Ten prooi aan het wedloopsyndroom

Enige tijd terug bracht ik het weekend door op een vakantieparadijs voor hoog opgeleide jonge ouders met hun kinderen. Gewoon, in ons mooie Nederland aan de Noordzee. Zelf behoor ik niet tot de doelgroep; het was een toevalligheid dat ik daar belandde.

Ik ervoer het als een onwerkelijk wereld – die verzamelplaats van gezinnen met hun BMW’s en Volvo’s. Een verbond van strak gepommadeerde mannen en vrouwen met kinderen als pronkjuweeltjes. Families verpakt in vakantiekleding die zo uit de Dior-kast leek te komen. Het was alsof er een competitie van ijdeltuiterij gaande was, met als inzet de titel van ‘meest geslaagd gezin’.

Ze leken allemaal eender, die mannen en vrouwen; als aandachtzuchtige pubers op een middelbare school. En ze ‘mobielden’ met hun schermpjes dat het een lieve lust was. Druk-druk-druk, zelfs in het paradijs. Buiten op het gras, het terras, nabij het zwembad; een ander mocht het niet ontgaan, ook niet op deze vakantieplaats – als ware het de maat voor hun maatschappelijke positie.

Een onwerkelijke wereld dus, maar het was wel de werkelijkheid. Intussen vroeg ik mijzelf in gedachten af: hoe voelt het bij die jonge ouders eigenlijk vanbinnen?

Onze maatschappij is een speelveld van ego’s die aanhoudend willen winnen. De sociale pikorde lijkt te worden bepaald door hoe hard je in de race mee kunt rennen. We leven in een wedloopmaatschappij, en als je als jonge moeder of vader denkt een weekendje even lekker uit te kunnen blazen, dan kom je bedrogen uit. De wedstrijd gaat doodleuk verder.

Een vreemde wedloop

Koen Haegens (2012) bespreekt in zijn boek Neem de tijd het rampzalige effect van de wedloopmaatschappij (hij gebruikt het woord ‘haastmaatschappij’) op het welzijn en het geluk van de huidige generaties. Hij neemt daarbij een lijdzame houding in en deponeert veel verantwoordelijkheid nogal eenvoudig op het bordje van de politiek.

Ik zal niet verklaren dat ik het met Koen Haegens over de gehele linie eens ben, maar er is één aspect dat hij aanroert, waarin wij elkaar zeker kunnen vinden: je kunt je als individu of als gezin nauwelijks aan het tempo en de wedijver van onze maatschappij onttrekken; de economische en sociale druk zijn enorm.

De wereld vraagt steeds meer van ons. De koorts die dat met zich meebrengt, is voor vrijwel iedereen voelbaar. Onze maatschappij leidt aan het wedloopsyndroom, en om de symptomen daarvan te aanschouwen, hoef je niet ver weg.

De gekrompen wereld

Het is ook een overtuiging – die druk. Maar een overtuiging heet ‘overtuiging’ omdat zij voor ons de waarheid is: een stukje van ons model van de wereld en daar zitten we aan vast. Tenminste, dat is wat wij geloven.

In de hoofden van velen blaast dat idee-fixe zich steeds verder op. Ze menen aan alsmaar meer en hogere verwachtingen te moeten voldoen. Nou kun je een ballon niet blijven vullen; ergens raakt de rek op en klapt het rubber met een knal of rimpelt het geval troosteloos in elkaar.

Mensen zijn van nature ambitieuze dieren. En het is niet zo heel vreemd dat die eigenschap zich juist in dit tijdperk vertaalt in een obsessief najagen van wensen. De wereld is sinds de start van de industriële revolutie – zo’n twee en een halve eeuw terug – gekrompen tot één zestigste van haar toenmalige omvang. ‘Dat’, schrijft Koen Haegens, ‘is het gemiddelde tempoverschil tussen de paardenkoetsen en zeilschepen waarmee de pre-industriële mens zich verplaatste, en de vliegtuigen waarmee we tegenwoordig reizen.’

In een gekrompen wereld blijkt veel meer mogelijk.

  • We kunnen verkrijgen wat we verkrijgen willen, tegen lage kosten en in no-time thuisbezorgd.
  • We kunnen bereizen wat we bereizen willen; ‘vliegen’ is een consumentengoed geworden, in ieder geval voor de meesten in het Westen.
  • De levenscyclus van goederen en investeringen is in de kleine wereld automatisch ook een stuk gekrompen. We bouwen, breken af,  en bouwen weer op met een snelheid die de industriëlen van het eerste uur zou doen duizelen.

Er is zo veel zoveel makkelijker bereikbaar geworden. Het is verleidelijk om het ook allemaal te willen effectueren. En misschien is het nog wel verleidelijker om ook van elkaar te verwachten dat we het effectueren. Doe je eraan mee, dan tel je sociaal mee – intussen vult de ballon zich gestaag …

Minder tijd voor mooie dingen

Nu zou er niet zo heel veel aan de hand zijn als we de rek op de ballon met ontspanning en geluksmomenten wisten te compenseren. Toegegeven, we proberen het krampachtig op de vakantieparadijzen. Maar dat is niet meer dan schone schijn. Ook onze genoegens blijken namelijk last te hebben van het tempo en de wedijver.

Een paar voorbeelden:

  • Muziekliefhebbers vertellen mij dat klassieke muziek steeds sneller wordt gespeeld. Niet incidenteel, maar structureel. En het gaat ook niet om een beetje; een stuk dat dertig jaar geleden ingetogen plechtig klonk, klinkt heden ten dage als een vrolijk uptime nummer.
  • Snelleestechnieken zijn populair. Maar gaat dat niet ten koste van de diepgang en het begrip van het gelezene, en vooral ook het plezier van het lezen zelf? Ik heb me er een tijdje in getraind – want ja, ook ik laat me verleiden – en kan niet anders dan die vraag bevestigend beantwoorden. De technieken beloven veel moois, maar rust en focus doen het voor mijn leesbegrip en -plezier in ieder geval veel beter. Ik denk niet dat ik daarin alleen sta.
  • Stoort het jou ook zo, die interviews waarin de geïnterviewde geen tijd gegund wordt om uit te praten? De vragensteller is niet op zoek naar het genuanceerde antwoord; de tijd staat slechts een vlotte oneliner toe. Überhaupt valt het mij op in conversaties: er is nauwelijks nog ruimte voor een écht goed gesprek.

Wat een maffe wezens zijn we. Was het idee van de afgelopen twee en een halve eeuw nou net niet dat we meer tijd zouden krijgen voor de mooie dingen van het leven? En wat doen we? …

Momo en de tijdspaarders

Het boek van Koen Haegens bracht mij op het spoor van een ander werk: het jeugdboek Momo en de tijdspaarders. Iedere volwassene zou dit moeten lezen.

Dit moderne sprookje van Michael Ende (2016), dat al zo’n veertig jaar geleden voor de eerste keer uitkwam, is actueler dan ooit. Het toont ons dat er ‘tijddieven’ aan het werk zijn. Alleen … wij kunnen ze niet waarnemen, niet betrappen en niet onschadelijk maken. Wij laten ze toe, doordat we ze de ruimte geven – misschien zijn wij die tijddieven eigenlijk ook wel zelf? In ieder geval, kinderen – zoals het bijzondere meisje Momo – doorzien het hele complot en komen de volwassen wereld te hulp.

In Momo en de tijdspaarders figureert ook een schildpad. Michael Ende vond dit dier sympathiek. Er zijn meer sympathieke dieren: de slak, de giraffe, de blauwe vinvis, de luiaard, de reuzenmanta. De natuur is prachtig en leerzaam; vanwege haar gratie, haar zen-achtige beheerstheid – al toont zij die soms onstuimig -, en vanwege de prachtige manier waarop dat tot uitdrukking komt in het bewegen van deze sympathieke dieren. Door hen te aanschouwen kunnen we werkelijk tijd winnen.

In de Andes

Maar ook wij mensen zelf zijn niet geschapen als haastige wezens. En daarin zit geen sprankje strijdigheid met onze ambitieuze instelling.

Op de hellingen van de Andes leefde ooit een indianenvolk in het rijk Tiwanaku. Dat rijk lag om en nabij het Titicacameer en was waarschijnlijk een van de belangrijkste voorgangers van de Incastaat. De ruïnes van de gelijknamige hoofdstad van het rijk zijn een toeristische trekpleister van Bolivia.

Tiwanaku was in haar oorspronkelijke luister een imponerende stad van pracht en praal. En tegelijkertijd had Tiwanaku ook een andere kant: die van verval. De geschiedenis vertelt dat die dualiteit door de oorspronkelijke bewoners bewust in stand gehouden werd. De Spaanse geleerde Polo de Ondegardo merkte in 1571 verbaasd op: ‘Ze bouwden aan hun monumenten alsof het de bedoeling was dat ze nooit af zouden zijn.’

Het moest ook nooit af zijn; de Spanjaard had het goed aangevoeld. Wat de Tiwanaku-beschaving wilde laten zien, was een een permanente ontwikkeling. Men was helemaal niet haastig op weg naar enige voltooiing; men toonde verleden, heden en toekomst ineen, in het nu.

De bewoners van de oude stad gaven een prachtige demonstratie van ambitie zonder haast (uit 1491 van Charles Mann (2016)).

Nergens meer écht goed in

Het zit niet in onze natuurlijke aard om zo gejaagd te zijn als we zijn. We staan allemaal stil op de roltrap, terwijl diezelfde roltrap 120 jaar geleden eigenlijk ontworpen werd om ons, al trappenlopend, nóg sneller naar de andere verdieping te helpen. Maar – heel onbewust – we doen op die roltrap iets bij ingeving goed: we rusten uit!

Onze gejaagdheid is een gevaarlijke ontwikkeling. Zij is mede debet aan het probleem van de verdeelde aandacht: niemand wordt meer ergens écht goed in. Wat een paradox van de wedloopmaatschappij.

Moeten we daar dan zwaar aan tillen?

Ik vind van wel. Om een maatschappelijke reden en om een individueel-menselijke reden.

Maatschappelijk – omdat we steeds meer transformeren naar een ‘oppervlaktemaatschappij’ waarin diepgang geschuwd wordt en populisme een voedingsbodem vindt. We vergeten geleerde lessen en dat zou zich wel eens kunnen wreken.

Individueel-menselijk – omdat we een van onze grootste behoeften niet meer erkennen: het streven naar meesterschap. Het is zonde dat we dat vervullende zelfontwikkelingspad dood laten lopen, want het is een grote bron van persoonlijk geluk.

Krachteloos

Zoeken we in ons ongeduld misschien meer grip op de toekomst? Met al ons jagen, glipt de grip ons juist door de vingers.

Bijna een op de drie Nederlanders heeft het gevoel de eigen toekomst niet in de hand te hebben (Haegens, 2012). Dat is een rampzalig hoog aantal. Rampzalig, omdat mensen dus massaal worden geplaagd door een lage algemene competentieverwachting. Dat vreet aan de veerkracht van die mensen.

Dat betekent dat het vreet aan de mate waarin die mensen met de uitdagingen van het leven om kunnen gaan – ze voelen zich wankel in hun eigen leefomgeving.

Is het niet ironisch dat juist de wedloopmaatschappij veel mensen krachteloos maakt?

Tijd is een basisbehoefte

Is er een kuur tegen het wedloopsyndroom?

De grenzen en onzekerheden van het leven kunnen waarderen, in plaats van ze als een bedreiging zien, bevordert onze ervaring van duurzaam geluk. Maar dat werkt alleen als je je eigen leven op orde hebt. Met andere woorden: als de basis stabiel is. Als zaken als eten, onderdak en inkomen op orde zijn, dan voelen we ons veilig, en ontstaat er ruimte om aandacht te geven aan de hogere behoeften.

We zijn een heel eind op weg in onze westerse samenleving, maar een van de grootste zaken die toch nog aan de basis tornt, is het gevoel van te weinig tijd hebben. Tijd is ook een basisbehoefte! We zien haar helaas makkelijk over het hoofd. Best begrijpelijk, want we worden continue verleid door een onuitputtelijk wensenlijstje.

De opdracht is derhalve: durf te kiezen! En, direct daaropvolgend: werk aan een overtuiging die je zegt dat je voor alles voldoende tijd hebt.

Benader het verschijnsel ‘haast’ eens een tikje filosofisch: het wonder is dat iedereen precies de tijd gekregen heeft die nodig is om te doen wat het aardse leven voor haar of voor hem in petto heeft. Op het eindpunt aangekomen – waar dat ook ligt – helpt die gedachte je om dankbaar te zijn, want zo was het bedoeld. Dat voelt beter dan spijt.

Een woord over de auteur

Stan Lenssen

Professional Certified Coach – PCC gecertificeerd door ICF – International Coach Federation. Ik ben mateloos gedreven om mensen te stimuleren het beste in zichzelf te ontdekken en te activeren, zodat ze hun leven kunnen vormgeven op een manier die bij hen past en die hen gelukkig maakt.

4 reacties… add one

  • Nelleke Op de Coul 6 okt 2017, 12:59

    Geweldig stuk weer!
    Doet me denken aan wat ik ooit las, binnen een soortgelijke context:
    (cit. )-Heb je ooit wel eens een mus horen zeggen: “Ik heb nu even geen tijd! Ik heb weliswaar een nest gebouwd, maar ik moet nu door met het volgende en daarna het volgende en dan nog vijf. Dan ben ik de meest succesvolle mus van de straat!” ? – (einde cit.)
    Schitterend; dieren kennen die overtreffende trap niet, van goed- beter-best, naar veel -meer – meest, tot aan ridicuul – ridiculer – ridicuulst aan toe.
    Slechts als de instandhouding van de soort en/of eigen lijfsbehoud in het geding is geldt : sterk – sterker – sterkst; als een noodzakelijkheid, een kwestie van leven of dood.
    Behalve in het geval “ridicuul” betekent het streven naar trap drie helaas voor veel mensen een tot een vorm van levenslange dwangarbeid veroordeeld zijn.

    M.vr.gr.,
    Nelleke

    • Stan Lenssen 6 okt 2017, 13:06

      Je laat me grinniken om die mus, Nelleke 🙂
      De natuur zit vol leerzame lessen. Maar op een of andere manier hangen wij mensen maar steeds het idee aan dat we buiten die natuur staan. Een misvatting van jewelste. De mus-metafoor is een mooie spiegel. Dank je!

  • Cornelis 6 okt 2017, 20:54

    Mooi stukje Stan.
    Ik kan iedere woord onderschrijven. In mijn praktijk kom ik tegenwoordig ook steeds vaker tegen dat jonge mensen ziek worden van ‘te weinig tijd’.
    Iedereen heeft 24 uur in een dag. Wat je ermee doet is bepalend voor het geluk en welzijn in je leven.
    Groet van Cornelis

    • Stan Lenssen 7 okt 2017, 11:54

      Wat mij direct te binnen schoot Cornelis, is dat velen zich wijsmaken dat die 24 uur niet voldoende zijn. Maar ieder mens heeft een groot geschenk gekregen door er überhaupt te mogen zijn. Met dat ‘zijn’ goed omgaan is de kunst van het leven. Zoals je zegt, wat je ermee doet – dat geschenk, die 24 uur – is bepalend voor je geluk en welzijn.
      Dank voor je bijdrage Cornelis.

Geef een reactie