Ongemakkelijke ontdekkingen

We hebben vaak geen gelijk gekregen – zoals die ene, lugubere keer …

Heel arrogant hebben wij lang gemeend dat we ver boven het dierenrijk stonden: wij konden denken, wij konden creëren, wij konden werktuigen hanteren.

Totdat een jonge secretaresse van een Brits instituut in de jaren zestig in Tanzania onderzoek ging doen naar het gedrag van chimpansees in het wild. Ze zou er wereldfaam mee vergaren – haar naam was Jane Goodall. Zij bracht ons tot de ongemakkelijke ontdekking dat de mens helemaal niet zo verheven is boven zijn aardse medeschepselen.

Die conclusie werd gevoed door vele gebeurtenissen, waaronder een verbijsterende.

Wij dachten dat we de enige wraakzuchtige, oorlog voerende wezens waren. Zelfs daarin toonden wij ons arrogant. Maar Jane Goodall was er getuige van dat twee groepen chimpansees elkaar in een veldslag op leven en dood bevochten.

De ene groep had zich afgescheiden van de andere groep. Waarschijnlijk wilden zij een nieuwe kolonie stichten. De andere groep kon dat niet accepteren; de chimpansees zetten massaal de achtervolging in. Hun agressie ontaardde in een totale slachting van de afgescheiden groep. Pas toen het laatste individu was vermoord, trokken de chimpansees zich terug. De lijken van hun voormalige koloniegenoten bleven als stille getuigen achter, verscheurd en aangevreten, hangend in de bomen en liggend op de bodem van de jungle.

Jane Goodall was zwaar ontdaan door de moordpartij; tot dan toe had zij de sociale chimpansees alleen meegemaakt in hun liefdevolle en zachtaardige gedragingen. Zij was echter niet verrast, het was de zoveelste parallel die zij ontdekte tussen mens en aap.

Oorlog voeren als een ontnuchterend aards fenomeen, dat zich niet beperkt tot mensen. Het zit in de genen van meerdere soorten, in elk geval in die van andere primaten. Dat was een ongemakkelijke ontdekking.

We hebben ons wel meer vergist. Laten we het Afrikaanse oerwoud verlaten om ons te begeven naar de exclusieve jungle van homo sapiens.

Totaal verkeerd ingeschat

Iedereen die ouder is dan veertig, heeft het beeld waarschijnlijk nog haarscherp op het netvlies; het ging in de vroege zomer van 1989 als groot nieuws de wereld over, ongetwijfeld tot grote woede van de toenmalige Chinese machthebbers. En iedereen die jonger is, kent het ook; het is een iconisch symbool geworden van vreedzaam protest tegen een totalitaire macht: de Tankman – één moedig individu blokkeert in zijn eentje een colonne tanks in de straten van Peking, zijn onbeschermde lichaam is zijn enige wapen.

De colonne stopt, de voorste tank zet zijn motor af. De Tankman heeft gewonnen. Het tafereel van deze krankzinnig ongelijke confrontatie speelt zich af op 5 juni 1989, kort nadat het Chinese regime de studentenprotesten op het Tiananmenplein (het Plein van de Hemelse Vrede) bloedig heeft neergeslagen. Iedereen in het Westen dacht: nu gaat het gebeuren, China zal eindelijk een democratie worden, dat is niet meer tegen te houden. Aan die onvermijdelijkheid werd kracht bijgezet toen later dat jaar in de Oostbloklanden de communistische regimes als dominoblokjes omvielen.

Maar het gebeurde niet. De geschiedenis toverde een heel andere loop der gebeurtenissen uit haar hoge hoed: China rechtte haar totalitaire rug en werd booming business.

En de Chinezen zelf? Zij toonden zich na Tiananmen 1989 helemaal niet in de ban van een democratiseringsstreven. Er bleek een pact gesloten tussen het communistische bewind en het volk: eerbiediging en acceptatie van de hegemonie van de partij, in ruil voor een groeiende materiële rijkdom met de belofte van uiteindelijk welvaart voor iedereen. Het pact werkte.

Het blijkt nog steeds te werken. Wij – het Westen – hebben het totaal verkeerd ingeschat. Wij meenden dat er een relatie bestond tussen een groeiende welvaart en democratisering: als een land zich ontwikkelt, wordt het volk mondiger, het kan niet anders dan op een bepaald moment democratisch worden. Dat was het patroon geweest in onze landen in de afgelopen paar eeuwen – we concludeerden voor het gemak dat het een wet was.

Maar de wetmatigheid blijkt niet te kloppen. Niet elk volk zit te wachten op democratisering. Het was een vergissing om te denken dat de Chinezen, met hun confucianistische inslag, zich als westerlingen zouden openbaren. Respect voor hiërarchische verhoudingen is voor hen minstens zo’n belangrijke waarde als voor ons de vrijheid van meningsuiting (leestip: Verbijsterend China van Jan van der Putten (2015)).

Misschien wordt China ooit een democratie – wie zal het zeggen? Voorlopig lijkt het er niet op. Vind je dat een ongemakkelijke ontdekking? Probeer dan eens antwoord te geven op deze ongemakkelijke vraag: hoe zou het toch komen dat het maatschappijmodel van de ruimdenkende westerling niet overal juichend ontvangen wordt als de best denkbare route naar een goed leven?

De pech van een foute postcode

Iedereen is gelijk, hoewel de een net een beetje minder gelijk is dan de ander – ziehier onze maatschappij in een notendop.

Jazeker, wij kennen een liberaal stelsel waarin iedereen gelijke kansen heeft. Het functioneert perfect – op papier. Maar zodra de letters tot leven komen en het papier afdwarrelen, vormt zich een heel andere realiteit.

De Amerikaanse filosoof John Rawls (in 2002 overleden) had er een haarscherp oog voor. Hij wist dat de vrijzinnige westerse maatschappij haar zegeningen niet voor iedereen even toegankelijk aanbiedt. Ook in zijn Verenigde Staten, het land van de ‘onbegrensde mogelijkheden’. De grenzen zijn er wel degelijk. Je hoeft maar toevallig niet-blank te zijn geboren, je wieg hoeft toevallig maar te staan in een arm arbeidersgezin. Dat is een slechte start van je leven; je hoort van meet af aan bij de minder gelijken. Hij schreef er zijn klassieker over: A Theory of Justice. Voor Bill Clinton was dat boek een grote inspiratiebron.

Wij leven in een klassenmaatschappij, ook in West-Europa. Ik draai mee als coach in projecten van de organisatie JINC. JINC vindt dat elk kind in onze Nederlandse samenleving een eerlijke kans verdient op geluk en succes. Maar helaas bepaalt de postcode waar een kind geboren is of opgroeit nogal eens dat het zo’n kind minder goed vergaat. JINC ondersteunt jongeren in zo’n positie, onder andere door middel van coaching. Ik zie in die coachings een heel andere kant van Nederland; het is bepaald niet de rooskleurigste.

John Rawls haalde West-Europese landen vaak aan als voorbeelden voor hoe het beter kan. Een mooi compliment, maar ook wij zijn er nog lang niet.

Wie in het Westen in een lage sociale klasse geboren wordt, moet wel heel erg haar of zijn best doen om die positie te ontstijgen. Kinderen uit rijke milieus, kinderen van blanke ouders, kinderen uit gezinnen waarvan de ouders hoger onderwijs hebben genoten; ze hebben allemaal grotere kansen op succes in onze ‘vrije’ maatschappij.

Natuurlijk zijn er ook succesverhalen uit die andere klassen. Ze worden graag en veel genoemd. Voor ons gevoel is er daarom vaak niets aan de hand: als je maar echt wilt, kan iedereen boven komen drijven. De bombarie van de succesverhalen is indrukwekkend, maar ook vertekenend. De statistieken bewijzen dat ze absoluut geen maatstaf zijn. John Rawls maakte het heel zichtbaar: als je de pech hebt dat je ‘verkeerd’ geboren bent, heb je niet zoveel te willen.

Is dit een ongemakkelijke ontdekking? Nee toch, we wisten het al. Maar het wordt makkelijk vergeten, dus is het goed om het nog eens hardop in schrift uit te spreken: er is weinig sprake van een vrije keuze voor geluk en succes in de liberale maatschappij, je moet eerst een winnend lotje trekken in de loterij van ongelijke startposities.

De scheppers ontmaskerd

Hoe vrij zijn wij in de benutting van onze creatieve vermogens? Je kent vast wel de bekentenis van de romanschrijver. Hij kan niet verklaren hoe hij het allemaal verzint, hij zegt: ‘Ik weet niet waar het vandaan komt, ik moet er gewoon voor gaan zitten, en op een gegeven moment komen dan de woorden. Ze worden me als het ware ingegeven, ik ben een doorgeefluik van een onbekende wereld – niet meer dan een medium.’

Dit is niet alleen de waarheid van de schrijver, het is ook die van de wetenschapper, de redenaar en de kunstenaar. Ook die van de architect, de computerprogrammeur en elk ander scheppend beroep. Zij zijn niet de scheppers, zij geven slechts iets door. Ze combineren ‘dingen’ in hun hoofd. Dat combineren leidt tot patronen van ‘dingen’, hetgeen we creaties noemen.

En ook al zijn de schrijver, de wetenschapper, etcetera allemaal slechts een medium, combineren kan best hard werken zijn, dus we gunnen ze alle credits. Maar de ‘dingen’ zijn niet van hen, ze hebben ze ergens ‘opgedaan’. Slechts een heel zeldzame keer krijgt een nieuw patroon van ‘dingen’ zelf ook de status van ‘ding’. Als dat gebeurt dan heet je Einstein.

We zijn aangeland bij de memetica. Dat is de studie naar de evolutie van ‘dingen’, naar analogie van de genetica. ‘Dingen’ zijn ideeën, concepten, formules en meer van dat soort zaken; denk aan het alfabet, een begrip als ‘toilet’ (dat ons precies toont wat we bedoelen), of E=mc2. Deze dingen heten memen in de memetica. Memen zijn de informatiedragers van cultuur, net zoals genen de informatiedragers van leven zijn.

Memen lijken in hun ontwikkeling ook sterk op genen. Zo kunnen memen muteren, groeien, en verbintenissen en kruisingen aangaan met andere memen. Stel je ze voor als heimelijke virusjes die zich voortplanten en vermenigvuldigen van mens tot mens. Het virusdragende orgaan is het mensenbrein, en de communicatie tussen mensen is de overbrenger van het virus.

Cultuur is dus een aandoening van een ‘memetisch virus’ dat wij van elkaar ‘opdoen’. De aandoening en het virus ontwikkelen zich voortdurend. Het is een vriendelijk virus: meestal gedraagt het zich symbiotisch en hebben wij er als soort veel voordeel van. Een enkele keer gaat het mis – soms met rampzalige gevolgen.

Terug naar de scheppende mensen. Scheppen zij als individu? Is het hun originaliteit? Ze zeggen het eigenlijk zelf al: het is iets dat hen overkomt. Hun brein is niet veel anders dan een ‘universele machine’ (uit Het bewustzijn verklaard van Daniel Dennett (1999)) die memen verwerkt en beheert. Uiteindelijk komt de eer ons allen toe, en niet een enkel ego.

Hoe ongemakkelijk is deze ontdekking? Dat wordt hij wellicht pas als jij toevallig zo’n ego bent. Maar de scheppende mens is niet Da Vinci, Bach of Harry Mulisch; de scheppende mens is een netwerk van ‘universele machines’.

Niets meer dan hormonen, genen en synapsen

Homo sapiens slaat de plank makkelijk mis. Dat toonden ons de oorlog voerende chimpansees van Jane Goodall. We zitten er ook nogal eens naast als vrijdenkende westerlingen. Dat zagen we aan die andere voorbeelden:

  • De democratie die niet overal met handgeklap wordt verwelkomd.
  • De ongelijkheid die zich voordoet in onze samenleving van gelijke kansen.
  • De vergissing dat de grote vindingen het werk zijn van de geest van het individu.

Dus mag het alsjeblieft een onsje meer bescheiden?

Wij zijn een stukje aarde, een product van de natuur. Wij staan er niet boven, noch erbuiten. De bewijzen worden steeds luider ‘dat menselijk gedrag wordt bepaald door hormonen, genen en synapsen – dezelfde krachten die het gedrag van chimpansees, wolven en mieren bepalen’. Het zijn de woorden van Yuval Noah Harari (2017) in zijn ontnuchterende bestseller Sapiens.

Uiteraard kan het ongemakkelijk voelen om te moeten constateren dat ons liberale denken en onze ethische ideeën steeds meer ondermijnd worden door de harde biologische ontdekkingen dat er geen ziel bestaat, geen ik, geen vrije wil.

Het worden hinderlijke ontdekkingen gevonden. Ze drukken ons namelijk met de neus op een nieuwe werkelijkheid, eentje waarin onze liberale en ethische waarden hard aan revisie toe zijn. En tegelijkertijd leveren die ontdekkingen ook een groot, kansen biedend inzicht: wij zijn geen individuen, maar samenwerkende noten in een totale compositie – die van de natuur. Juist in die samenwerking kunnen we ongekende dingen bereiken. Kijk maar hoe die zich symbiotisch voortplantende memen de aarde de culturele evolutie brachten.

En gelukkig, we zijn niet altijd arrogant. ‘Ignoramus’ – we weten niet – is een van de grote drijfveren achter onze wetenschap. Zij is een bewijs van onze bereidheid om onszelf in twijfel te trekken. Ergens hebben we dus ook nog lef. Als een probleem ons maar voldoende prikkelt …

Een woord over de auteur

Stan Lenssen

Professional Certified Coach en schrijver - gecertificeerd door ICF: de International Coach Federation, die staat voor kwaliteit in coaching. 'Ik voel me mateloos gedreven om mensen te stimuleren het beste in zichzelf te ontdekken en te activeren, zodat ze hun leven kunnen vormgeven op een manier die bij hen past en die hen gelukkig maakt.'

0 reacties… add one

Geef een reactie (een * betekent een vereist veld)

Privacyverklaring