Veganist of Don Quichot

Toen ik dit voorjaar de documentaire #Powerplant zag en kreeg uitgelegd dat een vlees-, vis- en zuivelvrij dieet een van de doeltreffendste manieren is om je aardse voetafdruk te verkleinen, werd ik veganist. Als iedereen dat deed, leerde ik, dan zou de broeikasgas-uitstoot met drieëntwintig procent verminderen, evenveel als de Europese en Amerikaanse emissie bij elkaar opgeteld. Ons landgebruik voor voedselproductie zou bovendien afnemen met een gebied zo groot als het complete continent Afrika. De druk op de laatste regenwouden zou daardoor in één klap verdwijnen en we zouden land terug kunnen gaan geven aan de natuur. De documentaire #Powerplant is een productie van de Nicolaas G. Pierson Foundation. Dat is het wetenschappelijk bureau van de Partij voor de Dieren.

Veganist worden heeft een veruit gunstiger impact op milieu en klimaat dan het veel gehoorde alternatief: overschakelen op duurzaam vlees, duurzame vis en duurzame zuivel. Überhaupt geldt voor de meesten van ons dat wanneer je je een veganistische levensstijl aanmeet, je een veel groter positief effect bereikt voor onze leefomgeving dan met welke andere aanpassing in je dagelijkse bezigheden ook.

Het was voor mij geen grote stap naar veganisme. Ik was inmiddels al langer dan een jaar vegetariër en dus ingesteld op een volledig vlees- en visloos dieet. Die verandering van mijn eetpatroon was me enorm meegevallen. Nu ook melk, eieren en kaas eraan moesten geloven, bleek ook dat geen gigantische ingreep. Achteraf gezien wordt die ingreep bovendien aanzienlijk beloond; er is een wereld voor mij opengegaan die vol is van verrassende, heerlijke en gezonde alternatieven, en die ook nog eens voordelig uitpakt.

Don Quichot

Ik ben blij met mijn geslaagde omschakeling en blij met de onverwachte voordelen die ermee gepaard gaan. Maar er zijn ook momenten van teleurstelling en frustratie, want ik heb moeten constateren dat mijn enthousiasme over mijn switch niet door iedereen gedeeld wordt. Zo gebeurde het dit najaar dat ik bij een gezellig onderonsje met een goede kennis overvallen werd door een reactie waar ik totaal niet op bedacht was. Op het moment dat ik mijn nieuw verworven vegan-status onthulde, schoot mijn gesprekspartner als een springveer rechtop, trok zijn hoofd naar achteren, zette grote ogen op en wierp me toe: ‘Maar Stan, wat een belachelijke onzin! Je kunt toch in je eentje het klimaat niet redden? Nu kun je niet meer bij ons eten!’

Ik voelde hoe het bloed ter plekke uit mijn wangen trok. Ik wilde iets terugzeggen, maar ik kon geen woorden vinden. Totdat iets van een automatisme mij te hulp schoot, want, terwijl ik er eigenlijk al van uitging dat de vlaag van boosheid die mij overviel mij zou verhinderen om passend te reageren, rolde plotseling kalm maar kordaat de volgende zin over mijn lippen: ‘Ik kan in mijn eentje inderdaad het klimaat niet redden, maar dat betekent nog niet dat ik eraan mee moet doen om het kapot te maken.’

Dat was een fikse domper op de gezelligheid. Hoewel mijn trots ternauwernood was gered door een werktuiglijke inval, voelde ik me weggezet als een Don Quichot. Ik was verbijsterd over deze uitbarsting van onbegrip. Deze persoon had een gerichte aanval op mij gedaan. Hij had het gewaagd mijn streven om iets bij te dragen aan de oplossing van een groot probleem, tot naïeve kul te degraderen. Hij had een pijnlijke trap gegeven in een diep gevoelde waarde; ik was niet serieus genomen – erger nog, dat waar ik mij druk om maakte was niet serieus genomen, dat waar ik voor sta was gekleineerd en belachelijk gemaakt. Zijn woorden hadden mij niet heviger kunnen krenken.

Een dilemma

Toen me dit overkwam, wist ik meteen dat ik erover wilde schrijven. Ik moest met deze uitbarsting van gevoelens aan de slag. Zij wierp een vraag op die ik per se wilde onderzoeken en die als volgt bij mij binnenkwam: wat doe je met jouw inspanningen om jouw aandeel te leveren aan een betere wereld als je het gevoel krijgt dat die wereld daar, geblinddoekt en op weg naar de afgrond, alleen maar hartelijk om lacht?

Ja, wat doe je als de beklemming je bekruipt dat de ernst van een crisis tot niemand doordringt? Wat doe je als je ziet dat vrienden en familie een dikke biefstuk of zalmmoot op hun bord blijven leggen zonder een glimp van gewetensnood; als ze stoïcijns het vliegtuig blijven pakken voor een weekendje Berlijn, of ijskoud een oceaanschip voor een cruise naar de Noordkaap?

Wat doe je als je doorkrijgt dat het bij aanvang van kabinet-Rutte III uit zijn as herrezen ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) niets anders is dan de verlengde arm van Land- en Tuinbouworganisatie (LTO) Nederland? Dus van de lobbyclub die optreedt voor de agrarische macht van de boeren, een sector die kampioen producent broeikasgassen is en die alles op alles lijkt te zetten om die dubieuze status vast te houden – en dat is nog slechts een deel van het kwaad dat in die sector plaatsvindt.

Even tussendoor:

Nederland telt 112 duizend miljonairs. Een vijfde daarvan is boer. De miljoenen worden grotendeels verdiend met de uitbating van dier-onterende, gecomputeriseerde veefabrieken en uiterst milieuschadelijke intensieve akkerbouw- en tuinbouwbedrijven. Het lijdt geen twijfel dat dat niet langer zo door kan gaan. Onder de boerenstand lijkt er evenwel weinig wil tot veranderen te zijn. We hebben dat met de boerenacties in de herfst van 2019 op een grimmige wijze kunnen ervaren. Het roer omgooien zou de belangen van de boeren te zeer aantasten. Maar even voor alle helderheid: over wiens belangen hebben we het eigenlijk? Over de belangen van de boeren-miljonairs die in kantoorpakken via beeldschermen hun enorme bedrijven besturen? Of over de belangen van de kleinere en de duurzame boeren, die gewoon met de klompen in de klei staan? Die tweede groep wil veelal niets liever dan veranderen. Die boeren willen graag met respect voor natuur en dier hun bedrijf uitoefenen, mits daar maar een eerlijke prijs tegenover staat. Daarvan heb ik ze regelmatig horen getuigen op debatten over dit onderwerp in de Rode Hoed, die ik in de winter en het voorjaar van 2019 bijwoonde. Maar, en dat bleek ook op die debatten, juist die prijs wordt enorm onder druk gehouden door het systeem van het mega-boerenbedrijf.

De boerenstand heeft dus eigenlijk heel hard de hulp van de overheid nodig om een nieuwe richting in te slaan. Maar ja, zoals gezegd, die overheid – het LNV-ministerie – is vooral een marionet van LTO Nederland. Datzelfde LTO Nederland lijkt slechts oog te hebben voor het behoud van de status quo van de eigen kring, ongeacht wat dat betekent voor alles daarbuiten. Daarmee stuurt het niet alleen de leefomgeving van mens en dier, maar uiteindelijk ook de eigen kring de verdoemenis in. LTO-voorzitter Marc Calon is er apetrots op dat hij driekwart van zijn A4’tje met wensen voor zijn boeren – waarvan je je dus af kunt vragen wie dat precies zijn – er in het regeerakkoord van Rutte III heeft weten door te drukken. Het is ook dat A4’tje waar LTO Nederland het opnieuw opgetuigde ministerie van LNV aan te danken heeft. Toen dat geregeld was, zou in de wandelgangen door LTO-vertegenwoordigers een vreugdekreet geslaakt zijn, in de trant van: ‘Yes, we hebben eindelijk óns ministerie terug!’ Veelzeggender kan haast niet. Het lijkt me duidelijk: vanuit de hoek van het ministerie valt noch voor de 120 miljoen dieren in Nederlands intensieve veehouderij, noch voor Moeder Aarde, noch voor die boeren die duurzaam willen werken, enige serieuze hulp te verwachten. (Voor wat meer inzicht in de macht van lobbyclubs zie het NOS-nieuwsuur-item: Schaduwmacht: wie zijn die machtige lobbyisten in Den Haag?, 20 december 2017. En bekijk met name het einde van het filmpje dat eronder staat, ongeveer vanaf minuut zeven, waar Calon het woord heeft.)

En vooruit, nog eentje in het kader van ‘wat doe je’. Wat doe je als je ontdekt dat het kabinet-Rutte III, dat zich het groenste ooit noemt en dat beweert een daadkrachtige transitie van fossiele naar duurzame energie na te streven, als je dus ontdekt dat dát kabinet nog steeds toestaat dat er jaarlijks 2,5 miljard aan subsidies gaan naar olie, kolen en gas – gelden die uiteindelijk toevloeien aan steenrijke fossiele reuzen als Shell en NAM? En wat doe je als je daarbij ontdekt dat datzelfde kabinet nog minder dan de helft investeert – 1,1 miljard – in duurzame energie? Het kabinet-Rutte III dweilt met de kraan open en het weet het. Dus, houden Mark en zijn trawanten ons burgers nou voor het lapje? (Zie het onderzoek van Milieudefensie, Overseas Development Institute en Climate Action Network Europe, 9 september 2019.)

Ja, wat doe je dan met jouw inspanningen in zo’n onwillige wereld? Ze lijken volslagen nutteloos, even effectief als lethargische berusting. Ben je dan toch een Don Quichot? Het dringt tot je door dat je op een tweesprong staat waar geen goede richting is – toch moet je een route kiezen: volharden tegen beter weten in, of ‘pragmatisch’ zijn en samen met de anderen blind potverterend de afgrond in.

De pest

Wat je doet? Wat ik in ieder geval doe: ik zet mijn inspanningen, in casu mijn veganisme, door. Niet omdat ik denk dat ik in mijn eentje de wereld kan veranderen; de waanzin van dat idee zie ik in. Niet omdat ik denk dat alle kleine beetjes helpen; hoewel ik weet dat dat waar is. En zeker niet omdat ik denk dat ik het goede voorbeeld moet geven; dat zou arrogant zijn.

Een van de hoofdpersonages in de roman De pest van de Franse filosoof Albert Camus (1913-1960) vertelt waarom ik dan wel doorzet. Daar ontspint zich een gelijkaardig dilemma, maar dan rond het recht dat een samenleving zich veroorlooft om te mogen doden.

De pest - Albert Camus

Boek: De pest – Albert Camus

Het verhaal van de roman speelt zich af in de Algerijnse kustplaats Oran, in de jaren veertig. In Oran breekt de pest uit. Daarop wordt de stad hermetisch afgesloten. Inwoners en bezoekers die het ongeluk hebben op het moment van de uitbraak binnen de poorten te zijn, zitten gevangen. Zij moeten samen het einde van de plaag afwachten. In angst en onzekerheid verkerend, reageert iedereen anders op deze verbinding door het lot. Sommigen trekken zich terug in hun huizen in een poging besmetting te ontlopen, sommigen buiten de situatie uit en gebruiken te schaarste die ontstaat om zich in een lucratieve positie te manoeuvreren, en sommigen slaan de handen ineen en werpen zich op als hulptroepen die proberen verlichting en orde te brengen.

De geschiedenis is geplaatst in de gewelddadige eerste helft van de vorige eeuw; Algerije is een Franse kolonie, Frankrijk kent de doodstraf, de bloedige Spaanse burgeroorlog is net ten einde, en – Camus maakt er geen toespelingen op, maar de lezer weet het – de continenten maken op het moment dat de roman speelt voor de tweede keer in drie decennia een oorlog van wereldomvang mee, waarbij ontelbare aantallen mensen de dood in worden gejaagd. Maar in Oran dringt de dystopie van buiten nauwelijks binnen. Oran, waar de pest heerst en mensen in stilte sterven, kent zijn eigen dystopie. Geïsoleerd door de plaag, onder de hete mediterrane zon en tegen het azuurblauwe decor van de Middellandse Zee beproeft Camus hier de moraal van een gemeenschap.

De ‘proefopstelling’ van Camus is niet alleen een moraaltoets; zij is ook een test voor kameraadschap, een thema dat in het werk van Camus vaak terugkomt. In het geteisterde Oran vindt op een avond, buiten, een ontroerend gesprek plaats tussen de vrienden Tarrou en Rieux (pp. 251-265). ‘Heldere sterren pinkelden aan de blinkend schoon gewaaide, geglazuurde hemel, waar de verre vuurtoren elke paar seconden een asgrijze veeg overheen trok. Het koele windje voerde geuren van kruiden en steen aan. Er heerste een absolute stilte.’ Tarrou legt onder die stille sterrenhemel aan zijn vriend een bekentenis af. Hij vertelt Rieux hoe hij zich ervoor schaamt dat hij deel uitmaakt van een wereld die het doden van mensen toestaat, terwijl hij niet in staat is om zich aan die wereld te onttrekken of haar als eenling te veranderen. Bovendien vertelt hij Rieux over zijn eigen hypocrisie; Tarrou heeft evenmin een schoon geweten.

Tarrous jeugdjaren waren welvarend en comfortabel. Zijn vader was advocaat-generaal en verdiende goed. Tarrou bewonderde hem. Totdat hij op zijn zeventiende zijn vader voor het eerst in zijn rode toga zag, op een rechtszaak, zijn requisitoir houdend – ‘een heel andere man, niet goedmoedig en liefdevol; in zijn mond krioelden lappen van zinnen die als een sliert slangen te voorschijn kwamen kruipen.’ Uit naam van de gemeenschap bepleitte zijn vader – voor Tarrous ogen – de doodstraf voor de beklaagde. De man werd schuldig bevonden en terechtgesteld. Deze ontdekking, over het terugkerende ritueel dat het werk van zijn vader was, hoe hij met andere woorden de kost voor hem en zijn moeder verdiende, maakte Tarrou onpasselijk en, nu hij dit wist, mededader. Hij trok zijn conclusies en verliet het ouderlijk huis.

Om de rekening met zijn verleden te vereffenen, werd Tarrou politiek actief in conflictgebieden in Europa. Het bracht hem echter geen gemoedsrust. Hij zag in dat hij door zijn politieke activiteiten nu zelf een moordenaar geworden was, zij het indirect, net als zijn vader, en vanuit eenzelfde rechtvaardiging. ‘Ik schaam me al heel lang,’ zegt hij, ‘ik schaam me dood omdat ik op mijn beurt een moordenaar ben geweest, ook al was het op een afstand en ook al was het met de beste bedoelingen.’ Het is nu eenmaal zo dat wij mensen onontkoombaar ‘allemaal aan de pest lijden’, allemaal besmet zijn door het kwaad; tot die slotsom was Tarrou uiteindelijk gekomen.

Maar Tarrou weigerde in zijn ‘besmetting’ te berusten. Daarom had hij op een dag besloten om ‘alles af te zweren wat, op welke manier dan ook, om goede of slechte redenen, mensen ter dood brengt of rechtvaardigt dat mensen ter dood worden gebracht.’

Tarrou realiseert zich overigens dat het verdedigbaar was geweest als hij zich had aangesloten bij de heersende orde, en zich had geschikt in de gangbare mores over het doden van medemensen. Die heersende orde zou dat hebben geaccepteerd – zij verwacht conformisme en moedigt het aan. Maar Tarrou kon daar niet mee uit de voeten. Voor hem weegt zijn morele besef zwaarder dan de zedelijkheid van de buitenwacht. Tarrou waant zich daarmee echter niet beter dan de anderen; hij verkeerde in gewetensnood en volgde een weg die het hem toeliet om een moreel evenwicht in zichzelf te vinden. Hij verwoordt het als volgt (pp. 261-262):

‘Ik weet ook dat ik waarschijnlijk geen oordeel kan vellen over die anderen. Ik kom iets tekort om bewust een moordenaar te kunnen zijn. Het is dus geen superioriteit. Maar nu accepteer ik mijzelf zoals ik ben, ik heb bescheidenheid geleerd. Het enige wat ik beweer is dat er op deze aarde plagen en slachtoffers zijn en dat je zoveel mogelijk moet voorkomen aan de kant van de plaag te staan. (…) Ik probeer een onschuldige moordenaar te zijn. Je ziet, ik heb geen grote ambitie.’

Aan een draadje trekken

We hadden het over mijn ‘waarom’ van veganist worden én blijven in een samenleving waarvan veel leden weinig bereidheid lijken te tonen om hun leefpatroon aan te passen ten bate van het milieu en het klimaat – intussen schamperen zij op de ‘naïevelingen’ die dat wel doen. Dat ‘waarom’ van mij laat zich op een vergelijkbare manier lezen als de woorden van Tarrou. Vrijwel mijn leven lang heb ik kritiekloos meegedaan aan de vlees-, vis- en zuivelconsumptie. Totdat ik op een bepaald moment niet meer om de stap naar veganisme heen kon. Ik was op een punt aangeland waarop ik te veel gelezen, gezien en gehoord had over de ontwrichtende invloed van het eten van producten van dierlijke oorsprong op het klimaat, op de biodiversiteit en op het welzijn van de wezens die wij er als productiemiddelen voor exploiteren; ik kon mijn hoofd niet nog langer in het zand gestoken houden.

Bewustwording kun je niet negeren, tenzij je bereid bent jezelf voor te liegen – en dat was ik niet van plan. Ik werd veganist omdat ik wilde doen wat juist voelde gegeven de ellende waarvan ik nu wist; het was een morele keus. Als sommigen mijn gewijzigde koers nonsens vinden, dan is dat wat mij betreft oké. Ik sta ze zelfs toe om te oordelen dat ik huichel, dat ik niet meer dan een doorzichtige poging doe om mijn schuldige geweten schoon te poetsen. Per slot van rekening lijd ik namelijk net zo aan de pest als zij.

Maar misschien ben ik nu te cynisch, want misschien zit het wel anders met die sommigen. Laat ik het voorbeeld nemen van die kennis die mijn stap afdeed als een onzinnige reddingspoging. Misschien zijn mensen zoals hij wel enorm begaan met het klimaat, maar verwachten ze rechttoe rechtaan oplossingen met heldere oorzaak-gevolgeffecten. Dan zijn ze dus oprecht in hun oordeel als ze anderen die ze individuele veranderingsstappen zien zetten, onzinnige ambitie verwijten. Die acties leveren immers niets op, althans niet iets waar zij zich een voorstelling bij kunnen maken.

Die logica volgend, kan ik een afwijzende houding ten aanzien van een beslissing als die van mij dus best begrijpen – of ten aanzien van diezelfde beslissing van ieder ander, want ik sta werkelijk niet alleen in mijn stap naar veganisme. Maar om zo rigide te denken voor mijn eigen keuzes, dat kan ik mijzelf niet toestaan. Ik realiseer me namelijk te goed dat het er zelden rechtlijnig en helder aan toegaat bij het oplossen van problemen, laat staan het oplossen van problemen van deze schaal. De systemen om ons heen zijn nu eenmaal te complex om ze te kunnen doorgronden, zeker voor een individu, en doorgronden is wel wat je nodig hebt als je op zoek bent naar rechttoe rechtaan helderheid. Voor mij zou er dan ook maar één conclusie mogelijk zijn als ik mijzelf voor zou houden dat een individuele stap, zoals het worden van een veganist, een onzinnige reddingspoging is: ik zou mezelf slechts bedriegen met een gerieflijk dienstvaardig oordeel, louter en alleen om makkelijk van de problemen af te komen, in casu niets te hoeven doen.

Complexiteit kan behoorlijk intimiderend zijn en daardoor aanmoedigen tot het vluchten in een gemakzuchtige houding. Bij complexe systemen is het vaak maar afwachten wat eruit komt als jij er iets in stopt. Je kunt hooguit proberen hun complexiteit wat te begrijpen door veel over ze te leren – om dan uiteraard tot de ontdekking te komen dat jouw beeld nooit anders dan een onmeetbaar vereenvoudigd begrip ervan kan zijn. Maar dat kleine beetje begrip is in ieder geval iets, een klein beetje licht dat schijnt op de constellatie in de donkerte daarbinnen. En als je naar eer en geweten wilt handelen, dan stem je op dat kleine beetje begrip jouw acties af. Vervolgens hoop je er het beste van. Dat is alles. Rechter en doorzichtiger dan dat wordt het niet. Dat dat weinig geruststellend is, geef ik direct toe.

Voor mijzelf sprekend en misschien ongegrond, bij zo veel duisterheid klamp ik mij maar vast aan een optimistisch vertrouwen in een vermoeden dat we makkelijk onze invloed onderschatten. Er zou, met andere woorden, weleens meer effect kunnen uitgaan van onze daden dan we beseffen, maar dan ergens op een moment of op een plaats waar het zich onttrekt aan onze waarneming. Er is iemand in Nederland die dit patroon moet kennen als geen ander, inclusief de frustratie die er vaak mee gepaard gaat. Dat is politica en publiciste Marianne Thieme van de Partij voor de Dieren. In haar boek Groeiend verzet gebruikt zij de metafoor van een tapijt om het te beschrijven. Dat gaat als volgt (2019, p. 138-139):

‘We leven in een ingewikkelde wereld waarin alles met alles samenhangt. Dat kan leiden tot een gevoel van vervreemding: waartegen je strijdt is zo groot, zo ver weg, zo abstract dat je niet weet waar je moet beginnen. Dit zijn zaken die je confronteren met je eigen nietigheid (…) Maar aan die complexiteit en samenhang zit ook een andere kant. Doordat alles met alles in verbinding staat, kan trekken aan die ene losse draad die je toevallig in handen hebt gekregen radicale gevolgen aan de andere kant van het tapijt hebben.’

Systeemcrisis

Toen ik dit stuk aan het schrijven was, heb ik me enkele keren afgevraagd of het niet veel te aanmatigend van mij was om mijn principiële keuze te vergelijken met die van Camus’ Tarrou. Want het is nogal wat om zoiets banaals als een eetpatroon te plaatsen tegenover het doden van mensen. Ging ik hier niet met veel te zwaar geschut tekeer? Maar steeds als ik daarover nadacht, wist ik: dit is oké. Ik zal uitleggen hoe dat zit.

Veganist zijn staat voor mij voor méér dan een eetpatroon. Het is mijn vreedzame protest tegen het gedrag dat wij mensen ons ten opzichte van de wereld om ons heen permitteren, een gedrag waarin wij alle entiteiten om ons heen lijken te beschouwen als bronnen die maar één doel hebben: het bevredigen van onze behoeften, hoe extravagant die ook zijn. Wij vinden blijkbaar – althans daar lijkt het sterk op – dat we de aarde, haar bodemschatten, de dieren en planten om ons heen, en soms zelfs onze medemensen grenzeloos mogen exploiteren. Dat is een praktijk waar ik niet bij wil horen. Veganist zijn is voor mij een levenshouding die dat uitdrukt.

De problemen waar wij voor staan, zijn sterk met elkaar verweven en ze gaan over veel meer zaken dan het klimaat en onze omgang met dieren. Door zelfzuchtig gedrag hebben wij onszelf in een systeemcrisis gemanoeuvreerd die een optelsom van crises is. De systeemcrisis is een klimaatcrisis, een ecologische crisis en een grondstoffencrisis ineen. En daarbovenop is zij een bestuurscrisis, want we tonen een groot onvermogen om adequaat op de problemen die we zelf veroorzaakt hebben, te reageren.

Helaas stopt het daar nog niet. De systeemcrisis is ook een democratiecrisis. In de laatste decennia – met de opkomst van het neoliberalisme – hebben grote bedrijven een ongezond sterke greep gekregen op de besluitvorming in de westerse democratieën. Via handelsverdragen waarin zij zich onttrekken aan nationale rechtspraak en via lobbycircuits die voor hen zo effectief zijn dat ze miljarden mogen kosten, zorgen zij goed voor hun strategische en financiële belangen. Op hetzelfde moment voelen aan de andere kant van het maatschappelijke spectrum burgers zich niet gehoord. In die leemte krijgt een tweede gevaar voor de democratie de kans om op te rukken: het populisme. Door zijn discriminerende en fascistische neigingen ondermijnt het de tolerantie voor anders zijn en anders denken, en daarmee tast het de kern van de democratie aan. (Leestip: De ontmanteling van de democratie, Marcel ten Hooven, 2018).

Zeker ook is de systeemcrisis een rechtvaardigheidscrisis. Onze samenleving kampt met een gevaarlijk groeiende ongelijkheid. Die ongelijkheid lijkt ons weer terug te brengen naar de verhoudingen van de negentiende eeuw. Toen bezat een kleine toplaag van rijke bourgeoisie en oude adel vrijwel al het maatschappelijke materiële vermogen. Intussen verrichtte de werkende klasse, tegen een armzalige beloning, de arbeid die voor het opbouwen en onderhouden van dat vermogen nodig was. Het verschil met onze eeuw is dat de rijken nu grote hightech ondernemers zijn, beleggers en bankiers, en chief officers van het grootbedrijf; verder ontwikkelt de huidige ongelijkheid zich opvallend parallel. (Leestip: Kapitaal in de 21ste eeuw, Thomas Piketty, 2014.)

Het is niet moeilijk om nog even door te gaan met dit lijstje van crises. Maar het punt dat ik wil maken is, dat ik wat ik waarneem maar niet los kan zien van een klakkeloze eigenbaat. Als een rode draad weeft die alle crises aaneen – zoiets als het tapijt van Marianne Thieme. De omvang van het weefwerk is enorm. Soms realiseer je je dat pas als je leest wat wetenschappers die met deze problematiek bezig zijn, daarover schrijven. Zoals bijvoorbeeld cultureel antropologe Leida Rijnhout doet in het volgende stukje. Dat gaat over de oneerlijkheid van onze ecologische voetafdruk (waarin overigens een hint schuilt naar nog een crisis: de groeiende spanning tussen arme en rijke landen):

‘Een rechtvaardige en duurzame ecologische voetafdruk is 1,8 ha, maar als we naar de gemiddelden kijken van Nederland (6,34 ha), Duitsland (4,57 ha) of de VS (7,19 ha), moeten we concluderen dat onze welvaart gebaseerd is op de natuurlijke hulpbronnen van ontwikkelingslanden. Dat we nog niet geconfronteerd zijn met grotere milieurampen is te danken aan die ontwikkelingslanden die ver beneden hun “rechtvaardig aandeel” van de ecologische voetafdruk leven. Dit gaat tegen de logica van sociale en ecologische rechtvaardigheid in. Landen in het Zuiden hebben het recht economieën tot een dergelijk niveau te brengen, zodat ze in hun basisbehoeften kunnen voorzien, zoals goed onderwijs, gezondheidszorg, goede huisvesting, schoon drinkwater, enzovoort.’

Het citaat komt uit de essaybundel Méér! (p.139). Daarin geven wetenschappers en journalisten vanuit verschillende invalshoeken analyses van de hedendaagse crises en het hedendaagse marktfalen. De cijfers zijn inmiddels oude data, neergeschreven in 2013. We leven nu in 2019 en de situatie is er niet veel beter op geworden. Maar wat zou er met die situatie gebeuren als we nu eens aan de rode draad van eigenbaat zouden trekken door er wat minder klakkeloos in te worden?

Ik, voor mijzelf, heb dat geprobeerd te doen met mijn overstap naar veganisme. Ik weet, het is een kleine daad, maar in elk geval een daad die nu niet meer zo nutteloos lijkt – wetende van die verwevenheid. Ook als er overigens niets gebeurt aan de andere kant van het tapijt, dan blijft die kleine daad voor mij nog steeds het morele juiste, en dus een goede weg. Want zij spreekt zich uit tegen een treurige reeks van crises, die zich stuk voor stuk rond net zo’n letaal thema afspelen als het dilemma van Tarrou.

Print Friendly, PDF & Email

Een woord over de auteur

Stan Lenssen

Coacht en schrijft op en over thema's van het leven - Professional Certified Coach - gecertificeerd door ICF: de International Coach Federation, die staat voor kwaliteit in coaching. 'Ik voel me mateloos gedreven om mensen te stimuleren het beste in zichzelf te ontdekken en te activeren, zodat ze hun leven kunnen vormgeven op een manier die bij hen past en die hen gelukkig maakt.'

4 comments… add one
  • Huub Koch 1 nov 2019, 23:28

    Dag Stan,

    Je snijdt hier echt een dilemma aan. Een vraagstuk dat overigens wordt gedeeld door velen, al lijkt het op ‘een serie kleine eenzaamheden’ (Barthes). Waar je na verloop van tijd niet meer aan denkt – door enerzijds ‘de complexiteit’ – versus weerkerende wrijvingen op verjaardagen en andere feestdagen. Als vegetarier had mijn vrouw daar 40 jaar last van. Wat dat betreft liggen de systemen en patronen vaak dichterbij dan je zou willen. Vaak ‘onoplosbaar’ in onze tijdelijke en voorlopige dagelijkse leefruimte.

    Even afgezien van de huidige situatie dat het lawaai van de feiten steeds meer hoorbaar en voelbaar is – ook de tegengeluiden worden steeds duidelijker – blijft het in wezen altijd een eenzaam besluit. Daardoor kom je alleen te staan.

    Maarten Houtman (zenmeester) zegt daarover: ‘Als je deze stroom volgt, kom je een sluis tegen, en die bestaat eruit dat je totaal op jezelf teruggeworpen wordt, dat je niet meer hebt dan die je bent. Dat geeft vanuit het ‘ik’-beleven een gevoel van verlatenheid. En dat is ook zo, je bent ook verlaten. Maar dat is noodzakelijk om oor en oog en gevoel te krijgen voor dat totaal andere.’ https://bit.ly/2C5PFMA

    In mijn persoonlijke ervaring bestaat vormgeven aan jezelf uit het maken van ik-statements. Het is het enige materiaal waar je invloed op hebt. Alles wat buiten het eigen ik ligt gaat zijn eigen weg. Zelfs in die mate dat we kunnen constateren dat de omgeving – micro en macro – niet alleen complex is, maar ook een mysterie. Als we goed kijken naar onszelf dan zien we dat we zelfs daar maar een beperkte invloed hebben. Dat bewustzijn kan tot gelatenheid leiden of cynisme. Of tot schuldgevoel en wanhoop. Maar zoals je verhaal over Tarrou al laat zien leidt dat nergens toe.

    Aan draden trekken is wat dat betreft nog zo gek niet. Het zijn de kleine dingen die het doen.

    • Stan Lenssen 6 nov 2019, 15:53

      Scherpe analyse Huub. Dank.
      Ik heb de mp3 van Maarten Houtman beluisterd, over de droom.
      Onverholen tip: die mp3 beluisteren zou iedereen die dit leest kunnen doen, iedereen die met iets vergelijkbaars worstelt als ik en dat beseft. Het levert je de inschikkelijkheid op van Sancho Panza, ten aanzien van de ander en ten aanzien jezelf. Dat is bevrijdend.
      Groet,
      Stan

  • Pieter 6 dec 2019, 13:24

    Denk dat er voor het broeikas effect te verminderen meerdere dingen, liefst tegelijkertijd moeten gebeuren.

    Excuus dat veel mensen maken is, ja maar wat een ander doet is veel erger en een veel groter probleem ….

    Bijv. automobilisten, ja maar vrachtwagen zijn veel erger …
    Vleeseters, ja maar de boeren …
    Vervuiling in Nederland, ja maar Amerika en China …

    En als boer kan ik me ook voorstellen dat je denk, maar anderen doen ook weinig concessies waarom moet het hele probleem door mij opgelost worden.

    Denk dat alles helpt, voor mij is veganist worden een brug te ver maar alle respect voor mensen die al wel deze stap hebben genomen. Maar denk dat alleen al het vlees minderen ook al enorm gaat schelen en is nog voordeliger voor je beurs ook. En ook al is het een druppel op een gloeiende plaat, je hebt daarna ook het recht om anderen aan te spreken en iets te vinden van anderen die geen concessies doen voor het algemeen goed. En dit is denk ik even belangrijk.

Leave a Comment

Privacyverklaring