Dichtwerk, Leeslengte kort

Partnerruil

Havermout bij het doorzonraam,
dáár staat de ronde tafel.

Over het hout scheren stralen,
geel en ijl staan beneden iepen.

Vier nijlganzen kruisen –
wisselen partners.

Van twee nieuwe paren
vliegt elk een kant uit
het vierkant.

Een druppel pap morst
op de Ulmus-nerf
alles tot normaal.

Standaard
Column, Leeslengte kort, Verhaal

Leugens

Wanneer je ongevraagd over iemand schrijft die geen publieke figuur is, is het goed gebruik dat je die persoon onherkenbaar maakt. Als ik schrijf over een magere oude man die ik ontmoet heb in het winkelcentrum, zou het dus in werkelijkheid een gezette jonge vrouw in het park kunnen zijn geweest. Mijn verdraaiing van de waarheid beschermt hem.

Schrijven is voortdurend liegen, wetend dat dat nobel is.

Legitiem liegen is een prachtig voorrecht. Het is bevrijdend. Je kunt alles van iedereen spuien. Ik geniet het meest van dit voorrecht wanneer ik iemand bekritiseer wiens woorden mij niet aanstonden. Dat is pas wraak.

Gezet wordt mager, jong wordt oud, vrouw wordt man. Om te voorkomen dat je nu denkt te weten hoe je mijn personages naar hun oorsprong kunt herleiden, vertel ik erbij dat het morfen in werkelijkheid veel subtieler verloopt dan in het voorbeeld, en zich zelfs uitstrekt over de situatie of uitspraak die beschreven wordt. Je hebt dus niets aan deze kennis.

Je kunt nooit vertrouwen op wat je leest.

Vroeger, als kind, deed ik dat wel. Toen geloofde ik alles wat op papier stond. Dat was onaantastbaar. Er zijn volwassenen die doen dat nog. Levensgevaarlijk – vooral nu het papier vaak een wispelturig beeldscherm is.

Als kind dacht ik dat er maar één uitzondering op de geschreven waarheid was. Dat was het sprookje.

Hoewel mijn kinderlijke intuïtie mij bedroog tijdens het lezen van de niet-sprookjes, klopte die vaak wel bij mijn inschattingen van niet zwart-op-wit staande situaties.

Ik weet nog dat ik vaste vloerbedekking en tapijt een smerige bedoening vond. Stel je voor, al die vieze schoenzolen die daar overheen gaan. Volwassenen vonden dat prima kunnen, als je het huis maar regelmatig zoog. Later bleek dat niet te kloppen, maar eerst moest het jonge grut massaal allergisch worden. Ik had gelijk, ik had altijd al gedacht dat er beestjes in rondkropen.

Een andere keer vroeg ik op de lagere school in de eerste klas (tegenwoordig groep drie) aan juffrouw Verhappen of de vieze rook die auto’s en fabrieken uitbliezen niet gevaarlijk was. Tussen haakjes: juffrouw Verhappen is echt – dit mag, dit is zo lang geleden, en ik ken, ongelogen, alle namen nog van de juffen en meesters van toen.

Nee hoor, dat was het niet, kreeg ik te horen, de bomen halen dat allemaal uit de lucht. Ik hoefde niet bang te zijn dat de mensen en de dieren daar last van kregen. Ik was er niet gerust op en het doet me geen plezier nu mijn gelijk te krijgen.

Wat konden die grote mensen liegen! Gelukkig had ik hun woorden gehoord en niet gelezen, anders had ik ze geloofd.

Ik mag niet liegen van mezelf. Mijn schrijverij is de gerechtvaardigde uitzondering op dat gebod. Heel vroeger, lang voor mijn schrijverij, was dat anders. Ik spijbelde weleens van school. Nee, niet bij juffrouw Verhappen. Dit gebeurde in een latere klas, bij juffrouw van Eck.

Deze juf had een vreemde gewoonte. Ze liet meerdere keren per dag haar klas alleen. Dan bleef ze minutenlang weg, ons intussen zoet houdend met een opdracht. In die minuten stond ze bij de spiegels van de wastafels van de toiletruimte haar haar te touperen. Dat konden wij zien, en we waren ons er goed van bewust dat zij ons ook kon zien. De sanitaire ruimte lag pal tegen de achterwand van ons lokaal en door een smalle horizontale ruit in die wand kon je de boel over en weer in de gaten houden.

Niet de kinderen kregen de grootste aandacht bij juffrouw van Eck, deze juf had andere prioriteiten. Dat voelde ik goed aan, en ik misbruikte dat besef om ertussenuit te kunnen knijpen. Ik loog meermaals tegen haar dat ik niet lekker was. Dan mocht ik naar huis. Maar dat deed ik niet, ik ging op expeditie in de wijk.

Ik kwam een paar keer met mijn leugen weg. Tot ik op een zeker kwaad moment weer op ontdekkingsreis was. De GGD kwam op school om bij de kinderen een tbc-krasje te zetten. Ik werd niet afgevinkt op de lijst, mijn ouders ontvingen een brief, en ik kreeg met die brief stevig om de oren. Het was afgelopen met mijn expedities.

Een goede leugen komt altijd uit. Hoe kun je anders ooit weten dat het een leugen was?

Een leugen impliceert dat er een waarheid is. Zo kom ik weer bij de schrijverij. Het verschil tussen fictie en non-fictie was voor mij als kind het verschil tussen sprookjes en niet-sprookjes. ‘Waarheid’ was het criterium van onderscheid.

Dat met de waarheid in non-fictie vaak een loopje wordt genomen, leerde ik later te doorgronden. Hoe dat loopje in zijn werk gaat, is een verhaal vol dubbelzinnigheden. Ik zal mijn best doen dat in de volgende alinea’s naar waarheid uit te leggen.

Bij fictie is er geen waarheid die de leugen kan ontmaskeren. De leugen heet daarom fantasie. Zo zijn romanfiguren als Don Quichot en Baron von Münchhausen geen notoire leugenaars, zij zijn fantasiefiguren. De tweede was dat overigens niet echt – daar gaan we al – want hij heeft werkelijk geleefd. Hij was de eerste ‘fake news agent’. Ik zeg erbij dat dit de waarheid is.

Is dit verwarrend?

Bij non-fictie is het pas echt oppassen geblazen. Daar is er namelijk wel een waarheid die de leugen kan ontmaskeren. Je mag hopen dat die uit de boeken blijkt. Als je pech hebt echter, staan ze vol met slechte leugens.

En, anders dan bij goede leugens …

Standaard
Dichtwerk, Leeslengte kort

Ondergang

Een ruisende percussie van confetti
dwarrelt op stoepen
in alle tinten geel en goud.
Laag licht strooit stralen uit het blauw
door het hoge net van takken
tot trillend mozaïek in straten.

Onder de kanten spitsbogen
van haar kathedraal
waarin licht en vorm maximaal verstrengelt,
danst de natuur ten onder
op de xylofone klanken van een knokendans.

Kraaien krassen,
gierig plukkende genodigden.
Tiptappend op de betonnen tegels
voeren zij hun foxtrot op.

Zwart glanzend in het helle licht
pikken zij de laatste restjes
uit de schedel van de zomer,
nu een beker van bederf
op dit satansbal.

Op dit uur
slaat de herfst
uit een gouden kelk
het leven achterover
in een liturgie
waarop de dood
in duizend kleuren schijnt,

voor de storm het te pakken krijgt,
voor de zwarte luchten uit,
voor de kraaien winters walsen in het zwerk,

voor het weer het graf uit groeit.

Standaard