
Wijlen A.L. Snijders verwoordde eens zijn vermoeden dat de materie superieur is aan de geest door te stellen dat de materie het trekpaard van de geest is. Terwijl men met handen en voeten bouwt ontstaan de gedachten, zo bedoelde hij.
Het raam staat open als ik denk aan deze woorden en van buiten snerpt het geluid van een zaag naar binnen. Er wordt geen iep geveld in de wijk, het is eerder een slijptol in iets van steen. Een doorzonflat wordt tot paleis vertimmerd. Liever is mij het geluid van een lezer op het balkon.
Materie superieur aan de geest, betekent dat dat materie vóór de geest gaat? Dat lijfelijke bevrediging het winnen wil van geestelijke voldoening?
Ik stel mij op het standpunt dat je voorzichtig moet zijn met het vellen van oordelen. Waarom namelijk zou het één superieur zijn aan het ander, en vice versa?
Niettemin delft het genieten van de geestelijke zegeningen om ons heen met regelmaat het onderspit als zij tegenover onze materiële verlangens komen te staan. Bijvoorbeeld van de vinkenslag in die niet gevelde iep.
Maar de stal gaat vóór de bibliotheek. Dus die slag wordt overstemd, zoals zo veel intrigerende geluiden van buiten. Dat heerlijke gezang van de straat.
Het hoefgeklepper van trekpaarden heeft allang plaatsgemaakt voor de motorzaag en de slijptol, laat staan dat ik het echt gekend zou hebben. Het is de kunst die laatste twee onder de heerlijkheden te scharen en de verandering stoïcijns te erkennen.
Sine ira et studio, zou A.L. Snijders er misschien wel van gezegd hebben. Hij zat immers vol geestrijke gedachten.



