Waardigheid bij een universeel basisinkomen

Onder invloed van corona duikt het overal ineens weer op: het idee van een basisinkomen. Een paar voorbeelden:

In Nederland toont de overheid onverwacht compassie met de lang veronachtzaamde zzp’ers. Ze kunnen enkele maanden aanspraak maken op een financiële tegemoetkoming. Daaraan zijn weinig voorwaarden verbonden, als ze maar door de crisis zonder werk zijn komen te zitten. Het lijkt sterk op een tijdelijk basisinkomen. Het is hard nodig om de boel niet om te laten vallen; de zzp’ers zijn in krap vijftien jaar tijd een factor van belang geworden voor de Nederlandse economie. Niet alleen aan de productiekant, maar ook als consumenten. Het zijn er inmiddels 1,1 miljoen.

In Spanje kijken ze al verder weg. Daar wordt serieus werk gemaakt van een permanent basisinkomen post-corona. Het zou gaan om een toelage voor mensen met weinig inkomsten en kwetsbare huishoudens. Wanneer en hoe precies is allemaal nog onzeker, maar de Spaanse vice-premier heeft verzekerd dat het er beslist gaat komen.

In het behoudende Engeland zit plotsklaps ook beweging. Premier Boris Johnson zou hebben gezegd dat hij de invoering van een basisinkomen voor zijn land overweegt. Hij deed er een ongewoon progressieve uitspraak mee voor een conservatieve leider. Hij bleef handen schudden, waarop het virus hem te grazen nam. Wie weet, heeft dat hem nieuwe inzichten gegeven.

En in de VS krijgt iedereen, behalve veelverdieners, een cheque van iets van duizend dollar uitgereikt, bedoeld om de economische coronaschade te verzachten. Inderdaad, het is eenmalig, maar het is revolutionair voor een orthodox kapitalistisch land als de VS. Ook daar kalft het politieke taboe op het basisinkomen af.

Universeel basisinkomen – voors

Het te berde brengen van het basisinkomen wordt niet meer per definitie weggehoond als linkse dagdromerij. Het is echter de vraag of de kentering doorzet. We zien nu tijdelijke regelingen en deeloplossingen. Geen ervan omarmt het idee van een universeel basisinkomen – een basisinkomen voor iedereen.

Er is veel te zeggen voor een universeel basisinkomen. Het rekent af met het ontbreken van de beloning voor al het werk dat nu onbetaald wordt gedaan door onder andere huisvrouwen, huismannen en vrijwilligers. Werk dat van vitaal belang is om de maatschappij en de economie draaiende te houden, maar dat in ons economische systeem gebagatelliseerd wordt omdat er geen salaris tegenover staat.

Ook behoedt een universeel basisinkomen mensen zonder vermogen waarvan het inkomen tijdelijk wegvalt, voor de stress van niet rond te kunnen komen in het dagelijkse bestaan. Het hebben van een basisinkomen geeft mentale rust en ademruimte. Het zorgt ervoor dat mensen sterker staan bij het solliciteren en dat ze weloverwogen keuzes kunnen maken. En als het om het beginnen van een onderneming gaat, beperkt het de noodzaak van een startkapitaal.

Ook maatschappelijk heeft een universeel basisinkomen voordelen. Het is onder andere een investering in sociale en economische stabiliteit. In tijden van crisis – we maken er nu een mee – zorgt het voor een dempende werking. De sociale en economische structuur stort minder snel ineen.

In Kapitaal en ideologie (2020) rekent de Franse econoom Thomas Piketty voor hoe een universeel basisinkomen gefinancierd kan worden. Hij bedt het in in een systeem met een progressief belastingstelsel op inkomen en vermogen. Daarmee waarborgt hij dat zo’n basisinkomen vooral ten goede komt aan de minder welgestelden en geen extra bonus is voor de rijkeren in de samenleving, terwijl het tegelijkertijd wel voor iedereen blijft gelden.

Universeel basisinkomen – tegens

Er zijn ook bedenkingen bij een universeel basisinkomen. Het kan bijvoorbeeld het minimumloon onder druk zetten; bedrijven kunnen het basisinkomen aangrijpen om de salarissen van hun werknemers te verlagen; en voor overheden kan het basisinkomen een aanleiding zijn om bestaande sociale regelingen uit te kleden en zich nog verder terug te trekken dan ze nu al doen. Het zijn mogelijke neveneffecten die de al tanende gelijkheid in de samenleving nog grondiger kunnen ondermijnen.

Die neveneffecten passen in het straatje van het vrijemarktkapitalisme. Sommige neoliberalen zijn dan ook opvallend geporteerd van het basisinkomen. Zij zien het als een kans op nog meer marktwerking en nog minder overheid.

Er wordt wel beweerd dat het idee van het basisinkomen in de hoek van het vrijemarktkapitalisme voor het eerst is opgedoken. De naam Milton Friedman valt dan nogal eens. Deze Amerikaanse econoom en zijn Oostenrijkse collega Friedrich Hayek waren in de twintigste eeuw dé gangmakers en inspirators van de neoliberale stroming. Friedman zou zo’n zestig jaar geleden het idee van het basisinkomen hebben geïntroduceerd. In een interview dat het NOS-programma Met het Oog op Morgen op woensdag 18 maart van dit jaar uitzond met Alexander de Roo, voorzitter van de Vereniging Basisinkomen, wordt dat nog eens gememoreerd.

Maar het gaat te ver om Friedman deze eer toe te kennen, want in 1795 – in de tijd van de Franse Revolutie – werd het basisinkomen al voorgesteld aan Franse parlementariërs door de Engels-Amerikaanse vrijdenker Thomas Paine. Hij pleitte ervoor het te financieren door erfenissen met tien procent te belasten (bron: Kapitaal en ideologie, Piketty, 2020, p. 140).

Waardigheid

De invoering van een universeel basisinkomen zou het vertrouwde paradigma van inkomen en werk behoorlijk op zijn kop zetten. Het zou dan niet meer vanzelfsprekend zijn dat het hebben van of het streven naar een baan of een onderneming, de voorwaarde is voor het ontvangen van een salaris of een financiële tegemoetkoming.

Zijn we geestelijk klaar voor zo’n grote maatschappelijke stap? Zijn we er al aan toe om elkaar, los van de hoopvolle signalen die er zijn en los van de discussie over de voors en tegens, zonder de oude voorwaarden toch een inkomen te gunnen?

Ik denk dat er nog heel wat water door de Nederlandse delta moet voor het zover is. Ik zal mijn scepsis toelichten aan de hand van een argument tegen het basisinkomen dat ik las in het boek Identiteitspolitiek (2019) van de Amerikaanse politicoloog-filosoof Francis Fukuyama. Hij schrijft:

‘De relatie tussen inkomen en waardigheid suggereert (…) waarom iets als een gegarandeerd basisinkomen als oplossing voor het banenverlies als gevolg van automatisering geen sociale vrede op zal leveren of mensen gelukkig zal maken. Het hebben van een baan brengt niet alleen middelen met zich mee, maar ook erkenning door de rest van de samenleving dat je iets doet wat een sociale waarde heeft. Iemand die betaald wordt om niets te doen heeft geen reden om trots te zijn.’ (Identiteit, Fukuyama, 2019, p. 113)

Waardigheid is een kernbegrip in het boek van Fukuyama. Hij definieert waardigheid als het besef dat je waarde als mens door de anderen erkend wordt. Die erkenning is voor ons belangrijker dan wat ook, stelt hij. Volgens Fukuyama houden we onszelf dan ook voor de gek door vol te houden dat ons handelen vooral economisch gemotiveerd is, met andere woorden, erop gericht is onze materiële verlangens te bevredigen. In feite handelen we, stelt hij, vanuit een verlangen naar de erkenning van onze waarde als mens door onze medemensen.

Wat me aanspreekt in Fukuyama’s denken is dat hij zich zorgen maakt over het verlies van waardigheid dat mensen kunnen voelen als ze hun baan kwijtraken. Wat me minder aanspreekt, is dat hij concludeert dat dat gevoelde verlies te wijten is aan het wegvallen van de koppeling tussen baan en inkomen. Inkomen voor werk is namelijk, vertelt Fukuyama elders in zijn boek, de manier waarop de maatschappij je betekenis als mens erkent. Dat is wat hij bedoelt met ‘de relatie tussen inkomen en waardigheid’. Zodra inkomsten om niet worden gegeven, verdwijnt de erkenning en word je betekenisloos: ‘Iemand die betaald wordt om niets te doen heeft geen reden om trots te zijn.’

Fukuyama’s zienswijze komt op mij nogal schamel over. Hij zou zijn woorden kunnen nuanceren door zich af te vragen: is het bij een inkomen zonder baan toch mogelijk je waarde als mens door anderen erkend te weten? En: is het werkelijk waar dat inkomen om niet inkomen voor nietsdoen is? Maar dat doet hij niet.

Fukuyama valt voor de verleiding om iets wat complex en genuanceerd is naar een simpele, eendimensionale maatstaf terug te brengen. De erkenning van de werkende mens giet hij in de platte materiële vorm van inkomen. Mutatis mutandis stelt hij: een basisinkomen is geen erkenning want er staat geen werk tegenover. Door te zeggen dat je dan geen reden hebt om trots te zijn, suggereert hij zelfs dat het ten koste gaat van iemands waardigheid.

Ik heb vaak het gevoel dat de samenleving er ook zo over denkt en zo een sfeer in stand houdt waarin een universeel basisinkomen weinig kans maakt. Die houding is met name aangewakkerd in de afgelopen neoliberale decennia.

De neoliberale bias

Milton Friedman zag hebzucht als iets goeds. Hij kreeg er in 1976 de Nobelprijs voor Economie voor. Veertig jaar neoliberalisme heeft ervoor gezorgd dat financieel nut het centrale thema van onze maatschappij geworden is en dat het individuele belang voorop is komen te staan. We hebben ons dientengevolge ingeprent zo spaarzaam mogelijk te zijn als het erom gaat geld voor de collectieve zaak in te zetten. Niet de gelukkige samenleving maar persoonlijk gewin is het grote maatschappelijke plan geworden. Met die ambitie zijn we zo volkomen vergroeid geraakt dat we de verbeeldingskracht hebben verloren om te zien dat het ook nog anders kan. Ik noem dat de neoliberale bias.

Als ik zoiets lees als ‘Iemand die betaald wordt om niets te doen heeft geen reden om trots te zijn’, dan moet ik erg denken aan de crisistijd van de jaren tachtig met zijn enorme werkeloosheid. Het was de tijd waarin het neoliberalisme opstond, omdat het in de mores van toen een rijke voedingsbodem vond. Veel mensen waren in die jaren aangewezen op een uitkering. In kringen van rechts tot links werden die mensen gestigmatiseerd als uitvreters. Sociale media hadden we toen nog niet, maar de vernederingen waren dagelijks te lezen in de bladen en te horen en te zien op radio en tv.

Laten we eens kijken naar de vragen die Fukuyama vermeed: is het bij een inkomen zonder baan toch mogelijk je waarde als mens door anderen erkend te weten, is het werkelijk waar dat inkomen om niet inkomen voor nietsdoen is?

Ik denk dat het ene heel goed kan en het andere niet waar is. Om het bewijs daarvan te zien, hoef ik alleen maar te kijken naar het voorbeeld van al die gepensioneerden in onze samenleving. Ze weten zich vaak enorm gewaardeerd en erkend, en dat heeft zeker niet alleen met hun vroegere verdiensten te maken. Velen van hen steken met veel enthousiasme hun tijd in verenigingswerk, in zorg voor de kleinkinderen, in advisering en mentorschap, in activiteiten voor natuur en milieu en een socialere maatschappij, in het beoefenen van toneel, muziek, schrijven, in het maken van beeldende kunst en ga zo maar door. Ze ervaren dat ze zinvol bezig zijn en dat ze alle reden hebben om trots te zijn.

Bij ons in Nederland hebben deze mensen een inkomen, in de vorm van een opgebouwd pensioen of in ieder geval een AOW-uitkering. In onze beperkte definitie van het begrip ‘economie’ zijn dat – zeker voor wat de AOW betreft – alleen maar kosten en toch erkennen we met zijn allen de sociale waarde die deze mensen toevoegen aan onze samenleving. Onze maatschappij vertoont geen enkele neiging die sociale waarde te koppelen aan het inkomen dat er bij hen maandelijks binnenrolt.

Wat maakt het toch zo lastig om diezelfde houding in te nemen ten aanzien van al die ánderen die een uitkering ontvangen zonder baan? Als we Fukuyama’s logica volgen dan ligt al snel de conclusie voor de hand dat deze mensen betaald worden om niets te doen. Dan plakken we, analoog aan de jaren tachtig, hen het stigma op van uitvreters en vinden we dat ze geen reden hebben om trots te zijn. Ik zit zelf niet al te veel op de sociale media, maar ik vermoed dat in onze tijd zo’n giftige mening daar daadwerkelijk regelmatig gespuid wordt.

Dat is natuurlijk onverdiend, omdat het voorbij gaat aan de sociale bijdrage die velen van hen leveren. Want de werkelijkheid is, en ik zie dat dagelijks om mij heen, dat veel van deze mensen, net als onze gewaardeerde gepensioneerden, met veel enthousiasme hun tijd stoppen in verenigingswerk, in zorg voor de familie, in advisering en mentorschap, in activiteiten voor natuur en milieu en een socialere maatschappij, in het beoefenen van toneel, muziek, schrijven, in het maken van beeldende kunst en ga zo maar door. Ook zij ervaren dat ze zinvol bezig zijn en alle reden hebben om trots te zijn.

Een nieuw paradigma over inkomen en werk

Eigenlijk oefenen we al lang met zoiets als een basisinkomen. Alleen, zolang de neoliberale bias ons parten speelt is het een uitdaging om dat in te zien. Fukuyama verwoordt een breed gedragen idee dat wordt gevoed door de neoliberale bias: je bent een onwaardige nietsnut als inkomen je zomaar wordt toegeworpen.

Waar de behoefte om mensen hun trots te ontnemen op wijst, is dat we nog steeds een conservatieve verhouding tot werken hebben. We koppelen werken aan direct economisch nut: het moet geld in het laatje brengen. Doet het dat niet, dan kun je er geen waardigheid aan ontlenen. Schatplichtig als we ons voelen aan dat ingesleten denkpatroon, doen we ons uiterste best om aan te tonen dat inkomen uit werk het equivalent van waardigheid is. We tonen ons nog steeds slecht in staat om in te zien dat de werkelijke waardigheid te vinden is in zaken als de intrinsieke vreugde van zelfontplooiing, de dankbaarheid van buurtgenoten, en het sociale plezier van het gezamenlijk optrekken naar een inhoudelijk doel dat er toe doet.

Zolang we werk niet in een breder perspectief durven zien, is een universeel basisinkomen nog ver weg. Met een breder perspectief bedoel ik: dat we werk dat we nu niet als werk beschouwen als werk gaan erkennen; dat we inzien dat het er voor de waardigheid niet toe doet dat het wordt gedaan buiten een dienstverband of ondernemersinitiatief; en dat we toegeven dat we fout zitten als we stellen dat de mensen die dat werk doen buiten het arbeidsproces staan.

Stel je eens voor dat we tegen elkaar gaan zeggen: ’Kijk, hier heb je geld waar geen contract tegenover hoeft te staan want we zijn bij voorbaat al overtuigd van je bijdrage aan de samenleving.’ Dat is behoorlijk tegen de heersende maatschappelijke en politieke overtuiging in. Dan hebben we het over een heel nieuw paradigma over inkomen en werk. Dan zijn we ver voorbij de neoliberale economie. Zeker, het is de moeite waard om daaraan te werken. Maar zo’n verschuiving gaat lang niet zo rap als de verspreiding van een virus.

Print Friendly, PDF & Email

Een woord over de auteur

Stan Lenssen

Coacht en schrijft op en over thema's van het leven - Professional Certified Coach - gecertificeerd door ICF: de International Coach Federation, die staat voor kwaliteit in coaching. 'Ik voel me mateloos gedreven om mensen te stimuleren het beste in zichzelf te ontdekken en te activeren, zodat we ons leven hier kunnen vormgeven op een manier die iedereen gelukkig maakt.'

3 comments… add one
  • Huub Koch 12 jun 2020, 16:00

    Beste Stan,

    Mooi hoe je dit vraagstuk van alle kanten bekijkt en ontleedt.

    Wat mij betreft is deze opmerking daarin een hele belangrijke: ‘Dat is natuurlijk onverdiend, omdat het voorbij gaat aan de sociale bijdrage die velen van hen leveren.’ Laatste alinea voor je afsluiting – Een nieuw paradigma over inkomen en werk.

    Wellicht moeten we inderdaad – om boven de voors en tegens uit te stijgen – deze kwestie vanuit een ander perspectief benaderen. “Je kunt een probleem niet oplossen met de denkwijze die het heeft veroorzaakt” zei Einstein al. “Te midden van de moeilijkheid ligt de mogelijkheid”.

    De oude Chinezen zeiden al: “Geef een hongerige een vis en hij blijft hongerig. Leer hem vissen en hij kan zichzelf voeden”. Als je dat gezegde als uitgangspunt neemt en laat aansluiten bij het idee van het basisinkomen, dan zou je ook kunnen denken in termen van ‘tijdelijk’.

    Sociale bijdrage, persoonlijke- en maatschappelijke zingeving, gedachten over werk en inkomen hoeven elkaar niet uit te sluiten. Echt zelfstandig ondernemen is iets dat een leertraject omvat. Van een positie als werknemer naar ondernemerschap gaan vraagt tijd en het overwinnen van angst, onzekerheid en het aanleren van nieuwe vaardigheden. Niet zo simpel dus.

    Als een basisinkomen als vangnet zou worden gebruikt – tijdelijk of zolang als nodig – dan geeft dat een veel groter aantal mensen van onze bevolking de gelegenheid om te wennen aan autonomie enerzijds en vertrouwen ontwikkelen in eigen kracht en waarde anderzijds. Dan wordt het een maatschappelijk gedragen experiment en kan het een keuze zijn die stapsgewijs te implementeren is.

    Het mag duidelijk zijn dat de banen in de toekomst niet meer voor het oprapen liggen. Een basisinkomen zou dan een overgang kunnen zijn naar een samenleving die waarde anders gaat interpreteren dan in termen van geld. Die kans ligt in ‘het sociale goud’ dat nu onbenut blijft. Beleid heeft echter wel kaders nodig. Wat denkwerk betreft zijn we er nog niet.

    Wie weet dat deze tijd daar een startpunt voor kan zijn.

    Hartelijke groet van Huub

    • Stan Lenssen 12 jun 2020, 16:09

      Corona heeft ons afgeremd. Dat is goed. We hebben het veel te lang moeten stellen zonder bezinning. Die ruimte is er nu. Ik merk dat zelf en ik merk het bij anderen om me heen. Ik ben hoopvol en benieuwd. Wie weet staan we inderdaad op een nieuw startpunt.
      Dank je wel voor je bijdrage Huub.
      Alle goeds,
      Stan

  • Henri Straver. 6 jul 2020, 21:58

    Het idee van een basis inkomen.Is een mooie en misschien ooit werkelijke utopie.
    En inderdaad,verdere digitalisering,automatisering en al wat meer zei.
    Zullen op termijn,echt een heleboel mensen,van huidige banen kunnen beroven.
    In theorie,lijkt het daar ook al snel op.De werkelijkheid is echter,dat ik als kind.De boekhouder van mijn vader,hoorde vertellen.Dat computers,waar we toen niet veel van wisten.vrijwel alle boekhouders werkloos zou maken.Daar had die man toen deels gelijk in.Was het niet dat,er nu veel meer boekhouders zijn dan ooit tevoren.En de computers,meer werk hebben verschaft aan mensen.Dan dat ze mensen werkloos hebben gemaakt.Dus tussen theorie en praktijk,zit een wereld van verschil.Gewoonweg omdat de grilligheid,van de wereld.Zo veel groter is dan ons verstand,kan doen indenken.Als je de vergrijzing van Nederland en feitelijk,van vrijwel heel de Westerse en deels Oosterse wereld,daar ook nog eens aan toevoegd.Heb je in de toekomst,niet minder mensen nodig die werken.Maar juist meer.Iedereen die daar aan moge twijfelen.
    Tel alle busjes,maar eens op.Met werklui,uit Polen,Hongarije,Rusland en al wat meer zei.Die er op dit moment in Nederland en de rest van de E.U werkzaam zijn.Dat zijn er honderd duizenden aan werk krachten.Dood eenvoudig omdat we het werk,dat gedaan moet worden niet aan kunnen.Dat was al zo.Dat is zo en dat blijft voorlopig zo.
    Computers/robots verven geen huizen,maken geen lekkende kranen,ontstoppen geen rioleringen,En verschonen geen luiers.En zo is er nog teveel om op te noemen.En ja,dat zullen computers/robots ooit allemaal wel gaan kunnen.Maar dan zijn wij er niet meer.
    en ook diegene,die nu over een basis inkomen praten,met als rede de komende werkloosheid.Zijn er dan niet meer.Wie er dan moge leven.Leven in zo n geheel andere wereld,dan die van nu.Dat ze onder die omstandigheden,moeten zien wat mogelijk is.
    Dus een beetje filosoferen,over een basis inkomen.Is wel leuk en hoeft geen kwaad te kunnen.Maar ieder,die nuchter van geest is.Ziet dat er voorlopig nog heel heel veel werk is.Waar handjes voor nodig zijn.
    Daar hadden ze vroeger,hier in Rotterdam,een gezegde voor.
    Niet lullen maar poetsen!
    Ik begrijp,dat dit allemaal een beetje bot over kan komen.
    Maar zo zie ik wel de realiteit.
    Ik wou dat ik kon toveren,zong Herman van Veen ooit.
    Daar sluit ik me bij aan en dit commentaar af.
    Groeten,
    Henri Straver.

Leave a Comment

Privacyverklaring