Yiyun Li verloor haar twee hoogbegaafde tienerzonen. Beide kozen voor zelfmoord. Vincent was zestien, James – zes jaar en vier maanden later – was negentien. Voor allebei schreef zij een boek.
Het eerste is dichterlijk, want Vincent was een door passie gedreven jongen. Het tweede boek is feitelijk, want James was een logicus.
Yiyun Li keert zich tegen het woord ‘rouw’. Rouw impliceert in onze cultuur een proces dat op een zeker moment eindigt. Haar verlies zal alleen eindigen bij haar eigen dood. Zoals de lucht en de tijd, blijven tot dan haar kinderen haar vergezellen: ‘Wij zijn nog steeds een gezin van vier.’
Yiyun Li is gaan tuinieren. Dat is een goede training in leven. Het helpt haar om zich alle goedbedoelde troostende cliché’s van het lijf te schudden – futloos denken verpakt in futloze taal waar de geest van slijt.
De natuur doet niet aan cliché’s. Zij doet aan geen enkele diepzinnigheid. De dingen groeien er zonder bijbedoeling.

If an abyss is where I shall be for the rest of my life, the abyss is my habitat. One should not waste energy fighting one’s habitat.
Yiyun Li



