Dichtwerk, Leeslengte kort

Partnerruil

Havermout bij het doorzonraam,
dáár staat de ronde tafel.

Over het hout scheren stralen,
geel en ijl staan beneden iepen.

Vier nijlganzen kruisen –
wisselen partners.

Van twee nieuwe paren
vliegt elk een kant uit
het vierkant.

Een druppel pap morst
op de Ulmus-nerf
alles tot normaal.

Standaard
Dichtwerk, Leeslengte kort

Ondergang

Een ruisende percussie van confetti
dwarrelt op stoepen
in alle tinten geel en goud.
Laag licht strooit stralen uit het blauw
door het hoge net van takken
tot trillend mozaïek in straten.

Onder de kanten spitsbogen
van haar kathedraal
waarin licht en vorm maximaal verstrengelt,
danst de natuur ten onder
op de xylofone klanken van een knokendans.

Kraaien krassen,
gierig plukkende genodigden.
Tiptappend op de betonnen tegels
voeren zij hun foxtrot op.

Zwart glanzend in het helle licht
pikken zij de laatste restjes
uit de schedel van de zomer,
nu een beker van bederf
op dit satansbal.

Op dit uur
slaat de herfst
uit een gouden kelk
het leven achterover
in een liturgie
waarop de dood
in duizend kleuren schijnt,

voor de storm het te pakken krijgt,
voor de zwarte luchten uit,
voor de kraaien winters walsen in het zwerk,

voor het weer het graf uit groeit.

Standaard
Dichtwerk, Leeslengte kort

Van korte duur

Het was de flard plastic in het hoge riet,
al deels verzwolgen,
die mij de macht van de natuur verried.

’s Mens blikveld van een korte horizon,
hoe slim we menen dat we zijn,
houdt ons, voor hoe het echt zit, dom.

Denkend dat wij erboven staan
en de natuur eronder hebben,
de clou volgt lang na ons vergaan.

Geordend uit wat chaos lijkt,
zou kunst door ons verzonnen zijn,
maar ga er maar van uit dat later blijkt:

het is niet dat iets de boel vervuilt
omdat het komt uit mensenhanden –
evenzogoed wordt het tot stof vergruisd;
het is dat ook die flard uit de natuur verrijst,
als wij deel is van de kringloop,
terwijl ons niet gegund is eenzelfde lange levensreis.

Standaard