Sbs, de dubbele mindfuck

Is het verdwijnen van de kuifleeuwerik uit Nederland een teken van beschaving?

Honderd jaar geleden was het beestje hier een algemene vogelsoort, dertig jaar geleden moest je moeite doen om hem te spotten, nu geldt hij bij ons als uitgestorven. Ik lees op Wikipedia dat de voornaamste oorzaak van zijn verdwijnen uit Nederland het ontbreken van rommelige veldjes is. Een beetje chaos, daar houdt hij van, maar wij zijn de ruimte hier minutieus gaan ordenen.

Vanuit de lucht gezien, door mensenogen, ziet Nederland er fantastisch uit; een aaneenschakeling van regelmatige vlakken in tinten groen, versierd met geometrische slingers van repen grijs, zwart en zilver – betonnen wegen, asfalt en waterlopen. Daartussendoor kleurige mozaïeken van bebouwing. En jawel, ook hier en daar heeft de natuur een grillig lijntje mogen trekken. Uiterst spaarzaam staan we dat nog toe. Voor onze ’s zondagse wandeling – natuurschoon als toeristische attractie.

Geen stukje grond ligt hier lang braak. Nog voordat iets er op kan schieten en zich vestigen, wordt ruwe Hollandse grond omgeploegd en aangeplant, of glad gewalst en volgebouwd. Gras erover, een akker, een plantsoen, een nieuwe wijk, een bedrijventerrein. En na de artificiële constructie wordt het allemaal netjes bijgehouden; wij houden ons landschap graag onder controle.

Onze kuifleeuweriken, ook vanuit het perspectief van boven, dachten er vermoedelijk steeds vaker het hunne van: niet ons idee van een thuisgevoel. Stilletjesaan zijn zij vertrokken.

Als kind in de jaren zestig heb ik het beestje goed gekend. Hij was klein en grijsbruin; een mus met kuif, in mijn kinderogen. Ik weet nog precies waar ik hem vaak tegenkwam. Dat was in Den Bosch-Zuid, de wijk waar ons gezin toen woonde. Aan de buitenste rand daarvan had je een groot water – de Zuiderplas – en natuurgebied de Pettelaar. Die zijn er nog, maar niet zo ruig als toen. Toen was het in dat gebied een mengelmoes van poelen en zandverstuivingen, en nieuw verrijzende woningen en gebouwen. Het gebied was volop in ontwikkeling. Het barstte er van de pokdalige knollenveldjes vol hoog opgeschoten onkruid en zoemende insecten. Je kon er geweldig spelen. Dat vond ook de kuifleeuwerik. Ik, mijn broertjes, zusjes en de andere kinderen uit de buurt zagen hem daar veelvuldig.

De kuifleeuwerik hoort al lang niet meer bij het beeld van Nederland. Veel jongvolwassenen van nu kennen hem niet. Ik betwijfel of mijn neven en nichten – de kinderen van mijn broers en zussen, zij horen tot die jongvolwassenen – hem ooit in hún speelpartijen tegen zijn gekomen. Ik mis ‘m. Er is iets opgeschoven in de natuur, er is iets verdwenen, dat wat eerst gewoon was en erbij hoorde. Maar kan de jonge generatie de kuifleeuwerik ook missen? Vermoedelijk niet. En dat geldt voor veel meer diersoorten en planten. Voor hen is de armere staat van Nederland normaal – zij hebben andere jeugdherinneringen.

Generatieamnesie

Het niet kennen van het gemis van de kuifleeuwerik, dat de meeste jongvolwassenen in Nederland treft, kun je koppelen aan een concept dat biologen en ecologen het shifting baseline syndrome (sbs) noemen. Ik las daarover in het boek Extinctie (2019, p. 48) van hoogleraar filosofie en Denker des Vaderlands (2017-2019) René ten Bos.

Het sbs beschrijft hoe in onze perceptie van ons leefgebied verschuivingen in dat leefgebied tot de norm worden verheven. Denk eens aan de troep op straat na Koningsdag, en dat de nacht erna de gemeentewerkers in pelotons en met vracht- en veegwagens op pad moeten om de stoep en weg opnieuw begaanbaar te maken. Er was een tijd dat we ons plekje op de vrijmarkt na gedane zaken netjes achterlieten, dat was niet meer dan logisch. Maar we zijn een ander beeld de norm gaan vinden; de gedienstige gemeenschap ruimt het wel op.

Het sbs is een syndroom dat mensen blind maakt voor de aftakeling van hun leefomgeving en hun ideeën daarover. Het lijkt een aandoening – niet van het menselijk gestel, maar van het menselijk ras. Ik gaf het voorbeeld van Koningsdag om duidelijk te maken dat je het sbs ook in ons gedrag ten aanzien van elkaar in werking kunt zien. De oorsprong van het sbs ligt echter in een heel andere hoek. In Extinctie lees ik dat het voor het eerst is bedacht door oceanografen en marien biologen die onderzoek deden naar de verschraling van de wereldzeeën. Ik heb daar zo nog wat akelige cijfers over, maar eerst de min of meer officiële definitie van sbs, die volgens René ten Bos uit dat onderzoek voortkwam (p. 49):

‘sbs is een proces waarbij na verloop van tijd kennis over de toestand van de omgeving verdwijnt, omdat mensen de veranderingen die plaatsvinden niet waarnemen.’

Hij werkt die definitie uit als volgt:

‘Het gaat om een proces van sociaalpsychologische aard dat zich over verschillende generaties kan uitstrekken. Omdat jongere mensen niet op de hoogte zijn van de vroegere biologische omstandigheden, ontwikkelen ze andere waarden met betrekking tot wat normaal of abnormaal is in de wereld om hen heen. De kennis van vorige generaties over de omgeving sterft uit – men spreekt ook wel van “generatieamnesie” -, en daarmee veranderen ook verwachtingspatronen met betrekking tot die omgeving.’

Het sbs is geen tijdelijke blindheid, het is een permanent verarmde staat van waarneming door een nieuwe generatie, omdat de nieuwe generatie niet beter weet. Van de ene op de andere mensenlichting is er iets verdwenen uit het collectieve geheugen. Dat de meeste Nederlandse jongvolwassenen de kuifleeuwerik niet kennen als een vogel die eigenlijk bij ons landschap hoort, is een voorbeeld van die generatieamnesie. Schrijnend genoeg maakt deze vorm van geheugenverlies veranderingen in ons landschap irreversibel.

Akelige cijfers

Als opvolgende generaties steeds meer schraalheid om zich heen zien, verschuift door het shifting baseline syndrome onze overtuiging over onze leefomgeving. We geloven voortaan dat die schraalheid is zoals het hoort, we zijn de drempel over naar een nieuwe status quo. Het treurige van het sbs is dat het zo hardnekkig ziekmakend is dat zelfs ecologen eraan lijden. Ik had je wat akelige cijfers beloofd. Dit is een mooi moment.

Al zeshonderd jaar wordt de Noordzee intensief bevist. Het was lang een zee die uitpuilde van het leven. Hugo de Groot (1583-1645) kon zich niet voorstellen dat schaarste ooit voor zou kunnen komen in de zeeën, zo meldt hij in zijn Mare liberum. Maar het onvoorstelbare is in onze twintigste en eenentwintigste eeuw toch gebeurd. De visstand in de Noordzee is in die krappe tijd met gemiddeld 94% afgenomen; de uitbundigheid is weggevaagd. (Wereldwijd ziet het er overigens nauwelijks beter uit. Ook in andere zeeën zijn de populaties van gewone vissoorten enorm gekrompen, met 90% of meer.)(Bron: Extinctie, pp. 53-54.)

Wij hebben de Noordzee, het relatief ondiepe bekken tussen ons en Groot-Brittannië dat ongeveer 11 duizend jaar geleden een overvloedige voedselbron werd toen het op het einde van de laatste ijstijd volliep door het smelten van gletsjers en ijskappen, in een kleine honderd jaar nagenoeg leeg gezeefd. Van de biomassa aan vis is nog maar 6% over.

Dat is een cijfer dat zo rampzalig schokkend is dat het onontkoombaar verleidt tot het afwenden van de blik. Dus nu komt het, terug naar de ecologen. Alsof we zo geweldig in de goede richting opgeschoten zijn, meldden Britse milieuorganisaties een paar jaar geleden dat de helft van alle gevangen vis tegenwoordig duurzaam wordt binnen gehengeld. Voor de écht goede verstaander is zo’n mededeling cynisch eufemisme, want we houden onszelf er op een fatale manier mee voor de gek. Als 94% van de vis is verdwenen, dan schiet het natuurlijk niet op met de duurzame visserij, tenzij je het normaal vindt dat er nog maar 6% van de oorspronkelijke visstand over is. Kennelijk worden ook kritisch geachte deskundigen makkelijk blind voor hoe de werkelijkheid zich ontwikkelt. Die werkelijkheid is dat slechts 3% van de visvangst ten opzichte van een eeuw geleden (de normale visstand dus), duurzaam geworden is. Dat klinkt heel anders dan ‘de helft’ – het sist als een druppel op een gloeiende plaat.

Ik zei het al, het shifting baseline syndrome is té ziekmakend, ook mensen die beter zouden moeten weten raken geïnfecteerd. René ten Bos is dan ook bloedserieus als hij schertst over het sbs dat het een ‘soort mindfuck’ is ‘die ons steeds weer in staat stelt om de ernst van een bepaalde situatie te onderschatten’ (p. 54).

Vooruit, om jou wel scherp te maken, nog een voorbeeld van de ontmaskering van een hoopvol bericht dat je eigenlijk in de luren legt. Het is een stukje uit een voetnoot waarin de Britse journalist en ecoloog George Monbiot wordt geciteerd (p. 55):

‘Het National Ecosystem Assessment in het Verenigd Koninkrijk, normaal gesproken een betrouwbare gids als het gaat om de toestand in de natuur, meldt dat “ongeveer […] de helft van de Britse walvisvoorraad nu weer volledige reproductiecapaciteit heeft en duurzaam kan worden gevangen”. Maar de baseline waartegen dit oordeel wordt uitgesproken is de toestand van 1970. Toen was die voorraad [evenwel] een fractie van de “volledige reproductiecapaciteit”.’

Nu ik dit citaat overtyp valt het me trouwens op hoe vanzelfsprekend we de natuur in industriële termen beschrijven. Woorden als ‘walvisvoorraad’ en ‘reproductiecapaciteit’ wekken de indruk van een fabriek. De zeeën als een fabriek beschouwen, een typische habitat van mensen, is een manier om legitimiteit te geven aan ons zich alles toe-eigenend gedrag. En het verontrustende is: ook organisaties en mensen die de beste bedoelingen hebben, doen het geheel automatisch. Het is een andere drempel dan die naar de nieuwe status quo van schraalheid, eentje die we al lang geleden genomen hebben. Ook hier is het sbs blijkbaar manifest, maar dat terzijde.

Religieus instinct

Het sbs raakt een vraag ten aanzien van de teloorgang van onze leefomgeving, die al langer op mijn ziel brandt: waarom gedragen wij ons als samenleving zo inert, alsof we niet zien dat ons eigen huis rondom ons instort? Het lijkt wel alsof het onheil dat op ons afstormt niet tot ons doordringt. Alsof we ons geharnast hebben; niet met een pantser om ons teweer te stellen, maar met een teflonlaag die ons de illusie verschaft dat het hele probleem wel soepeltjes langs ons af zal glijden.

Ook de houding van onze leiders helpt de samenleving niet de richting van urgentie op. Ik heb zowel premier Rutte als minister Wiebes van Economische Zaken en Klimaat (hoe kun je überhaupt die twee petten tegelijk dragen?) horen zeggen dat we ons niet bezorgd hoeven te maken, want dat we ‘nog eenendertig jaar hebben’. Ik hoor hierin iets van: haast je niet, we kunnen nog rustig een tijdje achterover leunen. Bovendien zijn ze zo harmonieus in hun uitspraak dat het mij haast toeschijnt dat er iets achter steekt. Zouden beide liberale leiders elkaar in de wandelgangen iets in het oor gefluisterd hebben? … ’Het loopt nou net zo lekker met de economie en het gaat goed met onze grote bedrijven. Denk erom, er is ook leven na de politiek, we kunnen geen gedoe gebruiken. Belangrijker dan dat klimaat is dat we het volk weten te sussen.’

Over eenendertig jaar is het 2050. Dan, vinden onze politieke leiders, moet Nederland klimaatneutraal zijn. Dit is dus het beeld: uiterlijk 31 december 2049 drukken wij hier in ons stukje delta aan de Noordzee – overigens best gewaagd om daar in deze tijden te wonen – ergens op een knop. Daarop zullen alle problemen subiet verdwijnen en is ons leefgebied gered, netjes binnen de gestelde tijd … Alsof het klimaat nog wel even op ons wacht omdat onze almachtige premier en zijn ministers dat in hun vergadernotulen hebben vastgelegd.

Maar sorry, ik dwaal af. De vraag was: waarom gedraagt de samenleving zich zo inert?

Ik worstelde eerder met die vraag in het artikel Een kwestie van geloof . Toen meende ik een antwoord te vinden in de neoliberale religie van het consumentisme. Even kort hoe dat ook alweer zat. Vrijemarktwerking leidt volgens het neoliberalisme – dat nu al decennialang het dominante economische denken is – automatisch naar oplossingen voor onze maatschappelijke problemen. Nu kan de markt alleen maar ‘werken’ als er geconsumeerd wordt. Consumeren is in neoliberale ogen daarom wenselijk gedrag, hoe meer hoe beter. De neoliberale visie volgend, staat consumeren gelijk aan goed burgerschap, en de neoliberalen hebben hun missiewerk om ons daarvan te doordringen goed gedaan. Hun vorm van goed burgerschap is er zo ingepeperd dat hij als een geloof in onze samenleving verankerd zit.

Natuurlijk begrijpen we heel goed dat juist onze overmatige consumptie de oorzaak van het klimaatprobleem is. Maar we kunnen het niet laten omdat het onze staat van zijn geworden is; dat waar we ons mee identificeren, ons aanzien, ons maatschappelijk succes. En daarom is het ook dat velen consumeren als levensdoel vereren. In onze neoliberale welvaartsmaatschappij figureren zij als horigen van een dystopische Brave New World zoals Aldous Huxley die al in 1932 beschreven heeft.

Nu ik het werkingspatroon van dit stukje neoliberale leer neergeschreven zie staan, besef ik dat ik het woord ‘inert’ moet nuanceren. Ons gedrag als inert bestempelen, is in dit verband namelijk te kort door de bocht. We zijn niet laks of ongeïnteresseerd en ook zijn we het probleem niet aan het ontkennen. Wat ik eerder zou willen stellen, is: we volgen als willige gelovigen ons religieuze instinct. Dat is een diepgevoeld mechanisme – en juist omdat het zo diep zit, is er heel wat bewustwording voor nodig om daardoorheen te breken.

Terror management

We onderkennen de problemen dus wel degelijk, maar er is een fundamenteel gevoel dat ons tegenhoudt om ze daadkrachtig aan te pakken. Het zorgt er zelfs voor dat we doorgaan met het opkloppen van de oorzaak: consumeren. Dat herinnert me aan een psychologisch concept dat hierbij ook weleens een rol zou kunnen spelen.

Zou het zo kunnen zijn dat we bij de confrontatie met ons grote leefomgevingsprobleem ons simultaan realiseren hoe nietig we zijn en hoe onmachtig als individuen? Met andere woorden: wat op ons afkomt voelt als te onbevattelijk, want de rampspoed speelt op wereldschaal, hij komt ons bij voorbaat voor als onoplosbaar. De schrikbarende waarheid die we zien, is dat we geen controle over onze levens hebben en dat wordt des te problematischer nu het de verkeerde kant op gaat. We zijn feitelijk radeloos.

Dus zoeken we iets waarmee we onszelf gerust kunnen stellen. Wat kunnen we doen? Hoe kunnen we onszelf een reëel voelende opvatting verschaffen die ons laat ervaren dat we wel degelijk controle over onze levens hebben? Natuurlijk, het antwoord ligt voor de hand! Er is iets wat we direct kunnen doen, iets actiefs: consumeren! Want bij de score van een nieuwe gadget, een hippe blouse, een vakantietrip of welke andere verse aanschaf ook, nemen we het heft van onze levens weer helemaal zelf in handen. En het wordt ons volledig gepermitteerd – sterker nog, het is zoals ik aangaf zelfs sociaal wenselijk gedrag.

Door een minimale inspanning – we hoeven ons geld maar te laten rollen – geven we onze levens een ‘gelukkige’ wending. Dat dit consumentisme ons paradoxaal genoeg van de regen in drup brengt aangaande de onmacht die we oorspronkelijk wilden tackelen, dringt maar nauwelijks tot ons door. En dat is logisch, want elke consumptiehandeling levert een kick van voldoening op, op een uitnodigende weg naar verslaving. Dat doet het breinstofje dopamine. Ons lijf vraagt om alsmaar meer shots van deze door hemzelf gebrouwde drug, en er gebeurt precies wat er aan verslaving zo verraderlijk is: de verslaafde ontkent de verslaving feilloos. Mocht je menen dat die conclusie geen hout snijdt, vraagt het dan eens na bij een alcoholist die de moed en het doorzettingsvermogen in zichzelf wist te vinden om de drank voortaan te laten staan.

Dit psychologische recept, waarbij we de echte oplossing inruilen voor een verdovende roes zodat het kwaadaardige gezwel rustig door kan woekeren, heet ‘terror management’. En inderdaad, het zou zomaar eens mee richting kunnen geven aan ons zelfdestructieve gedrag.

Dubbele mindfuck

Het sbs is ook maar een concept, het probeert ons een handvat te bieden om ons gedrag te verklaren. Maar, zoals wel vaker met concepten uit de wereld van de gedragswetenschappen, het sbs levert nauwelijks een verklaring; het is slechts een semantiek om ons een patroon te laten zien, zonder het te ontraadselen. Het ware gezicht van het shifting baseline syndrome is dat het een dubbele mindfuck is, een mindfuck verpakt in een mindfuck. Niet alleen is het niet meer dan een ander woord voor een mistgordijn dat ons het zicht op de werkelijkheid ontneemt, het misleidt ons ook nog eens als een falsificatie van een explicatie.

Maar als het sbs slechts een mooie beeldspraak is die een aha-gevoel oproept en ons niet wijzer maakt, wat heeft het als concept dan nog voor waarde? Een antwoord op die vraag vond ik naar aanleiding van een citaat van de oceanograaf Jeremy Jackson (Extinctie, p. 52-53):

‘De problemen zijn voor 99% economisch en politiek van aard, niet wetenschappelijk. We hebben geen nieuwe wetenschappelijke data nodig om te weten wat we moeten doen om op de rem te trappen en de slechtste tendensen om te keren. De kwestie is of we onze apathie, onwetendheid, corruptie en hebzucht kunnen overwinnen en verantwoordelijk gaan handelen of wachten totdat de catastrofe toeslaat.’

Het sbs wijst ons op twee van de elementen die Jackson noemt: apathie en onwetendheid. Het sbs probeert ons wakker te schudden uit het eerste, en wat het tweede betreft, probeert het ons de situatie van de oorspronkelijke biodiversiteit weer in herinnering te brengen. Door onze blindheid als een syndroom te benoemen, een ziekte, laat het sbs ons inzien dat we te maken hebben met een ongezonde situatie die haast onmerkbaar ons leven is binnengeslopen. Zoals dat zo vaak gaat met een ziekte ben je gaan wennen aan de symptomen, aan een zekere mate van je beroerd voelen, futloos en moe, en dat accepteer je als normaal. Vaak is er de frisse blik van een buitenstaander voor nodig of een artsendiagnose – ook meestal slechts een herdefinitie van de situatie – om je erop te wijzen dat er iets aan de hand is dat om een acute aanpak vraagt. Het sbs is de frisse blik, of zo je wilt de diagnose, die hopelijk actie veroorzaakt. Dat is zijn waarde.

Optimistisch blijven

Van de populaties van de gewone vissoorten is na honderd jaar intensieve visserij in de wereldzeeën nog maar 6 tot 10% over. De hoeveelheid schelvis in de Noordzee is gereduceerd tot 1%, de heilbot tot 0,2% (Extinctie, p. 53). En ook op het land ziet het er niet veel florissanter uit – onthutsend rampzalige cijfers zijn overal op internet te vinden. In deze meimaand van 2019 trok de VN aan de alarmbel. Onderzoekers van het door de VN ondersteunde IPBES (Intergouvernementeel Platform voor Biodiversiteit en Ecosysteemdiensten), een assessmentcenter voor het ecosysteem waar 130 landen lid van zijn, rapporteerden dat van de naar schatting 8 miljoen plant- en diersoorten er 1 miljoen aan het uitsterven zijn.

In evolutionaire termen is er sprake van een massaal uitsterven op nagenoeg één moment. Die massa-extinctie doet denken aan wat er gebeurde op de tijdperkdrempel Krijt-Paleogeen. Toen werden de dinosaurussen weggevaagd van de aarde, samen met vele andere dier- en plantensoorten. De hoogstwaarschijnlijke oorzaak was een combinatie van enorme vulkaanuitbarstingen in India en de inslag van een reusachtige meteoriet bij het schiereiland Yucatán in Mexico (bron: Het verhaal van onze voorouders, Richard Dawkins, 2007, pp. 206-207). De oorzaak nu is een diersoort, door de aarde zelf voortgebracht.

Ik vind het een hele opgave om bij al het fatalistische feitenmateriaal dat als uit een doos van Pandora over ons wordt uitgespuwd nog optimistisch te blijven. Want hoe ziet de toekomst eruit?

Uit de essaybundel Optimisme (2006) van de Amerikaanse politiek activiste Rebecca Solnit haal ik een lichtpuntje. (Overigens was de oorspronkelijke, onvertaalde titel Hope in the dark veelzeggender, want ze snijdt in haar bundel eerder het thema ‘hoop’ dan ‘optimisme’ aan.) Mijn lichtpuntje zit hem in het volgende citaat, waarin ze schrijfster Virginia Woolf aanhaalt (pp. 155-156):

‘“De toekomst is duister, wat volgens mij over het algemeen het beste is wat de toekomst kan zijn,” schreef Virginia Woolf midden in de Eerste Wereldoorlog, een oorlog waarin miljoenen jongemannen een verschrikkelijke dood stierven.’

Het lijkt een macaber citaat om een lichtpunt uit te halen, maar Rebecca Solnit verklaart dat juist het duistere waar Virginia Woolf op wijst hoopvol is. De wereld leek te vergaan in de Grote Oorlog van ’14-’18. Maar dat was zoals de werkelijkheid toescheen aan de beperkte blik van de mensheid. De echte werkelijkheid is echter altijd dat we helemaal geen idee hebben van hoe de geschiedenis haar loop zal nemen. Zo bezien wijst het duistere van Virginia Woolf ons op het onzichtbare waarin alles mogelijk is, en niet op het zwarte van een ten onder gaande wereld. Dat simpele inzicht maakt dat optimisme is geoorloofd.

Een aantal pagina’s daarvoor werd ik ook optimistisch geraakt door een bijzondere boodschap (p. 116):

‘Er waren ooit fantasierijke christelijke ketters die Eva vereerden omdat ze ons bevrijd zou hebben van het paradijs – de mythe van de gelukkige zondeval. De ketters zagen in dat wij vóór de zondeval nog niet volledig mens waren – in het paradijs hoeven Adam en Eva niet te worstelen met de moraal, met de schepping, met de maatschappij, met de dood: pas in de strijd die een onvolmaakte wereld uitlokt komen ze tot mens.’

Het verlaten van het paradijs was dus een zegening, want eenmaal buiten de volmaaktheid van dat paradijs werd de mens uitgedaagd om zich te ontplooien, om een groeiend en lerend en steeds beter wordend wezen te zijn.

Ik zie de analogie met de onvolmaakte wereld van onze tijd: nu worden wij uitgedaagd om ons te ontplooien door het ‘paradijs’ van de Brave New World te verlaten en niet te tuinen in de neoliberale valkuil van lethargie waar het sbs ons voor waarschuwt. ‘Ontplooien’ is een hoopvol woord; het draagt de betekenis in zich van zich ontvouwen, als een bloem – daar kan iets moois uit komen.

Print Friendly, PDF & Email

Een woord over de auteur

Stan Lenssen

Coacht en schrijft op en over thema's van het leven - Professional Certified Coach - gecertificeerd door ICF: de International Coach Federation, die staat voor kwaliteit in coaching. 'Ik voel me mateloos gedreven om mensen te stimuleren het beste in zichzelf te ontdekken en te activeren, zodat ze hun leven kunnen vormgeven op een manier die bij hen past en die hen gelukkig maakt.'

3 comments… add one
  • Huub Koch 1 jun 2019, 12:40

    Oef… wederom een pittig stuk, Stan. Daar heb je als lezer wel wat aandacht voor nodig – ook zo’n spaarzaam artikel tegenwoordig.

    Als het over landschap gaat, milieu en klimaat, doet het me denken aan de boeken van Aart van der Leeuw. Ze beschrijven een gebied dat rond 1900 lag tussen Delft, Den Haag en Rotterdam. Midden Delfland heet dat nu. Die wereld uit die boeken is zo goed als verdwenen. Rustige dorpjes, een wijds uitzicht op velden, landerijen en rivieren. Als je daar wandelde hoorde je behalve de vogels niets dan stilte. Als de plek die je beschrijft uit je jeugd. De mensen leefden er met de dag. Stress, zoals wij hem kennen, bestond niet. Wie kent dat nog?

    Apathie en onwetendheid, de wortels van inertie in het zicht van een catastrophe, zijn een oeroud fenomeen. Natuurlijk zijn er veel voorbeelden van visionairs uit de wetenschap, de filosofie en de literatuur die dat alles voorzagen. En hun eigen SBS de wereld inzonden. De door jou genoemde Virginia Woolf is er één van. Henry Miller schreef in 1939: ‘de veranderingen die deze wereld nodig heeft kunnen alleen plaatsvinden door een natuurramp van ongekende proporties die in één klap de mensheid optilt naar een ander bewustzijnsniveau.’ Niet om vrolijk van te worden, want er zit wat in.

    Onze aarde is maar een heel klein planeetje in een oneindig heelal. Een heelal dat in zekere zin onverschillig staat ten opzichte van onze planeet. De aarde zelf is een schakeltje in dat systeem. Maar de bewoners van onze planeet hebben voor wat daarbuiten ligt weinig betekenis. Voor die bewoners zelf – wij dus – ligt dat anders. Wij vinden onszelf nogal belangrijk, maar voor wat de natuur heet zijn wij van beperkte waarde. ‘Onze’ geschiedenis is een optelsom van (natuur) rampen die wij als mensen tevens ervaren in de vorm van oorlog, economische crisis en de opkomst en ondergang van beschavingen. Hoeveel invloed heb je daarop?

    Een mens kan alleen voor zichzelf spreken, zijn doen en laten worden beperkt door wetmatigheden die we nooit kunnen begrijpen. Met iedere ademtocht kunnen we besluiten of we een ervaring opslaan in de herinnering of laten opgaan in de leegte. Het zijn vaak de kleine stappen die we maken of ‘doen’ in het heden die betekenis hebben. Een voorbeeld: op LinkedIn zag ik vandaag een bericht van studente Katja Diepstraten…

    ‘Als vakkenvuller voor de Kruidvat in Montfoort verbaasde ik mij over de manier hoe de vracht werd verpakt (met héél veel plastic). Ik heb toen de stoute schoenen aangetrokken en een berichtje op LinkedIn geplaatst, waarna ik al snel gehoord werd door Marcel Evers van A.S. Watson Benelux. 1 februari ben ik naar Heteren geweest om daar, zonder verwachtingen, het gesprek met Marcel aan te gaan. Ondanks mijn leeftijd en weinige ervaring, werd er serieus naar mij geluisterd. Samen zijn we door het distributiecentrum gelopen waar we hebben gekeken naar het verpakkingsproces, en of er ruimte was voor verbetering. Hierbij opperde ik een idee, waar Marcel wel potentie in zag. 4 maanden later, werd ik gisteren wederom uitgenodigd op het distributiecentrum. Na uitstippelen en valideren van mijn plan, is de werkmethode nu in gang gezet, waardoor er jaarlijks bijna ÉÉN MILJOEN plastic tasjes worden bespaard, en daarmee dus ook duizenden euro’s! Super blij hiermee!’

    • Stan Lenssen 1 jun 2019, 15:11

      Wat een mooie, rijke lagen voeg je toe Huub. Ook pittig 🙂 , dank je wel voor je tijd en je inzichten.
      Ik wil nog graag reageren op de ‘kleine’ stap van Katja Diepstraten. Het is een groots voorbeeld van hoe we in eigen kring voelbare impact kunnen hebben. Zij heeft iets teweeggebracht in het bewustwordingsproces van een groot bedrijf. Zaaien levert altijd iets op, dat blijkt. Soms heel zichtbaar, zoals bij Katja. Vaker groeit het moois op buiten ons tastbare bereik, en hebben we er geen idee van. Toch is er altijd resultaat. Als individuen hebben wij allemaal de mogelijkheid om te zaaien. Dat is een optimistische gedachte.

      • Huub Koch 1 jun 2019, 16:02

        Een mooie optimistische gedachte Stan, die het hart van de werkelijkheid raakt. In die zin lijkt het me belangrijk zulke positieve berichten in de gaten te houden en te delen. Want daar ligt de echte inspiratie. In weerwil van alle negatieve nieuwsberichten. Fijne dag. Groeten van Huub.

Leave a Comment

Privacyverklaring