Met pen en penseel

Een twijfelachtige stellingname over taal.

Maandagavond 8 oktober 2018, een kleine zaal in Amsterdam-Oost. De inrichting is minimaal: zandkleurige panelen aan de wanden, roomwitte tapijttegels op de vloer, geen meubels. Aan de straatkant reikt een glaswand van de vloer tot het plafond. Rijstpapieren schuifpanelen voorkomen dat van buiten te zien is wat zich binnen afspeelt. (Of is het dat je binnen niet kunt zien wat zich buiten afspeelt?) Het is er schemerdonker. In een kleine nis, achterin, brandt een theelicht naast een boeddhabeeld. In deze ruimte zijn we bijeen met veertien mensen. We zitten blootsvoets met gekruiste benen op zwarte kussens, in een carré. De ogen zijn gericht op een vrouw in donkere kleding; ze zit aan het hoofd van de carré.

De kleine zaal is een zendo, een ontmoetingsruimte waar zenbeoefenaars samenkomen om te mediteren en levensbeschouwelijke thema’s te bespreken. Ook wordt er lesgegeven in het zenboeddhistische gedachtegoed. Voor mij is dit vertrouwd terrein. Al twee en een half jaar is de maandagavond mijn vaste ‘zen-avond’. Sinds twee maanden is het de donker geklede vrouw die op deze avond lesgeeft. Ze heeft zojuist een stukje voorgelezen uit het boek Non-dualiteit in de praktijk van Rients Ritskes en Arthur Nieuwendijk. Ze herhaalt een paar woorden uit dat stukje: ‘… dat het menszijn een woordspel is …’ ‘Die zinsnede is interessant,’ onderwijst ze, ‘hij vertelt ons dat de mens een talig wezen is. In dat besef zit een diepere laag, want taal is dualistisch. Dat maakt het tot een gebrekkig instrument om de werkelijkheid mee te beschrijven. Maar het is het instrument waar we het mee moeten doen, iets anders hebben we niet. Wat meteen tot gevolg heeft dat we de wereld nooit volledig kunnen begrijpen.’

Het is een boodschap waarvan de inhoud onbetwistbaar lijkt. Maar voor mij, zittend op het zwarte kussen, roept die inhoud direct vragen op. Is het waar dat wij de wereld nooit volledig kunnen begrijpen? En heeft de mensheid die ambitie dan? De vrouw die ons lesgeeft impliceert van wel, althans ik hoor in haar woorden een zekere onmacht en frustratie: de wereld moet begrepen worden maar de mensheid wordt daarin gedwarsboomd. Dat zijn onmacht en frustratie die duiden op ambitie. Ik geloof ook dat we als mensheid de wereld om ons heen volledig willen begrijpen; ik kan haar daarin volgen. Maar waar ik haar slecht in kan volgen, is waarom het instrument taal ons plan zou dwarsbomen. Zijn wij dan alleen afhankelijk van taal als instrument om de wereld weer te geven zoals zij is? En klopt het wel dat taal te gebrekkig is om de werkelijkheid te beschrijven?

Mijn gedachten gaan naar het boeddhistische wereldbeeld. Dat is non-dualistisch. Het is een wereldbeeld dat ervan uitgaat dat alles in elkaar overloopt: er bestaan geen op zichzelf staande objecten en wezens, en geen oorzaak en gevolg. Maar er is wel beweging; die heet verandering. Ik beeld me die wereld in als een veelkleurige nevel waarin continue beroering is. Ik zie slierten in ontelbaar veel tinten: rood, paars, geel, blauw, groen, … Ze vloeien in elkaar over, ze verwaaien, ze vormen weer nieuwe tinten en nieuwe slierten. De nevel haalt fantastische capriolen uit in een eindeloze beweging van kleuren, zoals een fractal op een computerscherm. Niets in die beweging verraadt een aanzet tot een nieuwe capriool of de afronding van een bestaande capriool. Er is geen capriool met een beginpunt en een eindpunt; toch volgt in mijn waarneming de ene op de andere, het gaat maar door en door.

Een non-duale wereld is inderdaad lastig met taal weer te geven, want taal maakt met haar woorden de wereld statisch. Zij deelt de wereld in in vaste hokjes; zij brengt grenzen aan, terwijl in mijn ingebeelde nevel (de non-duale wereld) geen grenzen bestaan. Toch maakt dat naar mijn gevoel taal niet gebrekkig. Omdat die veelkleurige nevel die continue in beroering is zo ongrijpbaar is, heb ik behoefte aan handvatten. Ik wil de wereld immers kunnen begrijpen – de menselijke ambitie. Blijkbaar heeft mijn mensenbrein daar de hulp van een instrument als taal bij nodig.

Taal zorgt dat ik de dingen kan benoemen, waardoor ik de dingen kan onderscheiden. De grenzen die taal aanbrengt zijn niet gebrekkig, ze zijn nuttig, want pas wanneer ik de dingen kan onderscheiden, kan ik ze echt zien. Dankzij taal kan ik stukjes van de wereld isoleren. Daar kan ik als mens iets mee; de kolkende, ongrijpbare nevel wordt een vriendelijke wereld, een van mensen, planten, dieren, landschappen, rivieren en oceanen. Ik gebruik bijvoorbeeld het woord bloem en de beweging van groene, gele en rode slierten neemt een herkenbare vorm aan: ik zie een steel, loof, bloembladeren, meeldraden en een stamper. Die vorm is een concept dat ik begrijp, waar ik een functie aan toe kan kennen.

Zo’n bloem zou ik overigens ook kunnen tekenen. Het is zeker niet zo dat wij mensen alleen afhankelijk zijn van taal om de wereld mee weer te geven. We hebben nog zoveel andere instrumenten tot onze beschikking: we kunnen de wereld schilderen, we kunnen haar beschrijven in muziek, we hebben de wiskunde om haar in rekenkundige wetten uit te drukken enzovoort. We gebruiken een verscheidenheid aan uitdrukkingsvormen om de wereld in onze greep te krijgen. Zo bekijken we haar van alle kanten en leren we haar steeds beter kennen.

Soms lopen de uitdrukkingsvormen in elkaar over. Die gedachte voert me twee maanden terug in de tijd. Ik zie mijn oude zenleraar voor me, op datzelfde zwarte kussen als waar tegenwoordig op de maandagavond de donker geklede vrouw zit. Ik mocht hem graag. Wat ik vooral in hem waardeerde, waren zijn bescheidenheid en zijn twijfels. Hij was een stille, kritische denker. Hij nam niets voor zeker aan. Ik vraag mij af of hij taal ook zo stellig als duaal zou hebben bestempeld. Ik vermoed dat hij daarin terughoudend zou zijn geweest. Twee maanden terug overleed hij, totaal onverwacht. Van zijn hand is één dichtbundel verschenen: Omver. In 1980. Onder het pseudoniem Th. van Schoonhoven. Hij was toen vierentwintig. Daarna heeft hij nooit meer iets gepubliceerd. Hij wilde wel, maar het kwam niet uit zijn handen. Dat begreep ik van vrienden van hem, na zijn dood. Hij vermengde in zijn bundel taal met schilderkunst. Met de pen als penseel en woorden en leestekens als verf, creëerde hij prachtige, haast abstracte beelden. Zoals dit:

breed. breder dan het doorzicht toe
laat ligt landschap achterover

neer. aanblik van bovenaf
/je slaat in scheervlucht gade

rest

Afbeelding: Landscape at Collioure, Henri Matisse, 1905 – Museum of Modern Art, New York

Een woord over de auteur

Stan Lenssen

Professional Certified Coach en schrijver - gecertificeerd door ICF: de International Coach Federation, die staat voor kwaliteit in coaching. 'Ik voel me mateloos gedreven om mensen te stimuleren het beste in zichzelf te ontdekken en te activeren, zodat ze hun leven kunnen vormgeven op een manier die bij hen past en die hen gelukkig maakt.'

0 reacties… add one

Geef een reactie

Privacyverklaring