Leeslengte kort, Verhaal

Kruidenthee

Zofia Kowalska vroeg mij nieuwsgierig wat ik ervan vond. Ze overwoog een verpakking te kopen en ik kende hem immers al.

Ik wilde een eerlijk antwoord geven. Dat zag ze aan mijn neutrale blik, waar ik moeite voor moest doen. ‘Je hebt er een zeer fijnmazig zeefje voor nodig’, vertelde ik haar.

‘Oh?’, was haar geschrokken reactie.

‘Het is het gruis,’ repliceerde ik, ‘dat zit er nogal in.’

De thee was met liefde en zorg ambachtelijk samengesteld en zat in een kunststof snelsluitzakje dat was bedrukt met paarse en gele bloemetjes. Achter de houten balie stond de maakster, die ik kende. Ik wilde haar niet beledigen.

‘Maar dan kun je er echt van genieten’, maakte ik het af.

Dat was het foute voegwoord. Indringend keek Zofia me nog eens aan. Boven het hoornen montuur fronsten haar zware wenkbrauwen.

Ik heb mezelf aan beiden verraden, wist ik.

Toen koos ze diplomatiek een andere kleur en was er niets verloren.

Standaard
Gedachte, Leeslengte kort, Verhaal

De kraanmachinist

Hoog boven wolkenkrabbende kantoren wankelt hij in zijn cabine in het kranenbos. In collaboratie met collega-acrobaten gedoemd tot werken aan neoliberale vergezichten. Want nooit komt de Zuidas aan de einder af.

Een leven wiegend in de wind, ver van de aarde op een staak van ineen geklonken staal. Vreeswekkend, zoals de jarenlang paalzittende monnik. Hij teerde op toegestoken kaas.

Zo schraal zal het de kraanmachinist niet vergaan. Professies vastgezogen aan ergonomische zetels, draaiend en trekkend aan wielen en hendels, kweken armen als ankerkabels boven een obese omvang. Daaraan herken je de buschauffeur. Daaraan herken je de kraanmachinist.

Hoe komt hij boven?

Met een liftje.

En op dezelfde wijze retour richting begane grond. Tegen het avondeten.

Ooit – in kranen uit oude dagen – klom hij angstaanjagend razendsnel de sporten op en af. Hij was een tanige, lenige aap.

Kantoorblokken stapelen tot honderd meter hoog. Hoe voel je je daarboven? Als een kluizenaar met radioverbinding? Verlost van de wereld, die daar beneden twijfelachtig trilt? Meester over de city?

Soms knapt de lift. Dan wordt er opnieuw geklommen – en wringt een buikige gorilla zich door een gele kooiladder heen.

Hoe dan ook, een onverschrokken waaghals.

Dat allemaal dacht ik, kijkend vanaf het balkon van de tiende.

Standaard
Dichtwerk, Leeslengte kort

Hart van herinnering

Amsterdam, Laagte Kadijk – 1954

Met de melancholie
kruipend door mijn aderen,
zo ontwaakte ik.

Je ervaringen
ontglippen je
door je vingers
op hun weg
naar herinneringen.

Mooie frisse jonge mensen
pikken jouw taken
voor hun leven op
met nieuw elan.

Wat blijft er over
in de nazomer
van het leven,
vroeg ik mij af.

De opdracht om
op te tekenen
hoe het
in jouw jonge jaren was?

En dat in woorden,
in gedachten,
in gevoelens
nog eens te doorleven?

Bij de foto:

  • De afbeelding van de kinderspeelplaats komt uit Aldo van Eyck: de speelplaatsen en de stad, Stedelijk Museum Amsterdam – NAi Uitgevers, Rotterdam, 2002, p. 57
Standaard
Dichtwerk, Leeslengte kort

Witte peper

Zij kon onmogelijk niet gebeuren,
die catharsis van vallend water
over de grind- en asfaltpaden,
over het park dat zich gulzig laafde,
over het groen dat glom en bolde.

De hemel zwol er zwaar van,
groeide buikig en koppig
als dartele Shetlandpony’s,
vormde wanden van rotsen
uit zwart van git gehouwen,
met cascades overgoten
van licht dat zilver straalde.

Dat hele bouwwerk stortte neder
in een plas die spoog en schuimde,
zodat je bonkend vreesde
dat zijn oevers hem vergaten
en de koeten en de zwanen dreigden
door hun gakken en geblaas
met het overspoelen van hun grenzen.

Terwijl jij,
toen de kleuren je betoverden,
de werveling trachtte vast te klampen,
intussen heel goed wetend
dat het zou blijven bij de gratie
van één moment van magisch schenken.

Maar er is dat ene dat je blijft bewaren,
omdat het onuitwisbaar ooit
het reukgeheugen binnendrong,
de vlag waaraan je hem
ook nu vooraf herkende.

Het is de witte peper
zwevend door de ether.

Standaard
Dichtwerk, Leeslengte kort

Sanseveria

Rijzig icoon van gepasseerde doorzonjaren,
weemoedige vorstin der vensterbank,
tot stakenbos versteend lijkende varen,
standvastige degendot, recht en rank.

Draagt honend de naam ‘wijventongen’
aan beide zijden van de Vlaamse grens,
doch ook als taaie kamerplant bezongen
voor de gemakzuchtig ingestelde mens.

Want kijk hoe ielig uit een fles een touwtje
de majesteit bekruipt als levensader
en, zonder noodzaak van een steunend houtje,
sijpeling instaat voor haar steile kader.

Standaard