Mag het ietsje minder opgefokt?

In juli vierden mijn vrouw en ik een korte vakantie in de immer groene Dordogne.

In de voorjaarsmaanden hadden we besloten ons huurappartement in Amsterdam te verlaten. In een recordtijd van tien weken kochten we een vijftig jaar oude flat – ook in Amsterdam -, knapten die op en verhuisden we. We zijn al vaak verhuisd, maar zo snel hadden we dat nog nooit gedaan. We waren wel toe aan een weekje ertussenuit. En we genoten.

Op een dag bezochten we Cloître de Cadouin, een eeuwenoud okergeel plaatsje van zandstenen huizen, gesitueerd rond een romaans-gotische abdij. De abdij is gesticht in de middeleeuwen en maakt deel uit van de pelgrimsroutes naar Santiago de Compostella. Een bezoek is zeer de moeite waard.

Het was een frisse zomerdag met wolken. Tussen de oude huizen en op het dorpsplein was het rustig. Voor de gevel van de abdijkerk vertoonde een oude jongleur zijn kunsten. In een smoezelig middeleeuws tenue, dat zich spande rond een onwaarschijnlijk dikke buik, wierp hij afwisselend twee vlijmscherpe kapmessen de lucht in; met iedere hand één. Steeds tolden ze even door de lucht voor hij ze weer opving, behendig en trefzeker bij de heften. Er waren nauwelijks mensen om toe te kijken. Hij trad op voor zichzelf en zijn metgezel: een enorme zwarte, harige hond, die met zijn tong uit zijn bek even verderop zwaar lag te hijgen in een wolk van hondengeur. De enkeling die er was, bleef op afstand.

We slenterden langs de geveltjes, door de straatjes en over het dorpsplein. Aan de oostkant is dat begrensd door de kerk en de daaraan vast gebouwde abdij; verder is het omzoomd met gezellige restaurantjes, snuisterijenwinkeltjes en galerietjes. Met openstaande deuren en de kunst deels op straat uitgestald, vroegen de handelaren om aandacht. Bij enkele winkeltjes lieten we ons binnenlokken om de daar aangeboden ‘beaux-arts’ te bewonderen.

De abdijkerk trok onze aandacht: een kloek, vierkant bouwwerk met weinig meer opsmuk dan de markante, trapsgewijs opgebouwde ringbogen rond de massieve houten toegangsdeur. Die leek daardoor het gebouw in te worden getrokken. We gingen naar binnen. Het was er koel en schemerdonker. Ieder van ons liep een eigen ronde.

Aan de wanden, links en rechts, hing een reeks van oude, beschadigde schilderijen, in donkere kleuren: de traditionele verbeelding van de Kruisweg. In het midden stonden, in keurige rijen opgesteld, eenvoudige houten stoelen. Ik bezichtigde de Kruisweg en nam plaats op een van de stoelen. Het licht viel als mozaïekstukjes binnen door de glas-in-loodramen. Intussen ruiste het van schuifelende voeten en van het fluisteren van enkele bezoekers. Hier vertoeven was aangenaam.

We kwamen weer buiten. Het licht leek feller dan eerst. Om onze voeten rust te gunnen en de indrukken te verwerken, streken we neer op een terras aan de overkant van het plein. We keken uit op de ingang van de kerk die we zojuist bezocht hadden. Schuin achter ons – een paar tafeltjes verderop – zat een Nederlands gezin. De moeder, de vader en het dochtertje van een jaar of acht, waren verwikkeld in een druk gesprek. Met hen vormden wij de enige clientèle.

We bestelden een ‘café au lait’ en een ‘chocolat’. De ober bracht onze drankjes. Flarden van het gesprek verderop drongen door tot op onze tafel. Onwillekeurig werden we toehoorders. Het gezin bleef luid praten; het zag ons waarschijnlijk aan voor Fransen.

Uit een ooghoek sloeg ik het tafereeltje gade. Het scheen mij toe dat de discussie al even gaande was. Ik kon opmaken dat het ging over buitenschoolse muzieklessen waarvan de moeder vond dat het kind ze moest volgen: ‘Want hoe leuk zou het zijn als je zoiets héél goed kunt?’ Maar het dochtertje sputterde heftig tegen. Het liet zich niet overtuigen door mama’s betoog.

‘Dus’, sprak de moeder, die het nu zat was, ‘wij investeren met tijd en met geld, en jij investeert met heel goed je best doen en met jouw tijd!’ Het kind stond op en marcheerde stampvoetend het terras af; langs onze tafel, de blik naar de grond, richting de kerk. Kennelijk had het op deze dag van haar vakantie behoefte aan een heel andere vorm van ouderlijke liefde. De vader, die zich het minst had laten horen, nam het fototoestel dat al die tijd op zijn buik had liggen bungelen in zijn handen, richtte de lens op een paar oude geveltjes en verliet zijn zitplaats. Met een beteuterd gezicht bleef mama achter.

Wiens ambitie?

Wie wil eigenlijk wat graag bereiken? Gaat het om het kind, of gaat het om de ambitie van de ouders? ‘Investeren’ is tenslotte grotemensentaal.

Hoewel het zich in moderne woorden afspeelde, lijkt ons tafereeltje sterk op de oude tijd. Toen bepaalden autoriteiten wat goed voor je was. Je vader had graag gestudeerd, maar bezat niet de middelen? Dan was het aan jou om de inhaalslag te maken. Geprojecteerde ambitie? Het werd je recht voor zijn raap opgediend.

Nu brengen we de boodschap omfloerster, met een schijn van keuze. Intussen is de druk enorm: als mijn ouders dit allemaal voor mij overhebben … – en de kiem voor schuldgevoelens is gelegd. Hoezo is ouderliefde onvoorwaardelijk?

Ouderangst

Vaker waarschijnlijk, is er helemaal geen sprake van een geprojecteerde ambitie. Vaker waarschijnlijk, gaat het om een oprechte onderhuids sluimerende ouderangst. We leven in een wedloopmaatschappij en die wedloop zet zich door in de opvoeding van kinderen. Koen Haegens (2012) roert in zijn boek Neem de tijd een dilemma aan waar veel huidige ouders mee worstelen. Ik citeer:

‘Het overgrote deel van de ouders wil niets liever dan hun kinderen een fijne jeugd geven. Meer gelatenheid? Prima! Maar als puntje bij paaltje komt, handelen ze anders. Uit angst dat hun kroost de aansluiting verliest met leeftijdgenootjes die wél worden onderworpen aan een opvoeding waarin presteren centraal staat.’

Dus verkiezen veel ouders liever de tredmolen voor hun kind dan een ontspannen jeugd waarin ze zichzelf mogen ontdekken en nog even niet bezig hoeven te zijn met ambities. Koen Haegens haalt de Britse socioloog Frank Fuerdi aan. Deze plakt er de titel ‘paranoid parenting’ op: er ontstaat een vorm van opgefokt opvoeden. Kinderen mogen geen kind meer zijn.

Fuerdi beroept zich onder andere op Amerikaans onderzoek. Daaruit blijkt dat kinderen tussen 1981 en 1997 zestien procent minder werkelijke vrije tijd hebben gekregen. Inmiddels zijn we twintig jaar verder. Ik geloof niet dat het percentage gedaald is; evenmin geloof ik dat het verschijnsel tot Amerika beperkt is gebleven.

Superioriteit

De moeder uit ons voorbeeld heeft een punt. Het is waar wat zij zei op het terras; het is leuk om iets heel goed te kunnen. Het is vooral heel leuk om de weg naar dat punt toe te bewandelen. Er is namelijk maar weinig dat zich kan meten met het genot dat je ervaart bij het streven naar meesterschap.

Maar er is iets waar we ons bewust van dienen te zijn. Al gauw wordt het streven naar meesterschap een streven naar superioriteit. Raj Raghunathan (2016) – hoogleraar aan de universiteit van Texas en expert in menselijk gedrag – noemt dat als één van de doodzonden van geluk in zijn boek Als je zo slim bent, waarom ben je dan niet gelukkig?.

Streven naar superioriteit staat ons geluk in de weg. Dat geldt niet voor superioriteit zelf; daar worden we juist gelukkiger door. Raj Raghunathan haalt de beroemde Whitehall-studies aan die dat bewijzen. Mensen met een hogere status hebben meer zelfrespect en voelen zich autonomer (hebben het gevoel meer controle over hun leven te hebben). Dat zijn twee grote accelerators van geluk.

De angel zit dus in ‘streven naar’. Maar hoe moet het dan? Als ik er niet naar mag streven, hoe kan ik dan een hoge status bereiken? Want blijkbaar heb ik superioriteit wel nodig, of op zijn minst kan het gevoel ervan mij helpen om gelukkig te zijn.

De maatstaven

Waar gaat het mis?

In de manier waarop we onszelf motiveren. We maken er een handeltje van. Het wordt een ‘voor wat hoort wat’. Op het terras zagen we het al gebeuren: ‘Wij investeren met tijd en geld, en jij investeert met heel goed je best doen en met jouw tijd!’ Op die manier halen we er extrinsieke beloningen bij – of afstraffingen, als de geldkraan wordt dichtgedraaid.

Het probleem met ‘streven naar’ is dat er zelden objectieve maatstaven zijn om een superioriteitsniveau te meten. Want vertel mij maar eens wie genialer was: The Beatles of Bach. Daarom klampen we ons vast aan maatstaven die irrelevant zijn, maar ons wel logisch toeschijnen: extrinsieke maatstaven.

Ons ‘streven naar’ wordt een najagen van geld, roem en bezittingen – en macht als het gaat om politiek en besturen. Die maatstaven zijn namelijk zichtbaar voor anderen. We hanteren ze graag, hoe weinig ze ook zeggen over onze werkelijke superioriteit. Maar helaas, dat gedrag blijkt een belangrijke sta-in-de-weg van ons geluk. Het werkt schadelijke ratrace-stress in de hand en het is een recept voor depressie en burn-out.

Door te streven naar superioriteit verliezen we wat feitelijk wel relevant is uit het oog. Dat is dat we plezier halen uit onze inspanningen zelf. Ze dienen ons intrinsiek te motiveren.

Tijd om aan te klooien

Het is inderdaad heel leuk als je iets heel goed kunt. Dat ‘iets’ moet dan wel goed bij je passen; bij jouw talenten, interesses en vaardigheden. Dan wordt de verrichte arbeid om steeds beter te worden autotelisch: lonend vanuit zichzelf.

Het is daarom goed voor een kind om wat aan te klooien, zeker in de vakantietijd. Laat het zichzelf ontdekken. Het hoeft heus allemaal niet zo opgefokt. De ambities komen vroeg genoeg. En beter dan dat ze worden opgedrongen, ontkiemen ze vanuit het spel.

Een woord over de auteur

Stan Lenssen

Professional Certified Coach – PCC gecertificeerd door ICF – International Coach Federation. Ik ben mateloos gedreven om mensen te stimuleren het beste in zichzelf te ontdekken en te activeren, zodat ze hun leven kunnen vormgeven op een manier die bij hen past en die hen gelukkig maakt.

4 reacties… add one

  • Sjeng Lenssen 12 aug 2017, 10:19

    Goed stuk Stan! Plezier halen uit de inspanning zelf, dat is essentieel voor geluk. Maar om dat aan de buitenwacht te “verkopen”, dat is nog een hele klus. Je omgeving kijkt vaak naar een ander resultaat. Een resultaat uitgedrukt in geld of ander tastbaar gewin. Vaak hoor ik dit: “Veel inspanning, dan moet je ook veel geld verdienen.” Geen woord over veel geluk. Dat levert spannende discussies op :-).

    • Stan Lenssen 12 aug 2017, 15:44

      Jazeker, er is een spanningsveld dat makkelijk voor discussie zorgt. Immers, het plezier is een resultaat voor jou. Maar dat hoef je dan ook niet aan de omgeving te “verkopen”. Klant en andere belanghebbenden zijn op zoek naar het materiële gewin. Gelukkig sluit het een het ander niet uit. Er is zelfs een sterke positieve wisselwerking: hoe meer plezier jij uit je inspanningen haalt, hoe beter de prestaties zullen zijn. Daar profiteert de omgeving – klant en andere belanghebbenden – dan weer van. Jouw plezier tovert je uitstekende argumenten in handen om datgene te verkopen dat verkoopbaar is: prestaties.

  • Hubrien Meijaard 12 aug 2017, 11:01

    Mooi Stan, voor mij juiste tekst op juiste moment, dankjewel!

Geef een reactie