Van wie zijn de ideeën?

Veel ideeën vallen onder de noemer intellectueel eigendom; ze zijn in bezit van enkelen. Maar zou het niet beter zijn – en zelfs rechtvaardig – als alle ideeën van iedereen werden? Dat lijkt me wel. Waarom? Ik kom er zo op, maar eerst naar hoe het gekomen is zoals het nu is.

Ideeën werden intellectueel eigendom

Voor de oorsprong van het intellectueel eigendomsrecht zoals we dat tegenwoordig kennen, moeten we terug naar de Venetiaanse glasblazers van de vijftiende eeuw (bron: Donuteconomie van econome Kate Raworth, 2018, p. 186). Zij waren vermaard om hun kunstige creaties. Om de glasblazers te beschermen tegen imitatie, verleende Venetië – dat in die tijd een zelfstandige stadstaat was – hen er een tien jaar durend alleenrecht op, een patent. Als voorwaarde gold dat zij moesten kunnen tonen hoe zij hun creaties maakten.

De in Venetië uitgegeven patenten hadden vanzelfsprekend daarbuiten geen geldigheid, dus toen de glasblazers zich verspreidden naar andere plaatsen in Europa, bedongen zij daar opnieuw vergelijkbare beschermingsregelingen. Zo breidde het patentrecht zich uit over grote streken.

Uiteraard zagen werkers in andere ambachten welke voordelen de patenten hun glasblazende collega’s boden. Al snel na de vijftiende eeuw werden er dan ook patenten aangevraagd op allerlei producten in andere sectoren, en breidde het patentrecht zich uit naar het auteursrecht, merkenrecht en andere ‘ideeënrechten’. Zo groeide er een stelsel van intellectueel eigendom.

Aanvankelijk stimuleerde dat stelsel van intellectueel eigendom de opkomst van de industriële revolutie, die aanving omstreeks 1750. Door de tijdelijke monopolisering van kostbaar verworven uitvindingen was er ruimte ontstaan om ontwikkelingsinvesteringen terug te verdienen. Ook kon makkelijker krediet worden verkregen om nieuwe ideeën te ontwikkelen. De kredietverstrekkers konden immers, dankzij de bescherming van hun kredietnemers, vertrouwen op voldoende zekerheid van de toekomstige ontvangst van terugbetalingen en renteopbrengsten.

Maar een systeem dat lucratief is, roept makkelijk duistere krachten op. Hebzucht is zo’n kracht. Al snel beperkte het intellectueel eigendomsrecht zich niet tot louter eigen vindingen en ideeën. Gewiekste zakenlieden wisten ook patenten te verwerven op de traditionele kennis van het gemeenschapsbezit – kennis die al aanwezig was en die voorheen van iedereen was. Hetzelfde gebeurde met kennis die collectief werd ontwikkeld. Ook deze werd geprivilegieerd voor enkelen en dus verboden gebied voor algemeen gebruik. Vaak was het er bij deze eigendomsclaims als enige om te doen de concurrentie dwars te zitten.

In plaats van dat nieuwe ontwikkelingen werden gestimuleerd, werden ze nu juist vertraagd en geblokkeerd om zo de winsten van slechts enkelen veilig te stellen en toe te laten nemen. Langzaam werd zo dat mooie stelsel van intellectueel eigendom, van oorsprong een aanjager van creativiteit, innovatie, welvaart en ondernemersinitiatief, tot zand in de machine van de vooruitgang. En dat is waar we nu verkeren ten aanzien van het intellectueel eigendomsrecht. Het volgende citaat uit Donuteconomie (p. 186) geeft de essentie van de toestand haarscherp weer:

‘Het is buitengewoon ironisch dat tegenwoordig algemeen wordt erkend dat te intensief gebruik, en misbruik, van wetgeving die het intellectueel eigendomsrecht regelt, juist verstikkend werkt op de innovatie die men oorspronkelijk met deze wetten wilde stimuleren. Patenten zijn nu twintig jaar geldig en worden afgegeven voor een enorme variëteit aan pseudo-uitvindingen, van het Amerikaanse patent van Amazon op “one-click”-aankopen tot de patenten van het medische bedrijf Myriad Genetics op kankergerelateerde genen. In veel hightech-bedrijfstakken worden patenten vaak om tactische redenen verworven, speciaal bedoeld om concurrenten tegen te houden of voor de rechter te slepen. “We hebben een duur en oneerlijk stelsel van intellectuele eigendomsrechten gecreëerd,” schrijft econoom Joseph Stiglitz, “dat meer in het voordeel werkt van in octrooirecht gespecialiseerde juristen en grote ondernemingen dan van de wetenschap en kleine uitvinders en vernieuwers.”’

Ideeën als gemeenschapsbezit – twee goede redenen

Ik zie minstens twee goede redenen waarom ideeën – opnieuw – gemeenschapsbezit zouden moeten worden:

  • Het zal ons helpen om tot een eerlijker verdeling van de rijkdom in de wereld te komen.
  • Het zal ons helpen om de regeneratieve economie goed van de grond te krijgen.

1 De verdeling van rijkdom

De rijkdom in de wereld is zeer ongelijk verdeeld en de ongelijkheid neemt toe. Ter illustratie de eerste drie cijfers uit de Oxfam Briefing Paper van januari 2017:

  • Sinds 2015 bezit de rijkste één procent van de mensen meer dan de rest van de planeet.
  • Op dit moment beschikken acht mannen over dezelfde rijkdom als de armste helft van de wereld.
  • In de komende twintig jaar zullen vijfhonderd mensen 2,1 biljoen dollar aan hun erfgenamen nalaten – een bedrag groter dan het bbp (bruto binnenlands product) van India, een land van 1,3 miljard inwoners.

Het rijtje gaat in al zijn treurigheid zo nog even door.

Wij zouden ons druk moeten maken om de groeiende ongelijkheid in de verdeling van rijkdom. Het is namelijk een gevaarlijke ontwikkeling; een als onredelijk gevoelde ongelijkheid roept maatschappelijke instabiliteit en weerstand op.

Groeiende ongelijkheid van rijkdom is ook in een ander opzicht een bedreiging voor de samenleving. Zij blokkeert maatschappelijke vooruitgang; veel middelen die aangewend zouden kunnen worden om het algemene belang te dienen, vloeiend toenemend in de handen van enkelen en dienen dientengevolge slechts het belang van enkelen. En zelfs als die enkelen sociaal welwillend zijn, dan nog wordt de samenleving bedreigd, want voor haar algemene belang is zij overgeleverd aan hun eigenmachtigheid en hun oordeel.

Al te scheve rijkdomsverhoudingen zijn niet alleen op verschillende manieren een gevaar voor ons, zij raken ons ook op een heel persoonlijke manier. Zij zetten ons gevoel van algemeen subjectief welbevinden onder druk – verhullende woorden van sociologen en psychologen om te zeggen: een groeiende ongelijkheid haalt sluipenderwijs het geluk van de samenleving onderuit. Onderzoek laat dat ook zien. In samenlevingen waarin op het vlak van bezit en inkomen grote ongelijkheid heerst, ligt het algemene geluksgevoel lager dan in samenlevingen waar de rijkdom meer egalitair is verdeeld (Raworth, p. 164).

Met het oog op het geluksniveau van de samenleving hebben wij in ons deel van de wereld iets om over na te denken. De landen van Noordwest-Europa behoren in de traditie van de afgelopen halve eeuw tot de gelukkigsten ter wereld. Dat komt omdat die landen al te grote inkomens- en bezitsverschillen lange tijd afdoende wisten te nivelleren. In datzelfde Noordwest-Europa echter, laten de kiesgerechtigden de laatste decennia steeds vaker een voorkeur zien voor politieke machthebbers die die nivellering weer afbreken. Zij geven de macht in handen van veelal neoliberalen, en helaas is het zo dat het neoliberalisme een ongelijke verdeling van rijkdom aanmoedigt en het positieve gelukseffect van een meer egalitaire samenleving negeert. De neoliberale politiek staat toe dat een deel van de samenleving een ander deel zijn geluk ontzegt. Dat is moreel verwerpelijk. Ik vraag me weleens af in hoeverre de kiezer zich daar bewust van is als hij het rode potlood hanteert.

Het mensdom is niet gebaat bij de groeiend ongelijke verhoudingen in de verdeling van rijkdom – het is gevaarlijk, het schaadt het algemene belang en het maakt ons ongelukkig. Maar waar ligt nu de link met het eigendomsrecht op ideeën?

Eigendom van ideeën geeft macht – macht om een concurrent dwars te zitten of macht om een nieuwe ontwikkeling te exploiteren. Wie de macht van het eigendomsrecht bezit, trekt automatisch rijkdom naar zich toe. Ik hoef slechts terug te denken aan het stukje historie waar dit artikel mee aanving en hoe het patentrecht zich daarin in de modernste tijd ontwikkelde, om dit mechanisme in werking te zien.

Het probleem van een systeem dat het verlenen van exclusieve eigendomsrechten op ideeën toestaat, is dat het een groeiend ongelijke verdeling van rijkdom aanwakkert. Het is daarmee potentieel schadelijk voor de samenleving. Een systeem dat ideeën als collectief eigendom beschouwt, is een beter alternatief. Het maakt de vruchten van ideeën toegankelijk voor de samenleving als geheel. Zo’n systeem helpt de samenleving vooruit omdat het betere kansen biedt om voor iedereen veiligheids-, algemene en geluksbelangen na te streven.

2 De regeneratieve economie

De aarde schreeuwt om mededogen. Tonen we dat niet, dan betalen we een hoge tol: we verliezen ons leefgebied.

Moet iemand er nog van overtuigd worden dat we naar een regeneratieve economie moeten, een economie die niet vernietigt maar die zelfherstellend is? Het lijkt erop, getuige de uitslagen van de recente Provinciale Statenverkiezingen. Ondanks de grote winst van klimaatontkenners durf ik er echter een lief ding onder te verwedden dat hun aanhang niet meer dan een stuiptrekkende achterhoede is, die te gehecht is aan het oude en dat (nog) niet durft los te laten, maar uiteindelijk zal verschrompelen. Eigenlijk weten we allemaal wel hoe beroerd het gesteld is met het klimaat en het milieu. Ik ga er dan ook van uit dat ik de argumenten vóór een regeneratieve economie hier niet hoef te herhalen en dat doe ik dan ook niet.

Als we het hebben over creativiteit en innovatie die door enkelen geblokkeerd kunnen worden omdat zij een claim op kennis leggen, komen we als vanzelf op de tweede reden waarom ideeën gemeenschapsbezit zouden moeten zijn: de totstandbrenging van die regeneratieve economie. De regeneratieve economie is namelijk een ingewikkeld verhaal van creatie en innovatie; zij vraagt het uiterste van onze vernieuwende vermogens. Willen we tot een regeneratieve economie komen, dan hebben we alle ideeën, alle kennis en alle talenten waarover we maar kunnen beschikken nodig.

En juist deze dagen zagen we schaamteloos een schitterend voorbeeld van hoe het mechanisme van kennis-gemonopoliseerd-door-enkelen blokkerend werkt:

De Duitse automobielbouwer BMW legt 1 miljard euro opzij voor het betalen van een boete aan de EU. Waarom? BMW heeft met Volkswagen en Daimler, die twee andere grote autobouwers bij onze oosterburen, afspraken gemaakt om de ontwikkeling van duurzame auto’s op een laag pitje te zetten. Die ontwikkelingen kosten namelijk handenvol geld; dat gaat natuurlijk ten koste van de korte termijn-winst en dus van de aandeelhouderswaarde. En er lijkt geen groter vrees te bestaan voor een multinationaal concern dan voor een pak billenkoek van zijn aandeelhouders. Gelukkig heeft die boete nu alsnog dat effect.

Afspraken tussen bedrijven over dit soort ondernemersvraagstukken zijn verboden. Het riekt niet eens meer naar kartelvorming, het is het, in optima forma. De EU is er allergisch voor en dat is niet voor niets; dergelijke afspraken belemmeren de vrije concurrentie, ze blokkeren de ontwikkeling van nieuwe vindingen door anderen. Juist op het gebied van de regeneratieve economie zijn die vindingen heel hard en heel snel nodig; de aarde schreeuwt erom, weet je nog.

Er is niet veel fantasie voor nodig om de puzzel waarom dit gesjoemel überhaupt plaats kon hebben, in elkaar te leggen. De drie Duitse jongens konden hun snode spel natuurlijk alleen maar spelen omdat zij over technologische kennis – ideeën(!) – beschikken waar niemand anders toegang toe heeft. Kennis die hen naar alle waarschijnlijkheid in exclusieve handen gevallen is via door hen gekochte patenten. Wij hebben de macht, wij kunnen vertragen en anderen het ontwikkelen van de voor het milieu noodzakelijke nieuwe vindingen ontzeggen – het zal hun onuitgesproken gedachte zijn geweest. Schaamteloos! Deze keer echter, hadden zij buiten de waard gerekend; de scheidsrechter is nog aan het rekenen op het moment dat ik dit schrijf, maar het gaat een zeer kostelijke rode kaart worden.

Het is natuurlijk goed dat de EU voor sjoemelen een stokje steekt, maar hoe vaak komen dergelijke ondernemingen er wél mee weg en worden anderen simpelweg buitenspel gezet? Dit hele voorval toont ten zeerste aan hoe belangrijk het voor Moeder Aarde is dat ideeën die uiteindelijk uit haar geboren zijn, voor iedereen vrij toegankelijk zijn. Zodat niet enkele, kapitaalkrachtige partijen het belang van de gemeenschap kunnen blokkeren, en ook kleinere, minder machtige ontwerpers de kans krijgen om bestaande ideeën uit te bouwen tot nieuwe technologieën. Dus vooruit, toch maar: dank BMW, Volkswagen en Daimler, jullie hadden het de buitenwacht niet beter kunnen laten inzien.

Ideeën als gemeenschapsbezit – waarom rechtvaardig

Ideeën als gemeenschapsbezit om grote maatschappelijke vraagstukken als de onevenredig verdeelde rijkdom en het milieuprobleem aan te pakken, lijkt een mooie suggestie. Je kunt echter ook stellen dat de bezitter van ideeën ze tegen grote inspanningen en financiële offers heeft verworven en dus het recht heeft om ze exclusief voor zichzelf te houden. Op die manier heeft de bezitter immers de gelegenheid om zijn investeringen terug te verdienen en ze te laten renderen. Dat lijkt niet meer dan legitiem.

Er is naar mijn visie echter een simpele, praktische reden waarom bovenstaande redenering mank gaat: er is geen idee dat op de solitaire verdiensten van één enkeling stoelt, derhalve kan niemand zich laten voorstaan op de oorspronkelijkheid van een idee. Ook ideeën die wij als nieuw betitelen, zijn altijd een product van associaties op al bestaande ideeën, of van associaties op voorbeelden die al in de natuur aanwezig zijn – ook een vorm van bestaande ideeën. Dit is een oud inzicht. Om Isaac Newton, die voor ons onder andere de ideeën van de mechanica blootlegde, te parafraseren: wij staan op de schouders van reuzen.

We moeten daarom terughoudend zijn voordat we ideeën de onze noemen; we borduren alleen maar voort op de ideeën van vele voorgangers. Dat inzicht roept onwillekeurig de vraag op van waar dan wel de grens zou moeten liggen waarop individuele aanspraken terecht zouden zijn. Het antwoord is eenvoudig: die grens is niet aan te geven, omdat er geen grens is.

Ideeën zijn dus altijd de resultaten van de gezamenlijke creativiteit van de gemeenschap. Het klopt dan ook niet wanneer individuele personen en organisaties bezitsrechten op ideeën kunnen laten gelden, ook al hebben zij daar duur voor betaald of zelfs hard voor gewerkt. Zij danken de ideeën per definitie aan dezelfde samenleving als waaraan zij de ideeën menen te mogen onttrekken. De verdedigbaarheid dat de ideeën van iedereen zijn en ze dus ook voor iedereen beschikbaar moeten zijn, zit hem derhalve niet alleen in praktische redenen zoals genoemd in de vorige paragraaf, maar ook in een reden van rechtmatigheid: de natuurlijke aard van ideeën is dat zij ongebonden zijn.

We hebben hier een morele motivatie te pakken om ideeën collectief bezit te laten zijn. En in een samenleving die oprecht rechtvaardig is, prevaleert een morele motivatie altijd boven materiële motivaties. Blijft over de vraag: durven wij zo’n samenleving te zijn?

Een grondrecht dat ontkend wordt

De discussie over het bezit van ideeën heeft overeenkomsten met de discussie over het claimen van grond als eigendom.

Een lap grond kan een mens steenrijk maken, mits hij zich eigenaar kan noemen. Maar de waarde van grond wordt zelden door de grond zelf bepaald. Veel meer gaat het erom welke gaven de natuur aan de bodem heeft meegegeven, welke infrastructuur de gemeenschap in de omgeving heeft gecreëerd, of de ligging fraai en gunstig is, enzovoort. Dat zijn allemaal zaken die geen verdiensten van de grondeigenaar zijn, maar – analoog aan ideeën – verdiensten van de natuur of van de samenleving. De grondeigenaar toucheert echter wel de financiële voordelen. De vraag die je je dus kunt stellen is: komen die financiële voordelen hem wel werkelijk toe?

Grond is mooie handelswaar om met veel winst te verkopen, of om in onderpand te geven om opnieuw kredieten te verkrijgen, of om voor goed geld te verpachten aan niet-bezitters. Met ideeën gebeurt exact hetzelfde via de handel in patenten en octrooien. Wie al grond bezit – of lees voor grond patenten en octrooien – verwerft dan ook makkelijker nieuwe grond dan wie niets bezit. Zo stapelen de bezitters hun rijkdom en macht op en worden de niet-bezitters steeds afhankelijker van hen. Gaandeweg komen de letterlijke en figuurlijke bewegingsvrijheid van de laatsten in de knel; uiteraard leidt dat tot fricties in de samenleving.

In onze hedendaagse economie kunnen we de hierboven genoemde ontwikkeling duidelijk waarnemen. De sectoren waar inkomen wordt verworven uit rendement op bezit maken steeds meer de dienst uit (denk aan de financiële sector en de onroerendgoedsector), terwijl de sectoren waar inkomen verworven wordt uit het leveren van arbeid een steeds minder machtige stem hebben (denk aan ambachten, landbouw, professionals en deels ook de industrie).

Dat is een trend die er overigens op kan wijzen dat we het einde van onze markteconomie naderen. Markteconomieën hebben niet het eeuwige leven, al geloven we graag van wel. Helaas hebben zij een vervelende endogene eigenschap: op een gegeven moment is de top van de economische aanwas bereikt en draait de groei onafwendbaar en structureel om in stagnatie en zelfs krimp. Dat doet zich typisch voor wanneer de financiële sector op het toppunt van zijn macht staat. De historie van vroegere markteconomieën laat ons steeds ditzelfde patroon zien. Een voorbeeld is de levensloop van de markteconomie van de Lage Landen vanaf de late middeleeuwen tot en met de zeventiende en tevens Gouden Eeuw, waarna de welvaart en de macht van het toenmalige Nederland en België ineen duikelde. Voor wat de huidige Noord-Atlantische economieën betreft, heeft het er alle schijn van dat ze zo zoetjesaan ook op hun top zijn aangeland – we hebben dus iets om ons op voor te bereiden. Je kunt meer over deze belangrijke langetermijnkaraktertrek van markteconomieën lezen in: De onzichtbare hand van economisch historicus Bas van Bavel. Een aanrader!

Terug naar de grond. Als ik erover nadenk dan komt het mij als absurd voor dat het oppervlak van Moeder Aarde – de plek waaruit wij allemaal geboren zijn – verdeeld kan worden in partjes die verkocht kunnen worden aan individuen en organisaties, die dan vervolgens als enigen toegang tot die grond hebben. Stukjes aarde worden zo verboden gebied voor ieder ander, zowel fysiek als qua exploitatie. Trekken de vogels zich iets aan van deze vreemde mensenstreken? Welnee, die vliegen nog steeds van Oost- naar West-Berlijn, worden niet teruggefloten, ook niet neergeschoten – zoals Klein Orkest zo beeldend zong in Over de muur.

Is grond niet een basisrecht van alle wezens, zoals water, zoals lucht? We ontkennen dat recht en dat is absurd. Diezelfde absurdheid geldt ook voor ideeën. Zij zijn van niemand en horen dus ons gezamenlijk toe!

Print Friendly, PDF & Email

Een woord over de auteur

Stan Lenssen

Coacht en schrijft op en over thema's van het leven - Professional Certified Coach - gecertificeerd door ICF: de International Coach Federation, die staat voor kwaliteit in coaching. 'Ik voel me mateloos gedreven om mensen te stimuleren het beste in zichzelf te ontdekken en te activeren, zodat ze hun leven kunnen vormgeven op een manier die bij hen past en die hen gelukkig maakt.'

2 comments… add one

Leave a Comment

Privacyverklaring