
Overal staan de borden; het is bijna tijd om weer het juiste rondje rood te maken.
Deze winter las ik De brug over de Drina van Ivo Andric – over de verwikkelingen van de bewoners van en rond het plaatsje Visegrad aan de Bosnisch-Servische grens. Het verhaal bestrijkt een periode van zo’n 350 jaar, vanaf eind zestiende eeuw tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.
De Drina is een rivier die tevens grotendeels grens is. Toen in de zestiende eeuw het Osmaanse rijk zich tot in de balkanregio uitstrekte, is er bij Visegrad een brug over aangelegd.
De uitvoerder was de grootvizier van de sultan. Hij was een christelijke jongen die als bloedpacht was meegenomen door de Turken. Onder de sultan klom hij omhoog naar de toppositie van grootvizier, om in die hoedanigheid weer terug te keren naar zijn geboortegrond bij Visegrad voor de bouw van de brug.
De brug is de constante factor die de geschiedenis van de omliggende rijken en hun krachtenvelden over de Drina verbindt. Het epos vertelt het verhaal van gewone mensen die in de regio – los van de grote krachten, gebeurtenissen en (godsdienst)twisten – hun eenvoudige levens pogen te leiden, zoals dat overal zo is.
Toch kunnen die levens niet onbeïnvloed blijven van de machten die buiten hen om spelen. Ze worden erin meegetrokken; dat is het lot van de gewone mens. Hij wordt verbruikt en gebruikt, en kan daar niets aan doen. Het leiden wordt nogal eens lijden.
Maar er gloort ook wel eens hoop.
Deze winter is in New York Zohran Mamdani tot burgemeester gekozen, een sociaaldemocraat in hart en nieren, een moslim ook. Iemand die het lef heeft om het grootkapitaal aan te spreken op zijn verantwoordelijkheid en de extreem-populistische en op autocratie aansturende Trump uit te dagen. Mamdani noemt zichzelf een socialist. Dat is een scheldwoord in de VS, maar Mamdani verheft het tot geuzennaam.
Wij kiezen geen burgemeesters, wij kiezen volksvertegenwoordigers. In onze steden en dorpen zijn dat de leden van de gemeenteraad. Maar durven wij ze straks ook zó te kiezen?
Opkomen voor en solidair zijn met de zwaksten in de samenleving begint wat mij betreft bij de andere dieren. Rechteloos zijn ze, we behandelen ze als productiemachines en zo niet, dan beschouwen we ze al te vaak als nutteloos, als overbodig, als sta-in-de-wegs, als indringers.
En is dat ook niet wat we doen een stapje hoger in de pikorde van de dieren? Als we kijken naar onze eigen soort en dan de minst weerbaren onder ons? Het zijn de vluchtelingen en de immigranten die geen kant op kunnen en die we net zo beschouwen als zijnde indringers.
Het mag duidelijk zijn in welke hoek van het politieke spectrum ik op 18 maart een rondje rood maak.
In de eerste januari-weken van dit jaar moest ik boven het toetsenbord de kou van vergeten winterse weersomstandigheden uit mijn handen wrijven. Wat waren we dat kwijt zeg, dat het nog niet zo lang geleden in januari elk jaar zo was. Een groot ongemak, waarvoor ik op zoek ging naar handwarmers. Géén handschoenen – dat is lastig bladeren en toetsen bedienen. Het moesten van die Scrooge-warmers zijn zonder vingertoppen.
Van die Dickens-oplossingen voor de vroegere arme luiden, die woonden in hun tochtige krotten; onverwarmd, hoogstens een levensgevaarlijke vuurplaats in een hoek onder een provisorisch rookkanaal in de muur of het dak, voorstellende een schoorsteen. In de oude tijden gingen er niet zomaar per ongeluk hele binnensteden en krottenwijken in vlammen en rook op. Dat, ja ook dat, had alles vandoen met een enorme mate van onrecht in de wereld.
Ik denk dat ik kou lijd, ik meen dat ik het lastig heb, maar ik ben gewoon niets minder dan verwend. Vraag het de Oekraïners. Ik kan comfortabel en veilig de boeken induiken om iets te leren van werelden die mij in mijn geprivilegieerde leventje vreemd zijn. Dat klinkt cynisch, en toch levert het mij iets belangrijks op: waakzaamheid.
Victor Hugo besteedt in zijn roman De miserabelen een heel hoofdstuk aan wat hij noemt De twee plichten: waken en hopen. Hij waarschuwt voor het sociale gevaar van ongelijkheid. Hij waarschuwt voor de daaruit voortvloeiende maatschappelijke ondermijning die even ‘fataal als de bliksem’ is.
En hij geeft een antwoord voor hoe daarop als samenleving te reageren:
Geef de misdeelde massa’s ‘lucht en licht’, heb ze lief. We moeten ‘kwistig zijn met alle vormen van onderwijs’. Het draait om ontwikkeling en zinvolle arbeid en ‘het gewicht van de individuele last verminderen door het besef van het algemene doel te versterken’.
In Victor Hugo’s moraal is intellectuele en morele groei even onontbeerlijk als materieel welzijn. Het is een en-enverhaal, en hij wordt niet moe het in zijn imposante roman – meer dan dertienhonderd pagina’s lang – te blijven benadrukken. Want, voor wie het in alle hedendaagse popularisering van het verhaal gemist had, dáár gaat De miserabelen werkelijk over.
Twee eeuwen verder is er aan die logica nog niets veranderd, net zo min als aan de noodzaak om eraan te werken. Misschien goed om, in de luwte van het stemhokje met het rode potlood boven de kieslijsten, daar eens over na te denken voordat een rondje wordt ingekleurd.
Goed, ik ging op zoek naar vingertoploze handschoenen om me tegelijkertijd een Dickens-sloeber voelen. Was dat laatste werkelijk nodig? Hele kledingboetieks vol van dit soort handschoenen bleken te worden aangeboden op het internet. Zou het mode zijn? Of is er veel meer verborgen armoede in het welvarende Nederland dan ik vermoedde?
Verantwoording:
- Parafrasering en citaten van Victor Hugo komen uit Tatjana Daans fenomenale en complete vertaling van De miserabelen, Stichting Uitgeverij Papieren Tijger, Breda, 2023, p. 939
Ontdek meer van Stan Lenssen
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.