Onsterfelijkheid

Het wezen achter het traliehek is een walgelijk stinkende, aapachtige viervoeter, gekleed in niets anders dan de voddige overblijfselen van een vervuild hemd. Een zijden sjerp, die ooit blauw moet zijn geweest, spant diagonaal over zijn gespierde borst, en aan een koordje rond zijn nek hangt een amulet met een afbeelding van Sint Joris en de draak, in goud en emaille. De poten van het wezen zijn bedekt met een vervilte vacht van ruw, rossig haar.

Zich oprichtend, intussen met zijn handpalm zijn sjerp gladstrijkend en pulkend aan het koordje van zijn sieraad, murmelt hij met een zangerige grom iets wat lijkt op een melodie, onderwijl pissend op de grond. Het geneurie is een vervormde herinnering aan de serenade uit Mozarts Don Giovanni; de aap is de Vijfde graaf van Gonister, tweehonderdeneen jaar oud.

De juveniele aap

Er bestaat een hypothetische theorie die ervan uitgaat dat de mens een juveniele aap is die geslachtsrijp geworden is. Dat is een radicaal idee: homo sapiens als aap die het stadium van volwassenheid in de evolutie verloren heeft. Het zou onze kaalheid verklaren en onze lichamelijke onbeholpenheid; desalniettemin kunnen we wel nageslacht krijgen en redt ons bovenmatige brein ons (voorlopig) van het delven van het onderspit tegen de fysieke oppermacht van de natuur die ons omringt.

Wij lijken dus op de axolotl, de salamandersoort die het larvestadium nooit te boven komt maar zich wel voort kan planten. In de vorige eeuw waren er enkele nieuwsgierige wetenschappers die op basis van de ‘juveniele hypothese’ experimenten hebben gedaan met de axolotl. Zij wilden wel eens weten welke invloed het zou hebben op het beestje wanneer het hormooninjecties toegediend zou krijgen. Het resultaat kwam verrassend overeen met waar zij op hoopten: er groeide een volwassen salamander uit, van een soort die eerder nooit was vastgelegd.

Één van die wetenschappers was de gelauwerde Britse evolutiebioloog Julian Sorell Huxley (1887-1975). Zijn axolotl-experimenten waren niet voorbijgegaan aan zijn jongere broer Aldous, romanschrijver en dichter, en al minstens even geniaal als Julian. Aldous Leonard Huxley (1894-1963) is bij veel mensen bekend als de auteur van de dystopische roman Brave New World, die verscheen in 1932. Een minder bekend boek van hem, maar een zeker zo fraaie literaire parel, is After Many a Summer Dies the Swan uit 1939. Het thema van het verhaal dat hij daarin vertelt, is geïnspireerd op de axolotl-experimenten van broer Julian.

After Many a Summer Dies the Swan - Aldous Huxley

Boek: After Many a Summer Dies the Swan – Aldous Huxley

Hieronder volgt een microsamenvatting, waarin ik overigens – waarschuwing(!) – noodzakelijkerwijs de plot onthul:

De protagonist uit Huxleys roman, een steenrijke Amerikaanse magnaat in de jaren dertig van de twintigste eeuw, die zich als een kasteelheer met suikerzoete kitsch omringt in zijn pretpark-burcht in Los Angeles, is doodsbenauwd om te sterven. Hij huurt een briljante bioloog in om een elixer te ontwikkelen dat hem het eeuwige leven moet verschaffen. De bioloog komt door een samenloop van omstandigheden tot de ontdekking dat zo’n elixer al bestaat. Het bijzonder onsmakelijke, uiterst eenvoudige recept is vastgelegd in de lang verborgen gebleven familiekronieken uit de achttiende eeuw van een oude adelijke, Britse familie. In die kronieken beschrijft de Vijfde graaf van Gonister – hoogbejaard en steeds meer gekweld door een weigerachtig lichaam – hoe hij door het eten van de rauwe darmen van karpers geheel revitaliseert.

Opvallend is dat uit de kronieken op geen enkele wijze valt op te maken of de Vijfde graaf ooit is overleden. Na een hele reeks verwikkelingen (die ik bij het lezen van de roman regelmatig nog intrigerender vond dan de plot) togen magnaat en bioloog met een klein gevolg de oceaan over naar de Oude Wereld, om daar in Engeland op zoek te gaan naar wat er geworden is van de Vijfde graaf. Hij blijkt nog in leven. Op het oude familielandgoed treffen zij hem aan: een weerzinwekkende curiositeit, verbannen naar een donkere kelderruimte en daar tot volle wasdom gekomen. Hoe dat eruitziet heb je bij aanvang van dit artikel kunnen lezen.

De val van onsterfelijkheid

De roman van Aldous Huxley doet me denken aan de drie grote, nog overgebleven doelstellingen die de Israëlische visionair en historicus Yuval Noah Harari voor de mensheid formuleert in zijn boek Homo Deus – Een kleine geschiedenis van de toekomst: onsterfelijkheid, geluk en goddelijkheid. Die doelen zijn namelijk, net als de wensdroom van Aldous Huxleys protagonist, vol overmoed. Harari bevestigt die overmoed naar mijn gevoel door de zelfvoldane ondertoon die hij gebruikt als hij de nieuwste ambities van homo sapiens opvoert. Ik citeer hem even (2018, p. 32):

‘Succes kweekt ambitie en onze recente prestaties zetten de mensheid er nu toe aan om nog gewaagdere doelen na te jagen. We hebben ongekende niveaus van rijkdom, gezondheid en harmonie bereikt en gezien ons verleden en onze huidige waarden zullen de volgende doelstellingen van de mensheid waarschijnlijk neerkomen op onsterfelijkheid, geluk en goddelijkheid.’

Je vraagt je direct af of die nog gewaagdere doelen niet wat al te prematuur zijn. Anders gezegd: of er vooraf niet nog wat prioritair werk te verzetten valt op het gebied van rijkdom, gezondheid en harmonie. Het zou misschien nog niet zo gek zijn als we ons daar eerst druk over maken. Wellicht komt het dan met geluk vanzelf wel goed en kunnen we, voordat we al te drieste stappen ondernemen, ons in het gelukkige stadium aangekomen nog eens beraden op de mogelijke schaduwzijden die aan een eeuwig leven en een goddelijke status kleven. Wie weet komen we dan wel tot de ontdekking dat die ambitieuze waaghalzerijen ons zojuist bereikte geluk in de weg kunnen gaan staan. En heel misschien ook tonen we dan de moed om naar die ontdekking te handelen. Zo’n gevolgtrekking zou pas van echte goddelijkheid getuigen. Het zou namelijk betekenen dat we onze onmin met Magere Hein eindelijk durven te begraven, waardoor we ons een mensheid tonen die daadwerkelijk boven haar aardse driften uitstijgt.

Maar ik laat geluk en goddelijkheid hier verder voor wat ze zijn en richt me op doelstelling één: onsterfelijkheid – het thema waaromheen Aldous Huxley zijn roman laat ontstaan. Willen we, zoals Harari beweert, dat werkelijk: onsterfelijkheid? Huxley steekt in zijn parabelse verhaal meedogenloos de draak met die ambitie. Voor het eeuwige leven stelt hij een perspectief in het vooruitzicht dat ontdaan is van alle menselijkheid: we worden een harige, stinkende aap die zijn eigen hol bepiest. Zo worden we afgestraft voor onze overmoed en wordt een ‘ja’ op de vraag van net een erg bedenkelijk antwoord.

Aldous Huxley maakt natuurlijk handig gebruik van de ruimte die wij hem in onze verbeeldingswereld bieden; een leven zonder sterven, we hebben geen idee hoe dat eruit zou kunnen zien, zo’n realiteit is ons veel te abstract, veel te reusachtig. Je ziet hem haast grinniken van leedvermaak als hij het vacuüm voor ons invult.

De paradox van onsterfelijkheid

De lotsbestemming van de Vijfde graaf van Gonister is een ‘casus horribilis’ die ons waarschuwt voor de valstrik die hoogmoed voor ons uitzet. Maar behalve dat zij dat is, roept zij ook de afkeer van het ongewisse in ons op. Het uiteindelijke product van onsterfelijkheid zal natuurlijk een open einde van onze levens zijn, dat niet eens een einde is. Maar voelen wij ons bij zo’n scenario nog wel comfortabel? Koesteren wij niet veel liever het overzicht van een heldere kop en staart met daartussenin een tijdlijn waarop we onze levenswensen kunnen afvinken, zodat we het idee hebben dat we de boel in de hand hebben? Die hele helderheid, dat geruststellende idee van voorspelbaarheid valt in duigen als ons de staart wordt ontnomen.

Het eeuwige leven blijkt dus een prijs te hebben die wel eens veel meer pijn zou kunnen doen dan de metafoor van Huxley. Ons lot valt in handen van de angstaanjagende onvoorspelbaarheid van het onbekende. Daar zit een paradox, want hadden we nou juist niet gedacht dat het overwinnen van de dood het ontbrekende sluitstuk is dat we nodig hebben om eindelijk onbegrensde maakbaarheid te ervaren? Nu blijkt echter dat wat we ervoor terugkrijgen wel eens minstens zo bedreigend zou kunnen voelen als de onvoorstelbaarheid van dood zijn. Het is een onzinnige ruil. 

Waar komt deze vreselijke – want niet door te hakken – gordiaanse knoop vandaan? Het antwoord is naar mijn idee voor de hand liggend: homo sapiens is behept met het besef dat hij als individu eens zal sterven. Er hangt een zwaard van Damocles boven ons hoofd en ons treft, misschien wel als enige diersoort, het ongelukkige lot dat wij er weet van hebben. Omdat dat kwellende besef niet uitwisbaar is, zoeken we naar andere wegen om gemoedsrust te vinden. Zo komt het dat we elkaar steeds weer de belofte van onsterfelijkheid voorschotelen. De ene keer is dat serieus bedoeld – Harari – en een andere keer cynisch – Huxley -. De cynische belofte is mij het meest sympathiek omdat we heus wel aanvoelen dat onsterfelijkheid een illusie is.

Het is ploeteren en worstelen om van het grote dreigement af te komen. Soms ben ik jaloers op de meeuwen buiten. Zij laten zich als zweefvliegtuigen meevoeren op de wind. Zij zijn één met de wereld die hen omringt, zonder zich druk te hoeven maken over wanneer het een keer ophoudt. Alles wat ze te doen staat, is de wind onder hun vleugels te voelen en van seconde tot seconde te ervaren waar dat toe leidt – totdat het ook voor hen een keer stopt, maar daar hebben zij vooralsnog geen enkele notie van.

Het alternatief voor onsterfelijkheid

Maar wat als ik die hele paradox nu eens omzeil door het idee van een onsterfelijkheidswens te herformuleren naar minder reusachtige proporties, zodat ik tot een stelling kom die voor mijn beperkte menselijke realiteitszin behapbaar is, en naar mijn idee al gewaagd genoeg. Hier komt ie: we willen gewoon op een prettige manier overleven, gezond en zonder angst zijn en ons goed voelen, en als we dat punt eenmaal genaderd zijn – en ik heb het idee dat veel westerlingen dat voor zichzelf menen – dan is het belangrijkste dat we misschien eigenlijk echt willen, dat alles blijft zoals het is.

Misschien is het wel zo’n zelfde stelling die Aldous Huxley in zijn roman probeert te visualiseren. Want natuurlijk had zijn protagonist zich zijn onsterfelijkheid heel anders voorgesteld. Niet als een eeuwenoude, harige, vervuilde, Mozart-minnende aap; hij had het frivole beeld voor zich van een oneindige voortzetting van lichtzinnige pretparkbelevenissen in een suikerzoet kitschpaleis. Ook hij wilde niets liever dan dat alles bleef zoals het was.

Pretparkbelevenissen in een suikerzoet paleis – hé, wat herkenbaar zijn wij, mensen van 2019, opeens in de wereld van Aldous Huxley van tachtig jaar geleden. Maar na vele zomers – after many a summer – blijkt de realiteit van de zoete wereld uit te pakken als een zwartgallig dianegatief van de oorspronkelijke wens. In 1939 is dat een volwassen aap in een stinkende, getraliede kelder; in 2019 is het een juveniele aap met habitatproblemen die een mogelijk nog donkerder verblijf beloven. Dus waar Aldous Huxley ons mee confronteert is niet de waarschijnlijkheid van het bestaan van een diepe wens die luidt dat alles blijft zoals het is; het is de waarschijnlijkheid van de onvervulbaarheid van zo’n wens, en de waarschijnlijkheid dat het nastreven van zo’n wens ons van de regen in de drup brengt.

Nou weer terug naar mijn stelling. Aldous Huxley volgend, maakt het dus niet uit hoe ik het formuleer; of het nu gaat om het bereiken van onsterfelijkheid of de vervulling van de wens dat alles blijft zoals het is, ik met mijn stelling, of liever gezegd homo sapiens in de praktijk, komt bedrogen uit, hij heeft niets in de hand. Op welke manier hij ook zijn best doet om de tijd stil te zetten, het resultaat is verre van veelbelovend voor zijn gemoedsrust. Er schiet hem vermoedelijk slechts één alternatief over, dat ik persoonlijk overigens best elegant vind: misschien moet hij erop oefenen zich eens wat meer toe te vertrouwen aan de loop van het leven, inclusief het laatste loopje.

Onwillekeurig richt ik mijn blik nu weer op de meeuwen buiten.

Extra bronvermeldingen:

  • De twee aanvangsalinea’s van dit artikel zijn mijn vrije vertaling van een fragment uit het slot van After Many a Summer Dies the Swan van de Engelse schrijver Aldous Huxley, Elephant Paperback edition, voor het eerst verschenen in 1993, pp. 352-355.
  • Het verhaal over de juveniele aap en de experimenten met de axolotl zijn ontleend aan Het verhaal van onze voorouders van Richard Dawkins, 2007, pp. 126-127.
Print Friendly, PDF & Email

Een woord over de auteur

Stan Lenssen

Coacht en schrijft op en over thema's van het leven - Professional Certified Coach - gecertificeerd door ICF: de International Coach Federation, die staat voor kwaliteit in coaching. 'Ik voel me mateloos gedreven om mensen te stimuleren het beste in zichzelf te ontdekken en te activeren, zodat ze hun leven kunnen vormgeven op een manier die bij hen past en die hen gelukkig maakt.'

0 comments… add one

Leave a Comment

Privacyverklaring