Losgezongen van de gemeenschap

Laten we beginnen met een korte dialoog over feromonen:

‘Als je hier een stuk hout mee insmeert zullen vrouwtjeskevers zich verdringen om er hun eitjes te leggen. Ze zullen uit de hele omgeving op dat stuk hout afkomen, ze zullen het van vele kilometers afstand ruiken. Enkele druppels volstaan.’
‘Waarom ruiken mensen niet zo?’ vroeg ik.
‘Wie heeft er gezegd dat je niet zo ruikt?’
‘Ik ruik niks.’
‘Misschien weet je niet dat je ruikt, schat, en geloof je in je menselijke hoogmoed nog altijd in je eigen vrije wil.’

Middelpunt van de samenleving

Het centrum van de eenentwintigste eeuwse samenleving is het individu. Ik hoef maar naar mijzelf te kijken. Ik ben katholiek opgevoed maar ik hang het katholieke geloof allang niet meer aan, ik zou mezelf niet eens christelijk willen noemen. En hoewel ik in de loop der jaren verwantschap ben gaan voelen met het boeddhisme, zie ik mezelf ook allerminst als een boeddhist. Ik bedien mij van zelf gevormde geloofsopvattingen. Er is geen kerk waar ik naar toe ga, er is geen sangha waar ik toe behoor. Ik mediteer twee keer per dag, thuis, op mijn eigen mat, in mijn eigen hoekje. Ongeveer maandelijks bezoek ik in mijn woonplaats Amsterdam een tao-zengroep. Dan zazen we samen, voeren we gesprekken en doen we lichaamsoefeningen. Het gaat er vrijblijvend en ongedwongen aan toe, los van ‘religieuze’ voorschriften en rituelen.

Op grond van uiteenlopende interesses neem ik hartstochtelijk deel aan uiteenlopende maatschappelijke organisaties – van boekenclub, tot milieubeweging, tot jongereninstantie. Ik voel me aan ze gecommitteerd maar waak ervoor al te zeer gebonden te raken. Daar hou ik niet van; ik word onrustig, dingen beginnen me dwars te zitten en ik wil naar een andere plek. Waar de grens precies ligt, kan ik niet zeggen. Ze overkomt me, mijn motivatie valt weg en ik vertrek. Of dat nou bindingsangst is of vrijheidsliefde, ik weet het niet. Voor het onderwerp van dit artikel gok ik op het tweede.

Uiteraard lees ik ook mijn zelf gekozen non-fictieboeken en romans. Daar laat ik me niets over dicteren. En er is niemand die mij opdraagt over welke onderwerpen ik schrijven moet. Er is slechts één criterium en dat is dat ík ze belangrijk vind.

Dat klinkt allemaal nogal ijdel. Mijn autonomie, mijn authenticiteit – wat dat dan ook wezen mag – en mijn behoefte tot zelfbeschikking staan pal in het centrum, alles draait om mij. Ik ben daarin geen uitzondering. Individualisme is mainstream – oh, paradox. Maar kijk ik naar de generatie voor mij, de generatie die het in de jaren veertig tot tachtig voor het zeggen had, die van mijn vader, dan zie ik precies het tegenovergestelde in het midden staan: het collectief.

Mijn vader was hecht verbonden met de gemeenschap van de Rooms-Katholieke Kerk. Niet dat hij lijdzaam zijn geloof praktiseerde. Hij was uiterst kritisch, hij zag veel misstanden, hij vond dat er in zijn kerk veel moest veranderen. In die relatie kan ik hem niet anders omschrijven dan als een progressieve katholiek. Maar ik weet zeker dat mijn vader nooit enige aandrang heeft gevoeld om zijn geloof in de steek te laten. Dat was wel het laatste. Liever nam hij deel aan de discussie. En dat deed hij enthousiast. Ik herinner me van mijn jongste jaren dat hij en mijn moeder actieve parochianen waren. Ze leverden niet alleen hun bijdrage in financiën, maar ook in woorden en in daden. Ze namen bijvoorbeeld deel aan gespreksgroepen waarin gediscussieerd werd over de toekomst van de kerk. Dan gingen ze daarnaartoe of de groepen kwamen bij ons over de vloer.

Ons gezin maakte deel uit van een moderne, veranderingsgezinde parochie in Den Bosch. Een herinnering die daarmee te maken heeft, staat me nog goed bij. Ik zal hooguit een jaar of elf geweest zijn, want wat er gebeurde speelde zich af in het noodgebouw van onze in 1968 ingestorte Lucaskerk. In de weekendkerkdienst werd een onderwerp aangesneden waarvoor de kerkgangers werden uitgenodigd om erover mee te praten. Die kans kon mijn vader niet laten schieten. Ik zie hem in de volle kerk nog opstaan uit de bank, naar voren lopen, plaatsnemen achter het altaar en in de microfoon vol overtuiging zijn zegje doen. Ik heb geen idee meer wat het onderwerp was en wat hij bijdroeg, maar dat ik apetrots was, dat weet ik nog heel goed.

Tot op hoge leeftijd bleef mijn vader een trouw kerkbezoeker met een kritische mening, die hij graag liet horen. Mijn vader was desalniettemin zeer loyaal aan zijn kerkgemeenschap. Voor mijn moeder golden die kritische houding en loyaliteit ook – zij is jong overleden. De band van hun gezin met het katholicisme kwam op allerlei manieren tot uitdrukking. Als kinderen gingen wij naar een katholieke lagere school en naar een katholiek lyceum. Mijn broers en ik waren misdienaars en enkele zussen zaten op het kerkkoor. De Katholieke Illustratie rolde bij ons wekelijks in de bus. Net als de KRO-gids, want de KRO, dat was hun omroep.

De politieke voorkeur van mijn ouders was KVP. Voorzover ik weet, werd er niet anders dan op die partij gestemd. Ze waren er ook lid van. Na de fusie in 1980 met ARP en CHU werd dat automatisch CDA. Mijn vader noemde die partij ‘zijn club’. Wij als kinderen spuiden vanaf het moment dat we eigenwijze pubers werden én politiek bewust natuurlijk regelmatig kritiek. Dat mocht en dan werd er vurig gediscussieerd, maar het eind van het liedje was steevast: ‘Het blijft hoe dan ook mijn club.’

Shoppen voor een kleurrijk leven

Er zit op een paar maanden na veertig jaar tussen de geboortedag van mijn vader en die van mij. Ik ben van 1958. Van zijn op mijn generatie zijn er zwaartepunten in de samenleving gaan verschuiven. Verbonden willen zijn maakte plaats voor vrij willen zijn, erbij willen horen werd zich willen onderscheiden, het collectief maakte plaats voor het individu. Misschien werden die verschuivingen veroorzaakt door de afstand die ontstond tot de rampzalige eerste helft van de twintigste eeuw en het optimisme dat zich ontwikkelde in de tweede helft. Misschien nam de behoefte aan vereniging en vereenzelviging daardoor af; de wereld scheen geleidelijk een veilige plek te worden, de nieuwe generatie had de ellende en het grote gevaar nooit aan den lijve ondervonden, zij kende niets anders dan steeds betere perspectieven. Misschien lagen er andere kwesties aan ten grondslag. Hoe dan ook, in die generatiewisseling van veertig jaar is het gebeurd.

De meeste mensen uit mijn vaders generatie voelden zielsverwantschap met hun gemeenschap. Ze vonden houvast in instituten als de kerk, de politieke partij, de omroep, de vakbond, de vrijetijdsvereniging en de werkgever. Dat waren ankers. Ze gingen er een levenslange verbintenis mee aan. Over het algemeen was het geloof – of juist het ontbreken daarvan als je atheïst of agnost was – de bindende factor. Het was de magneet waar je naartoe werd getrokken. Rond die magneet clusterden gelijkgestemden bij elkaar: jouw gemeenschap met de daarbij horende levensvisie. Dat was de kern die jij erkende als de autoriteit die bepaalde voor hoe te handelen daarbuiten, in de samenleving. De leden van de gemeenschap voelden een gezamenlijkheid die gebaseerd was op een groot onderling vertrouwen, een besef van solidariteit, eenzelfde manier van denken en een weten wat je aan elkaar hebt. Daar, in die voorspelbare omgeving, was je thuis, veilig, zeker en gesteund.

Ik ken dat levenslang meegedragen gemeenschapsgevoel niet, net zoals veel anderen van nu dat niet kennen. Ik doel dan op de westerlingen in Noordwest-Europa. Het is belangrijk om die beperking aan te brengen en alleen te spreken over de samenleving waar ik vertrouwd mee ben. Wij zijn los zand, als ik het zo mag zeggen. Wij hebben de ankers laten varen die eerdere generaties in hun gemeenschap vonden. De clusterende magneet werd voor ons te benauwend. We werden extreme vrijdenkers, die autoriteit niet zomaar accepteren en die datgene pikken uit de ruif van instituten dat ze welgevallig is – als een persoonlijk pakketje. De kerk, de politieke partij, de vakbond, de vrijetijdsvereniging, de werkgever, zelfs menselijke relaties, het is voor ons allemaal zo consumptief als wat, om maar helemaal niet over de omroep te spreken. Die laatste is voor velen allang een reliek uit een ver verleden. Sinds Netflix programmeer je zelf je tv-avond.

Het persoonlijke pakketje is variabel als de apps op onze mobiel. Het individu download zijn eigen kleurrijke leven en is zelf de kern van en de autoriteit voor hoe te handelen. Dat wil overigens niet zeggen dat we de onderlinge krachten en spanningen in de samenleving negeren. Individualisme staat niet gelijk aan egoïsme. De meesten van ons zijn zich heel goed bewust van de gulden regel die zegt dat je de ander moet gunnen wat je vindt dat jou gegund moet worden. Onze keuzevrijheid is belangrijk, maar er is ook een algemeen gevoelde instemming dat jouw keuzes de ander niet mogen belemmeren. Een typering die ons daarom lijkt te passen, is die van libertariërs.

Of het ons altijd lukt om de gulden regel te handhaven, is overigens wel de vraag. Ik kom er nog over te spreken.

Hoe halen we het beste uit onszelf

Wij weten te veel, wij weten van de eindigheid. Wij begeren daarom betekenis, wij zoeken de zin van zijn en we willen iets nalaten. Het zijn ambities die grotesk en dwaas zijn als je ze in kosmisch perspectief beziet. Een leven van dag tot dag, een dierlijk bestaan, is ons echter niet gegeven. We kunnen er hoogstens soms jaloers op zijn en op ons kussen mediterend ons wanen in ‘het moment’. Wij kijken vooruit, voorbij ons bestaan en moeten bij leven het beste uit onszelf zien te halen. Dat is de centrale opdracht waartoe we allemaal veroordeeld zijn.

Hoe halen we het beste uit onszelf? Mijn vaders generatie ging voor het vinden van het antwoord op die vraag te rade bij de instituties van haar gemeenschap – haar ankers. Vanaf mijn generatie zijn die ankers een voor een afgestoten. Tegenwoordig gaan we bij onszelf te rade. De ondersteuning bij het vinden van ons antwoord is verschoven van de zielzorgers van de gemeenschap, zoals de pastoor en de dominee, naar de zielzorgers van het individu, zoals de psycholoog en de coach. Passend bij het individualisme is hun ondersteuning niet gekleurd door een levensbeschouwing en kun je ze inhuren per uur.

Hoe halen we het beste uit onszelf, is een geïndividualiseerde vraag geworden. In twee opzichten.

In de eerste plaats gaat de vraag niet meer over onszelf als onderdeel van het collectief, maar over onszelf als individu. Mijn vader en velen van zijn generatie stelden de vraag publiek-gericht, zij vroegen: hoe haal je het beste uit jezelf? Ik en velen van de huidige generaties stellen de vraag zelf-gericht: hoe haal ik het beste uit mijzelf? Het zijn maar twee woordjes van verschil, maar de implicatie voor hoe de antwoorden in de praktijk uitpakken is groot.

Mijn vaders antwoorden moesten passen binnen de opvattingen van zijn gemeenschap. Veel van zijn antwoorden golden niet alleen voor hem, ze golden ook voor anderen. En voorzover het wel aan zijn persoon gebonden antwoorden waren, wist hij zich ervan verzekerd dat ze door de anderen werden goed bevonden. Bekrompen, zouden wij nu zeggen. Maar kijk eens door zijn bril. Het hield die gemeenschap wel hecht bij elkaar en hem ermee verbonden. Dat gaf natuurlijk een gevoel van een enorme kracht en veiligheid, van geborgen in het leven staan. De nieuwe generaties hebben hun mond vol van het woord ‘verbinding’, maar de woordjes ‘ik’ en ‘mijzelf’ in onze vraagstelling blokkeren vaak echte verbinding. In hoeverre geven onze antwoorden kracht en veiligheid? Ik zie te veel angst, zelftwijfel en wantrouwen om mij heen om daar optimistisch over te zijn.

Op de tweede plaats was er in de antwoorden die mijn vader en zijn generatiegenoten accepteerden ook ruimte voor het onbekende, dat wat je niet in de hand hebt, de ruimte voor Gods hand, in atheïstische termen: de ruimte voor het lot. Die acceptatie lijkt bij ons totaal verdwenen. Want als het lot meedoet, lijken wij te redeneren, hoe kunnen we dan nog vertrouwen op onze keuzevrijheid, dat mooie principe waar de libertariër in ons zo aan gehecht is.

Zelfbeschikking en zinsbedrog

Het geloof in de maakbaarheid van het leven door het individu zelf is in onze tijd enorm. Ik vraag me af of dat geloof niet vreselijk overgewaardeerd is. Het zou natuurlijk fijn zijn als je je zaakjes zelf in de hand hebt. Tegelijkertijd voel ik aan mijn water dat het een utopische gedachte is dat het individu onbelemmerd is in het nemen van de regie over de realisatie van zijn wensen en ambities, en over het oplossen van zijn problemen. Zelfs al huurt hij de moderne, van de gemeenschap losgezongen zielzorgers in om hem bij zijn zelfbeschikking te helpen.

De afgelopen maanden hebben op minstens twee manieren laten zien dat we sterk mogen twijfelen aan onze autonomie. Twee gebeurtenissen zorgden ervoor dat mensen massaal instinctief gedrag vertoonden: de coronapandemie en de moord op George Floyd. In het ene geval volgden we wereldwijd en braaf de voorschriften van onze overheden en sloten we ons op. In het andere geval stonden we wereldwijd op tegen racisme en gingen we de straat op. Om te zeggen dat die reacties autonome, in vrijheid beredeneerde keuzes waren, is weinig geloofwaardig. Ze werden ingegeven door collectief gevoelde noodzaken die ons aanzetten tot daden. In het ene geval trokken we ons terug ter bescherming van ons leven. In het andere geval toonden we onze verontwaardiging en afschuw over groot onrecht. Dat zijn daden van het hart, niet van het hoofd. Het waren demonstraties van angst en woede – uitdrukkingen van emoties. De krachten waren zo sterk, zo buiten onze keuzevrijheid om, dat ze strijdige reacties opriepen, in een en dezelfde persoon, gewoon naast elkaar: de nabijheid van de ander mijden versus de nabijheid van de ander opzoeken.

We hebben als individuen helemaal niet zoveel te kiezen als we geneigd zijn te denken. Ik ben bezig met het schrijven van een boek over kansenongelijkheid onder schoolgaande jongeren. Tussen haakjes, dat het woord ‘kansenongelijkheid’ bestaat bewijst op zich al dat persoonlijke keuzevrijheid mythisch is. In het onderzoek dat ik voor het boek doe, stuit ik steeds op het feit dat de kansen op succes voor die jongeren in het volwassen leven zo goed als bepaald worden door de sociaaleconomische situatie waarin zij opgroeien.

Stel je heet Ahmed, je achtergrond is Marokkaans en je woont in het relatief achtergestelde en ‘gekleurde’ Amsterdam Nieuw-West, en je zit op de basisschool in dezelfde wijk. Het is dan waarschijnlijk dat jij en jouw vriendjes van allochtone afkomst structureel worden onderschat. In het laatste jaar krijg je dan ook een schooladvies van je onderwijzer mee dat onder jouw kunnen ligt. Op de vmbo-school in dezelfde wijk, waar je vervolgens belandt samen met Ashraf en Kemal, je maatjes van de school waar je net vanaf komt, is het onderwijs pover, hoe toegewijd de leraren er ook zijn. Maar ze zijn gewoon met te weinig, want in een school als de hunne, daar willen niet alle leerkrachten werken. Daarbovenop komt dat je het niet ideaal hebt thuis. Het is er rumoerig en krap nu de tweeling net geboren is. Zij slapen bij je ouders op hun kamer en jij deelt de andere slaapkamer in de flat met je broertje. Samen doen jullie met de ene laptop die het gezin rijk is. Je merkt dat het lastig is om zo te leren. En als je dan op een punt komt dat je echt worstelt en geholpen zou zijn met wat extra begeleiding, dan blijkt het voor je ouders niet mogelijk om dat te regelen. Ze hebben er het geld niet voor. Nee, jij, Ahmed, zou misschien wel willen of kunnen, maar een schoolcarrière op hoger niveau zit er voor jou niet in.

Voor Thomas daarentegen is het allemaal anders. Hij woont in het welgestelde en ‘witte’ Amsterdam-Zuid. Hij krijgt een klinkend schooladvies. Hij gaat haast als vanzelf naar de vwo, al is het de vraag of hij het aankan. Hij komt terecht op een lyceum in Zuid waar hij zijn oude vrienden weer ontmoet, Pieter-Jan, Eric en Niek. Het lyceum is een moderne, goed geoutilleerde school, waar zij alle begeleiding krijgen. Het is een plek met de beste leerkrachten. Ze verdringen zich om er te mogen werken. Thomas’ ouders hopen intussen dat het hem zal lukken om goed bij te blijven. Fijn is dat hij thuis een eigen kamer heeft en zijn Apple notebook. En mocht het leren op de vwo hem lastig vallen, dan, zo hebben zijn ouders zich al voorgenomen, huren ze huiswerkbegeleiding in. Ja, Thomas gaat het redden, hij krijgt alle ondersteuning.

Het zijn maar twee voorbeelden. Ze zijn zo actueel als wat en behalve dat ze laten zien dat zelfbeschikking zinsbedrog is, tonen ze tussen de regels door dat ons lot sterk afhangt van hoe wij elkaar zien. En hoe wij elkaar zien is evenmin zelf beschikt.

Institutioneel racisme

Vanochtend (19 juni 2020) hoorde ik op de radio een bericht over een rel die is ontstaan rond voetbalanalist Johan Derksen. Hij had op 15 juni in het tv-programma Veronica Inside verkondigd dat het wel meevalt met het racisme in Nederland. Daarop kreeg hij een storm van kritiek over zich heen. Terecht. Als hij dat namelijk werkelijk meent, wordt hij gekweld door een gebrek aan bewustzijn, een blinde vlek.

In het boek Het slimme onbewuste (2007) van psycholoog, hoogleraar en onderbewustzijnsexpert Ap Dijksterhuis staat een experiment beschreven dat iets bloot legt over onze overtuigingen waar Johan Derksen iets van zou kunnen opsteken. Het gaat om autochtone mensen die zeggen dat ze niet discrimineren – goedwillende mensen, die het oprecht menen als ze dat zeggen. Deze mensen doen een test waarbij gemeten wordt in hoeverre ze positieve en negatieve woorden associëren met Nederlandse namen en met Marokkaanse namen. De test is door een groot aantal mensen gedaan, onder gecontroleerde laboratoriumomstandigheden. Uit de test blijkt dat het voor autochtone Nederlanders vanzelfsprekend is om een Nederlandse naam als Henk, Jan of Joris met een positief woord als ‘liefde’, ‘veilig’ of ‘gezond’ te associëren, en een Marokkaanse naam als Achmed, Mohammed of Abdul met een negatief woord als ‘oorlog’, ‘dood’ of ‘kanker’. Ze doen dat niet bewust, dat gaat vanzelf. Wordt ze gevraagd om de test nog eens over te doen en dan de associaties opzettelijk andersom te leggen, dan schrikken ze van zichzelf omdat blijkt dat dat veel inspanning vraagt.

Nederland is behept met een behoorlijke dosis institutioneel racisme, mijnheer Derksen.

Onze overtuigingen worden voortdurend beïnvloed door krachten waar we weinig over te zeggen hebben. Als bijvoorbeeld een politicus een beledigend woord gebruikt voor een groep in de samenleving die hem niet welgevallig is en we vernemen dat via de media, dan wegen we dat als een uiting van een autoriteit. Zijn positie is te invloedrijk, te belangwekkend of misschien zelfs te geloofwaardig om dat woord het ene oor in en het andere uit te laten gaan. Het blijft tussen de oren hangen als een geniepig onkruidzaadje, dat – als het nog een beetje extra voeding krijgt – ontkiemt tot een overtuiging. Vanuit die overtuiging ontstaan in ons primaire reacties die ons misschien helemaal niet zo aanstaan, die we nooit verwacht hadden van onszelf. Daar hoeven we onszelf niet voor te veroordelen; we moeten het wel erkennen en vooral ook durven uitspreken. Dat maakt ons bewust van onze primaire reacties en van de overtuigingen die daarachter zitten. Die bewustwording is belangrijk, want het is de enige manier om van de overtuiging en de primaire reacties af te komen.

Een spelbreker

Zijn wij werkelijk autonome individuen of hebben wij gewoon last van de menselijke hoogmoed die ons laat geloven in onze eigen vrije wil?

Wat leer ik over die vraag als ik terugkijk naar de wereld van mijn vader en die bezie tegen de gebeurtenissen in de wereld van nu? Ik leer dat die vraag retorisch is. Dat de gebondenheid aan de gemeenschap waar de generatie van mijn vader zich bewust van was, ook geldt voor onze tijd en dat we ons niet aan de gemeenschap kunnen onttrekken.

Oké, de gemeenschap van nu is lastig te vatten, zij doet diffuus en grillig aan, is zwak van cohesie. Maar zij is zeker niet afwezig. Als wij dat menen, is dat niet meer dan een indruk die ontstaat door ons shoppen. Onze wispelturigheid resulteert erin dat we denken dat we niets hebben om op terug te vallen dan de eigen ik. En mocht de ik er niet uitkomen, dan huren we de ik-gerichte hulp van een psycholoog of coach in om de ik op stoom te brengen, omdat we veronderstellen dat we met autonome keuzevrijheid gezegende individuen zijn. Intussen zijn we net zo stevig als vroeger gebonden aan de nukken en de overtuigingen van de collectiviteit.

Godfried Engelsen, socioloog en lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) zegt in het artikel ‘We hoppen van angst naar angst’ in De Groene Amsterdammer van 28 mei 2020:

‘Studenten willen zo massaal psychologie studeren dat er een numerus fixus is ingesteld. We hebben een samenleving waarin het individu als project centraal staat, en daar past een studie als psychologie heel goed bij. Als het om duiding gaat, is de socioloog in deze samenleving een spelbreker die voortdurend zegt: jullie denken wel dat we in een hypergeïndividualiseerde samenleving leven, maar zelfs de meest private beslissingen – zoals bijvoorbeeld het aangaan van liefdesrelaties – zijn in harde patronen te vangen.’

Ik vind het vooral zo interessant dat hij zegt dat de socioloog een spelbreker is. Dat bevestigt wat ik voel: wij zijn ‘feromoon-ontkenners’.

Extra bronvermelding:

Print Friendly, PDF & Email

Een woord over de auteur

Stan Lenssen

Coacht en schrijft op en over thema's van het leven - Professional Certified Coach - gecertificeerd door ICF: de International Coach Federation, die staat voor kwaliteit in coaching. 'Ik voel me mateloos gedreven om mensen te stimuleren het beste in zichzelf te ontdekken en te activeren, zodat ze hun leven kunnen vormgeven op een manier die bij hen past en die hen gelukkig maakt.'

3 comments… add one
  • Huub Koch 1 jul 2020, 18:10

    Wederom een doorwrocht artikel, Stan.
    Moeiteloos meermaals te herlezen.

    Een scherpe typering van de ‘condition humaine’ anno 2020.
    We zitten er midden in, dit valt niet te ontkennen.

    Een goed moment om vragen te stellen.
    Om te beginnen aan onszelf.

    De scheidslijn tussen onszelf en de ander denkbeeldig.

    NB: dank voor je boekentips. Altijd welkom.

    • Stan Lenssen 1 jul 2020, 20:46

      Dank Huub,
      Overigens is de Gaia-hypothese, die ik in de intro van de mail heb genoemd, voor een goed speurder ook nog wel in het Nederlands te pakken te krijgen. Is zeer de moeite waard.
      Groet,
      Stan

  • Henri Straver. 6 jul 2020, 22:53

    Kans ongelijkheid valt niet te ontkennen.Maar dat geldt voor alles,ouders,broers en zussen,je uiterlijk,de buurman etc etc.Dus niet alleen,je ouders zijn van belang.Waar en hoe je terecht komt.Teveel andere thema s zijn ook van belang.Kijk je bevoorbeeld naar de Quote 500,wat ik overigens niemand aanraad,Dan zie je, dat wanneer je het hebben van veel geld als succes factor neemt.Dat verreweg,de meeste van deze finacieel rijke mensen.Helemaal niet van huis uit rijke, of welgestelde gezinnen komen.Maar juist uit de economische midden en onder sector komen.Ontevredenheid is klaarblijkelijk,de juiste voedings bodem voor talent of het ontwikkelen daarvan.En andersom,als je naar de top,van de onderwereld kijkt in Nederland in de jaren 70/80.Kwamen die jongens toendertijd,helemaal niet uit kans arme gezinnen.Maar uit gewone doorsnee of midden stander gezinnen.Dus heel zwart/wit ligt het speelveld dus niet.Het is een wereld van vele kleuren en smaken.Wel is,als je een lijn zoekt en die pertinent wilt hebben. Een aspect,wat wel heel duidelijk is.En helaas moet ik daarvoor cijfers uit Amerika gebruiken,want die van hier ken ik niet.De afkomst van alle criminelen aldaar in de gevangenis.Bestaat voor 84 procent,uit kinderen van een 1 ouder gezin.Meestal de moeder.Als je die criminelen genetisch bekijkt.Hebben ze de genen,van wat men noemt het krijgers type.Zo is er bijvoorbeeld ook het genen patroon van de landbouwer,de predikant en al wat meer zei.
    Maar hun hebben het genen patroon van de krijger.Etniciteit,speelt dan verder,niet zo n rol.Want voor alle afkomsten,geldt hetzelfde.Dus afkomstig uit een 1 ouder gezin en het genen patroon van de krijger.en de kans is groot,dat het fout gaat.Voor wat Nederland betreft.Er is in dit land heel veel werk,op allerlei fronten.De dakbedekkers kunnen het niet aan.De loodgieters niet,En de zonne panelen bouwers en ook de artsen niet.En de ict ers ook niet,En zo kan ik nog een hele tijd doorgaan.Dus we zitten voorlopig niet,in een land zonder kansen.We zitten in een land,wat vol is van kansen, en dat ook voorlopig blijft.De slagings kans,van een mens in deze maatschappij.Wordt bepaald door zijn goede wil,zijn discipline en de mate waarin hij verantwoordelijkheid wenst te nemen en te dragen.De factor geluk,is wel degelijk van groot belang,maar niet doorslag gevend.Mensen moeten derhakve vooral eerst naar binnen in hun zelf kijken.In plaats van naar buiten en gaan klagen.Zelf verantwoordelijkheid,komt eerst.
    Elke dag staat de leeuw op,op de savanne van Afrika.En zal harder moeten lopen dan de Gazelle,anders sterft ie van de honger.Elke dag staat de Gazelle op,op in diezelfde savanne van Afrika.En zal harder,moeten rennen,dat de snelste leeuw om niet opgegeten te worden.Dus wat houdt leven in? Rennen! Een beetje behoorlijk grote boom,moet in de zomer zo n 8000 liter water per dag.Via zijn wortels in de grond.Dat water tegen de zwaarte kracht in,in de kleinste nerven brengen,en ook in zijn top, zien te krijgen.
    Anders is het einde verhaal,voor die boom.Dan krijgt ie ook nog droogte periodes,vorst,wind,insecten,schimmels,bacterieen en al wat meer zei.Waaronder ook nog timmerlui op zoek,naar een stel goede planken.Een boom kan niet rennen,praten,slaan of een advocaat bellen.Van bomen zijn er veel gekapt,maar er komen er elkaar jaar weer heel veel nieuwe bij.
    Dus wie zijn wij om te klagen.
    We leven in een groot wonder!
    Maar wil je ergens komen,dan moet je er wel wat voor doen.
    Het universum geeft,maar niet voor niets.
    Het wil iets, van alle atomen. in alle samenstellingen ook.Wat terug.
    Alleen zo kan het universum,zijn harmonie behouden.Bij welke gratie ervan.het bestaat.
    Dus wat houdt leven in. Rennen!
    En voor wie het toestaat,is er voor iedereen ergens op zijn eigen manier.
    Wel een duwtje in de rug.
    Maar de echte motivatie,moet uit jezelf komen.
    Dat hoefde je de leeuw,de gazelle,de zeemeuw,de eikenboom en al het andere ontelbare,Niet uit te leggen.
    Alleen de mens wel.
    Groeten,
    Henri Straver.

Leave a Comment

Privacyverklaring