Zofia Kowalska vroeg mij nieuwsgierig wat ik ervan vond. Ze overwoog een verpakking te kopen en ik kende hem immers al.
Ik wilde een eerlijk antwoord geven. Dat zag ze aan mijn neutrale blik, waar ik moeite voor moest doen. ‘Je hebt er een zeer fijnmazig zeefje voor nodig’, vertelde ik haar.
‘Oh?’, was haar geschrokken reactie.
‘Het is het gruis,’ repliceerde ik, ‘dat zit er nogal in.’
De thee was met liefde en zorg ambachtelijk samengesteld en zat in een kunststof snelsluitzakje dat was bedrukt met paarse en gele bloemetjes. Achter de houten balie stond de maakster, die ik kende. Ik wilde haar niet beledigen.
‘Maar dan kun je er echt van genieten’, maakte ik het af.
Dat was het foute voegwoord. Indringend keek Zofia me nog eens aan. Boven het hoornen montuur fronsten haar zware wenkbrauwen.
Ik heb mezelf aan beiden verraden, wist ik.
Toen koos ze diplomatiek een andere kleur en was er niets verloren.




