Plasticmijn

Iedere keer wanneer ik erlangs loop, komt de ergernis. Ik moet dat niet toelaten – ik ben zen genoeg om dat te snappen.

Onze flat staat in een van de buitenste wijken van de stad. Toen die zestig jaar geleden werd gebouwd (omstreeks mijn geboortejaar) begonnen daarachter de landerijen. Links en rechts van het gebouw lopen twee brede, rafelige sloten. Die strekken zich uit langs nog zes andere flats, identiek aan de onze. De gebouwen zijn verspreid neergezet over een afstand van zevenhonderd meter, met veel ruimte en groen ertussen. De walkanten van de sloten zijn dicht begroeid met riet en wilde planten. Op de oevers staan populieren, iepen, treurwilgen en espen. Van die laatste ratelen de bladeren bij het minste zuchtje wind. Het kruid tussen de bomen staat in het voorjaar en in de zomer hoog. Het bloeit geel, wit, rood en paars. En het ruikt naar de zuurtjes waar ik als kind op sabbelde als we lange autoritten maakten.

De sloten en hun oevers maken deel uit van een ecologische zone die natuurgebieden net buiten de randen van de stad, met elkaar verbindt. Ze bieden watervogels en vissen, en amfibieën, kleine zoogdieren en allerlei ander kruipend spul een semi-natuurlijke doorgang van het ene naar het andere leefgebied. De natte oevergrond is een goede bodem voor zeldzame plantensoorten die normaal in de stad niet voorkomen. Op één plaats worden de sloten onderbroken door duikers om er een straat overheen te laten gaan. Daar staan informatieborden op de stoep die dat van de planten en het kruipend spul allemaal uitleggen. Ze zijn zo geplaatst dat je onder het lezen over het water uitkijkt. Ik heb geluk, ik woon in de stad én middenin de natuur.

Naast een van de sloten, pal tussen ons gebouw en de oever, onder het hoge groen van de oude bomen door, loopt een fiets- en wandeldijk. Ik loop er dagelijks overheen; het is de kant van onze flat-entree. Natuurlijk moet ik dan het groen zien, de bloemen ruiken en het gekwetter van de vogels horen. Maar daar duikt mijn ergernis op. Alles wat ik waar kan nemen zijn frisdrankflesjes en Red Bull blikjes, tassen van Lidl, Dirk en AH, en sigarettendoosjes met de afbeeldingen van gruwelijke mismakingen die hun beoogde uitwerking gemist hebben. Leeggemaakt en afgedankt, neergewaaid en weggeworpen in de struiken. Is de mens de vieste diersoort ooit? Ik geloof het wel, zo gedreven als hij zich omringt met zijn eigen afval.

We prikken wel eens een ochtend zwerfvuil met buurtgenoten. Dan hebben we vuilniszakken vol. Tien is geen abnormale score. Nu lijkt het alsof ik woon op een afvalberg. Maar doe het maar eens in je eigen buurt als je in een grote stad woont; jouw wijk is vast niet anders dan de mijne. Dat prikken helpt. Tegen de rommel – uiteraard – en tegen de ergernis. Je hebt er even invloed op, een beetje. Ik heb wel gemerkt dat ik op moet passen voor de verslaving die ermee gepaard kan gaan. Ik prik daarom met mate.

Onze prikacties zijn natuurlijk geen echte oplossing. Ik heb dus een tijdje terug een mail gestuurd naar de gemeente. Of er van officiële kant iets structureels kan worden ondernomen. Ik heb er in die mail een beetje omheen gejokt, ik heb de boel wat aangedikt. Dat mag voor de goede zaak. Ik heb geschreven dat ik wekelijks afval raap en dat de boel de volgende dag direct weer onder het plastic ligt. Ik heb ook geschreven dat het zwerfvuil deprimerend is en het woongenot bederft, en dat het de gezondheid bedreigt van de mensen en de vogels. Het eerste klopt niet helemaal, het tweede is volledig waar. Mijn mail is goed ontvangen, ik kreeg een nette bevestiging. Het echte antwoord volgt later. Daar zijn wat weken voor nodig, werd mij geschreven. Je gaat niets cynisch lezen nu; ik wacht het rustig af.

Dit voorjaar, op een van de eerste warme avonden, herkende ik een net gearriveerde zomergast toen ik in het schemerlicht onder de hoge bomen door over onze dijk liep. Een kleine, sympathieke vogel. Hij zat ergens hoog. Ik zag hem niet, maar hij verried fluitend wie hij was: ‘Tjiftjaf, tjiftjaf, tjiftjaf.’ Het kwam uit de hoek van de oude spechtenboom die er staat. Ik zocht met mijn ogen langs de bastloze, stompe stam die zich inspant om te bewijzen dat dood hout vol leven is. De kale spechtenboom – een beetje schuin gezakt – is zo doorploegd door keverlarven, uitgehakt door spechten en aangevreten door uitpuilende zwammen dat hij eerdaags om moet vallen. Dat zag ik allemaal, maar geen tjiftjaf. Ik hoorde hem wel nog steeds: ‘Tjiftjaf, tjiftjaf, tjiftjaf.’ Hij moest hoger zitten, bovenin de iep ernaast. De bladeren waren nog niet volgroeid maar toch al te dicht om ertussendoor te kunnen kijken. Ik liep door. Ik had hem gehoord; dat was genoeg en ook al mooi.

Voor de zomergasten moet mijn buurt een paradijs zijn, met zijn beschutting, water en insecten. Ze kwetteren het van zonsopgang tot zonsondergang uit de bomen. Soms gaat het ’s nachts nog door. Daar zorgt de stadsverlichting voor. Hun opgewektheid is verbazingwekkend. Ze nemen af in aantal, maar maken zich niet druk om hun extinctie. Wel om wat daartegenover staat; om de nieuwe generatie die ze jaarlijks hier uit komen broeden en op komen voeden. En om alle rivaliteit, nestenbouwerij en lust die daaraan voorafgaat. Ze gaan hun hormonen achterna. Ze hebben het vast bij het rechte eind. Op elk moment dat ik mij stoor aan het plastic, het papier en de weggeworpen blikjes in hun zomerparadijs, voelen zij het wonder van het leven.

Dit zul je niet geloven! Terwijl ik dit schrijf belt een medewerker van de gemeente. Ik hang net op. We hadden een beleefd gesprek. Met dank voor uw mail en de complimenten voor uw inzet voor uw buurt in Amsterdam. ‘Blijf zichtbaar actief met uw buurtgenoten. Dat werkt heel preventief. Wij van onze kant zullen de veegwagen nog eens langssturen. En de wijkagent, en de buurtbus. Maar verwacht niet teveel. Op het onderhoud van de openbare ruimte wordt bezuinigd. Dat zijn oude afspraken.’

Zodra we zoveel era verder zijn dat de grote steden verkruimeld zijn, uitgewist en onder dikke lagen sediment bedolven, en het antropoceen prehistorie is, is er vast een nieuwe intelligente soort die homo sapiens verdrongen heeft. Die kan er dan een spade in de grond steken en er een plasticmijn beginnen.

Print Friendly, PDF & Email

Een woord over de auteur

Stan Lenssen

Coacht en schrijft op en over thema's van het leven - Professional Certified Coach - gecertificeerd door ICF: de International Coach Federation, die staat voor kwaliteit in coaching. 'Ik voel me mateloos gedreven om mensen te stimuleren het beste in zichzelf te ontdekken en te activeren, zodat we ons leven hier kunnen vormgeven op een manier die iedereen gelukkig maakt.'

0 comments… add one

Leave a Comment

Vorige:

Volgende:

Privacyverklaring