bijeen houden van de coalitie dan op het bouwen aan de maatschappij. Rutte nadert het punt dat zijn brede glimlach dat niet meer kan verdoezelen. ‘We willen wel degelijk visie,’ roepen de Nederlanders, ‘we snakken ernaar.’

Een samenleving heeft dat blijkbaar nodig: een breed gedeeld gevoel voor richting, een gezamenlijk doel. En zie, nu doet zich opeens een situatie voor die zo’n gezamenlijk doel aanwijst. Doordat ergens op een markt in China een virus van een dier oversprong op een mens, zien we hier dat we elkaars bescherming en zorg nodig hebben. We beseffen het vrijwel allemaal: alleen met gesloten rijen kunnen we dit probleem verslaan en beperken we het verdriet, het verlies en de schade. En het werkt, we handelen ernaar, er is saamhorigheid en solidariteit.

Een collectief doel post-corona

Ik wil niet fatalistisch klinken, maar ik kan er niet omheen en iedereen denkt het weleens: af en toe is er een ramp nodig om ons op het goede pad te wijzen. Bij mij op de plank stond al lang een bijzonder boek te wachten om gelezen te worden. Corona voorzag in de juiste omstandigheden om het op te pakken. Ik heb het zojuist uit. Het gaat om De broers Karamazov van Fjodor Dostojevski. Hier is een stukje uit het monumentale hoofdstuk De grootinquisiteur:

‘Want het geheim van het menselijk bestaan is niet dat de mens alleen maar wil leven, maar dat hij ergens vóór wil leven. Wanneer hij niet duidelijk voor zich ziet waarvoor hij leeft, dan wil de mens niet meer leven en zal hij zichzelf eerder vernietigen dan op aarde blijven, al heeft hij net zoveel brood als hij wil.’ (bron: De broers Karamazov, Fjodor Dostojevski, vertaling Arthur Langeveld, 2014, p. 310)

Een ander die iets dergelijks formuleerde, is de Amerikaanse politicoloog-filosoof Francis Fukuyama. Schrijver-journalist Casper Thomas meldt in zijn boek De autoritaire verleiding dat Fukuyama op een opvallende tegenstrijdigheid in het menselijk leven wijst: onrecht is nodig, want de strijd tegen onrecht haalt het hoogste in de mens naar boven. Het boek dat Fukuyama schreef na de val van het communisme en dat hem wereldfaam bezorgde, Het einde van de geschiedenis en de laatste mens (1992), sluit af met:

‘Bestaat het gevaar dat we gelukkig zijn en tegelijk ontevreden, en daarom bereid om de wereld terug de geschiedenis in te slepen, met alle oorlog, onrecht en revolutie?’ (bron: De autoritaire verleiding, Casper Thomas, 2019, p. 29)

Fukuyama dacht in 1992 dat na de val van het communisme de enige nog geloofwaardige staatsvorm die resteerde de liberale democratie was. Dat zou het eindstation voor alle staten zijn. Inmiddels weten we dat we dat idee mogen betwijfelen. Bijna dertig jaar later zien we aan landen als Hongarije, Turkije, India en zelfs de Verenigde Staten dat de liberale democratie in zwaar weer verkeert.

Niemand kan de toekomst voorspellen op basis van het verleden. Het verleden kan ons wel waarschuwen voor een herhaling van fouten. Dat is waar Fukuyama op wijst in zijn afsluiter. Die is een uiting van zijn bezorgdheid over het grote gevaar van de verveling als een samenleving alles heeft behalve een collectief doel om voor te gaan. Dat is een tikkende tijdbom omdat onze meest wezenlijke behoefte in zo’n samenleving niet bevredigd wordt. Die behoefte is zingeving: het gevoel dat het leven werkelijk ergens toe dient.

Ik ben hoopvol over het post-corona tijdperk, want als het virus iets heeft laten zien aan staten en overheden, is het dat een visie op problemen geen zicht belemmerende olifant hoeft te zijn. Zij kan zomaar een collectief doel representeren dat saamhorigheid en solidariteit oproept, waardoor we in ons aller belang collectief anders gaan handelen. Ook straks zal er veel anders moeten, nadat we het virus verslagen hebben. Het is de hoogste tijd te gaan werken aan een eerlijke en duurzame toekomst. Dat is letterlijk van levensbelang. Als we een ramp nodig hebben om ons het goede pad te wijzen dan is corona een kans om te grijpen.

Print Friendly, PDF & Email

Een woord over de auteur

Stan Lenssen

Coacht en schrijft op en over thema's van het leven - Professional Certified Coach - gecertificeerd door ICF: de International Coach Federation, die staat voor kwaliteit in coaching. 'Ik voel me mateloos gedreven om mensen te stimuleren het beste in zichzelf te ontdekken en te activeren, zodat we ons leven hier kunnen vormgeven op een manier die iedereen gelukkig maakt.'

0 comments… add one

Leave a Comment

Privacyverklaring