Ik zie nog de witte lok
die consequent voorover boog.
Daarna kwam steeds die zwak wapperende hand erbij,
die sleets en blauw geaderd wuift naar mij.
– Vertrouwd geschuifel op tien hoog.
Ik hoor nog de zachte woorden
waar zij aan de railing steunt.
Oprecht gefluisterde waardering voor een klusje,
clichés van dankbaarheid en in de lucht dat kusje.
– Maar hoe veracht ze dat ze leunt.
Gestopt is het steeds verder krommen
onder een verhulde pijn.
Nu moet ik leren haar verbogen silhouet te missen
en wordt het fluisteren van de hoge tocht mijn gissen.
– De galerij zal voortaan anders zijn.



