Column, Leeslengte kort, Verhaal

Leugens

Wanneer je ongevraagd over iemand schrijft die geen publieke figuur is, is het goed gebruik dat je die persoon onherkenbaar maakt. Als ik schrijf over een magere oude man die ik ontmoet heb in het winkelcentrum, zou het dus in werkelijkheid een gezette jonge vrouw in het park kunnen zijn geweest. Mijn verdraaiing van de waarheid beschermt hem.

Schrijven is voortdurend liegen, wetend dat dat nobel is.

Legitiem liegen is een prachtig voorrecht. Het is bevrijdend. Je kunt alles van iedereen spuien. Ik geniet het meest van dit voorrecht wanneer ik iemand bekritiseer wiens woorden mij niet aanstonden. Dat is pas wraak.

Gezet wordt mager, jong wordt oud, vrouw wordt man. Om te voorkomen dat je nu denkt te weten hoe je mijn personages naar hun oorsprong kunt herleiden, vertel ik erbij dat het morfen in werkelijkheid veel subtieler verloopt dan in het voorbeeld, en zich zelfs uitstrekt over de situatie of uitspraak die beschreven wordt. Je hebt dus niets aan deze kennis.

Je kunt nooit vertrouwen op wat je leest.

Vroeger, als kind, deed ik dat wel. Toen geloofde ik alles wat op papier stond. Dat was onaantastbaar. Er zijn volwassenen die doen dat nog. Levensgevaarlijk – vooral nu het papier vaak een wispelturig beeldscherm is.

Als kind dacht ik dat er maar één uitzondering op de geschreven waarheid was. Dat was het sprookje.

Hoewel mijn kinderlijke intuïtie mij bedroog tijdens het lezen van de niet-sprookjes, klopte die vaak wel bij mijn inschattingen van niet zwart-op-wit staande situaties.

Ik weet nog dat ik vaste vloerbedekking en tapijt een smerige bedoening vond. Stel je voor, al die vieze schoenzolen die daar overheen gaan. Volwassenen vonden dat prima kunnen, als je het huis maar regelmatig zoog. Later bleek dat niet te kloppen, maar eerst moest het jonge grut massaal allergisch worden. Ik had gelijk, ik had altijd al gedacht dat er beestjes in rondkropen.

Een andere keer vroeg ik op de lagere school in de eerste klas (tegenwoordig groep drie) aan juffrouw Verhappen of de vieze rook die auto’s en fabrieken uitbliezen niet gevaarlijk was. Tussen haakjes: juffrouw Verhappen is echt – dit mag, dit is zo lang geleden, en ik ken, ongelogen, alle namen nog van de juffen en meesters van toen.

Nee hoor, dat was het niet, kreeg ik te horen, de bomen halen dat allemaal uit de lucht. Ik hoefde niet bang te zijn dat de mensen en de dieren daar last van kregen. Ik was er niet gerust op en het doet me geen plezier nu mijn gelijk te krijgen.

Wat konden die grote mensen liegen! Gelukkig had ik hun woorden gehoord en niet gelezen, anders had ik ze geloofd.

Ik mag niet liegen van mezelf. Mijn schrijverij is de gerechtvaardigde uitzondering op dat gebod. Heel vroeger, lang voor mijn schrijverij, was dat anders. Ik spijbelde weleens van school. Nee, niet bij juffrouw Verhappen. Dit gebeurde in een latere klas, bij juffrouw van Eck.

Deze juf had een vreemde gewoonte. Ze liet meerdere keren per dag haar klas alleen. Dan bleef ze minutenlang weg, ons intussen zoet houdend met een opdracht. In die minuten stond ze bij de spiegels van de wastafels van de toiletruimte haar haar te touperen. Dat konden wij zien, en we waren ons er goed van bewust dat zij ons ook kon zien. De sanitaire ruimte lag pal tegen de achterwand van ons lokaal en door een smalle horizontale ruit in die wand kon je de boel over en weer in de gaten houden.

Niet de kinderen kregen de grootste aandacht bij juffrouw van Eck, deze juf had andere prioriteiten. Dat voelde ik goed aan, en ik misbruikte dat besef om ertussenuit te kunnen knijpen. Ik loog meermaals tegen haar dat ik niet lekker was. Dan mocht ik naar huis. Maar dat deed ik niet, ik ging op expeditie in de wijk.

Ik kwam een paar keer met mijn leugen weg. Tot ik op een zeker kwaad moment weer op ontdekkingsreis was. De GGD kwam op school om bij de kinderen een tbc-krasje te zetten. Ik werd niet afgevinkt op de lijst, mijn ouders ontvingen een brief, en ik kreeg met die brief stevig om de oren. Het was afgelopen met mijn expedities.

Een goede leugen komt altijd uit. Hoe kun je anders ooit weten dat het een leugen was?

Een leugen impliceert dat er een waarheid is. Zo kom ik weer bij de schrijverij. Het verschil tussen fictie en non-fictie was voor mij als kind het verschil tussen sprookjes en niet-sprookjes. ‘Waarheid’ was het criterium van onderscheid.

Dat met de waarheid in non-fictie vaak een loopje wordt genomen, leerde ik later te doorgronden. Hoe dat loopje in zijn werk gaat, is een verhaal vol dubbelzinnigheden. Ik zal mijn best doen dat in de volgende alinea’s naar waarheid uit te leggen.

Bij fictie is er geen waarheid die de leugen kan ontmaskeren. De leugen heet daarom fantasie. Zo zijn romanfiguren als Don Quichot en Baron von Münchhausen geen notoire leugenaars, zij zijn fantasiefiguren. De tweede was dat overigens niet echt – daar gaan we al – want hij heeft werkelijk geleefd. Hij was de eerste ‘fake news agent’. Ik zeg erbij dat dit de waarheid is.

Is dit verwarrend?

Bij non-fictie is het pas echt oppassen geblazen. Daar is er namelijk wel een waarheid die de leugen kan ontmaskeren. Je mag hopen dat die uit de boeken blijkt. Als je pech hebt echter, staan ze vol met slechte leugens.

En, anders dan bij goede leugens …

Standaard
Column, Gedachte, Leeslengte kort

Ertussenuit gepiept

Gisteren werd er even over gesproken. Henny Vrienten is er dit voorjaar ‘tussenuit gepiept’. Zijn lied Het gaat niet over was opgenomen in het programma. Meer dan alleen als een zomergeluid passend in de Dienst zonder god, mochten we dat interpreteren als een eerbetoon aan hem.

Het gaat wel over. Doodgaan is de derde grote daad die een mens kan stellen in zijn leven. ‘Kan’ omdat het ook de tweede zijn kan. De eerste is geboren worden, de optionele middelste is nieuw leven verwekken.

‘Ertussenuit gepiept.’ De daad van doodgaan is te ingrijpend voor grote woorden. Henny Vrienten is een stukje van mijn jonge jaren. Toen ik in april over de radio hoorde van zijn sterven, gebruikte ik dezelfde woorden. Zo ook toen mijn vader stierf, en een zus. Alsof er iets vrolijks had plaatsgevonden, om de grote daad te bagatelliseren.

Het zijn woorden die vooral zeggen: ik bescherm nu mijzelf tegen zware balken die drukken op mijn gemoed. Balken die zo zwaar zijn omdat zij een stellage moeten vormen die iets dragen moet dat ondraaglijk is.

‘Ertussenuit gepiept’ is geen symptoom van een taboe. Het is een sympathiek gebaar naar die wie er niet meer is. We doen even alsof dat nog niet zo is, niet definitief. We doen even alsof we met ons hoofd om de hoek kunnen roepen: ‘Kom er nog even bij!’

We sluiten nog niet definitief de kring, maar houden een plaatsje vrij.

Het is ons spel met de dode. We zouden zo graag horen hoe het aan de andere zijde is: ‘Kom en vertel het ons, nu het zo kort geleden is en je nog in de buurt moet zijn.’

Niet uit nieuwsgierigheid, eerder uit wanhoop. Als er een kans is om nog een hand te schudden, een kus te geven, elkaar te omarmen, elkaar in de ogen te zien en iets oprechts te zeggen, dan is het deze.

Want nu voelen we de warmte nog, en ruiken de geur van de ander. Zodra die zijn afgekoeld en vervlogen, is de stoel onherroepelijk uit de kring geschoven.

Standaard
Column, Leeslengte lang, Opinie

Zwermgeest

Vanaf tien hoog, waar ik woon, kan ik het goed zien: zwermen spreeuwen die dansende capriolen uithalen in de avondzon, alsof zij grote swingende organismen zijn.

Een school vissen kan zich ook zo gedragen: een zilveren zwier, en het hele boeltje zwemt zomaar de andere kant op.

En wandel op een zonnige zaterdagmiddag eens vanaf de Dam het zebrapad over naar de Kalverstraat. Het is haast onmogelijk om daar een individueel loopje van te maken; de zuigkracht van de mensenstroom beteugelt onmiddellijk elke afwijkende gedraging. Je móét wel mee met het collectief.

Zwermgeest – zo heet dat verschijnsel – oogt als een onmogelijke coördinatie van ontelbare individuen, een geheimzinnige hand die vat lijkt te hebben op de hele groep.

Ik kwam het woord ‘zwermgeest’ tegen in het boek Botanische revolutie van Norbert Peeters (2017). Dat handelt over Charles Darwin en zijn plantenleer.

Botanie besloeg de helft van Darwins loopbaan, maar daar kennen wij hem nauwelijks van. Denken wij aan Darwin dan denken wij vooral aan de Galapagosarchipel met zijn reuzenschildpadden en Darwinvinken. Op het familielandgoed Down House experimenteerde Darwin er in zijn kassen echter lustig op los met planten. Zijn revolutionaire evolutietheorie stoelt voor veel meer dan wij beseffen op wat hij daar allemaal zag gebeuren in een groene wereld.

In relatie tot Darwin kwam ik het verschijnsel zwermgeest dus tegen. Het schijnt ook van toepassing te zijn op de wortels van planten. Uit het zicht voor ons volgen ze elkaar allemaal een bepaalde richting uit. Naar vruchtbare zachte aarde, water, of weg van gevaar.

Zwermgeest. Zie je het neergeschreven staan? Intrigerend. Het drukt iets heel anders uit dan gewoon een zwerm, een school of een menigte. Dit gaat over een beweeglijk wezen, een wezen met een wil.

Van de groene wereld naar de politieke wereld.

Economie wordt wel het wetenschappelijke instrument van regeringen genoemd. Economie heeft niet zoveel op met de beweeglijkheid van de zwermgeest. Zij is een behoorlijk starre ‘wetenschap’: twee eeuwen economisch denken hebben niet veel anders opgeleverd dan financiële groei als richtinggever voor vrijwel elk landsbestuur.

In de eerste helft van de vorige eeuw bedachten economen het bruto binnenlands product. Dat bbp ontwikkelde zich tot een welhaast solitaire maatstaf voor landssucces en een blije burgerij. Er zijn maar weinig regeringen die het bbp niet als basisprincipe voor hun beleid hanteren – Bhutan met zijn bruto nationaal geluk is echt een uitzondering.

Het bbp moet groeien, dat werd de grondidee van politiek-economisch beleid, dan kwam alles goed. We hebben dat geloof trouwhartig een eeuw gevolgd en het einde komt nu in zicht. De groeicurve vlakt af. De vruchten die we plukken, proeven ook steeds wranger: we eten de aarde op, we vervuilen het eigen nest.

Het wordt tijd voor een zilveren zwier. Maar waar is die geheimzinnige hand die vat heeft op de hele groep? We lijken collectief vast te zitten in een beperkende politieke overtuiging die zegt dat de voornaamste taak waar onze leiders zich mee bezig dienen te houden, de steeds verdere toename van materiële welvaart is. Niet weg van het gevaar, zoals de wortels van planten, maar liever recht eropaf. En – passend bij een beperkende overtuiging – we zien het niet.

Ik heb geen beste mededeling: wij zijn misschien de laatste generatie die de collectieve draai kan maken. Ons huis is behoorlijk aan het veranderen, door ons eigen toedoen. Desalniettemin houden economie en politiek ons halsstarrig voor het lapje met de ‘wet’ dat het bbp moet groeien. Wat te denken van die andere wet, die van de evolutie? ‘Survival of the fittest’ zit hem nog steeds in wie zich het beste weet te ‘fitten’ naar omstandigheden die wijzigen.

Economie gaat van oorsprong niet over financiële groei, maar over het huis op orde houden. Het is niet dat ik dat hier bedenk, het is haar letterlijke betekenis. Zoek het maar eens op.

Het huis op orde houden –  kunnen wij zelf ook iets doen?

Wij zouden ons eens kritisch af kunnen vragen hoe het zit met de flexibiliteit van ónze zwermgeest. Gewoon even los van die politiek en economie waarnaar het zo makkelijk wijzen is. Maar dat is een lastige.

In de documentaire De Achtste Dag, die handelt over de bankencrisis van 2008, vraagt Wouter Bos (toenmalig minister van financiën) zich af of we de boel na de crisis werkelijk hebben bezworen. Je ziet zijn gezicht betrekken. Nee, concludeert hij, tot tweemaal(!) toe. De kern van het probleem – onze zucht naar materiële bevrediging – is nog steeds onveranderd.

Wie aan onze weelde durft te tornen, tornt aan onze vrijheid. Zo wordt dat gezien. Ik voelde boosheid in mij groeien toen ik met veel vrolijkheid op de radio hoorde vertellen van een nieuwe boektitel: Pinnen in Mongolië en andere oplosbare reisongemakken. Is dat waar wij ons druk om maken als we massaal eropuit vliegen? Ik kan nog wel wat heftiger ongemakken bedenken als resultaat van dat gedrag.

Vrijheid vertalen in materiële rijkdom en in kunnen gaan en staan waar we willen, zijn uitingen van geestelijke armoede. Kate Raworth (2018) zegt daar iets vinnigs over in haar Donuteconomie: ‘Als het over consumentisme gaat, bestaat de armoede die we proberen te verhullen misschien uit onze verwaarloosde relaties met anderen en met de natuur.’ Ze moet ook boos zijn geweest.

Kate Raworth pleit voor een paradigmaverschuiving in de economische discipline. Zij keurt het blinde geloof in marktwerking en in bbp-groei af. Ze hecht aan een economisch model dat is ingebed in de maatschappij en de natuur, en waarin de gezonde verhoudingen worden hersteld. In zo’n model is op veel vlakken bemoeienis van de overheid nodig. Haar denken druist volledig in tegen de heersende opvattingen. Maar Kate Raworth brengt iets teweeg. Zij is zelf econome, zij weet waarover zij spreekt en weet gestaag andere economen mee te krijgen.

In de economische wereld zijn er vogels die een zwier weten aan te zwengelen. Moeten wij niet ook de geest gaan krijgen? Wij, consumenten. Onze zo gewaardeerde vrijheid is natuurlijk prachtig, maar is die slechts tot uitdrukking te brengen in consumeren wat we willen? Of zijn er nog andere manieren, bijvoorbeeld onszelf als mens ontwikkelen en ons intussen tevreden stellen met minder materiële zaken.

Misschien word je wel somber van zo’n moraliserende vraag. Maar ik stel hem toch, want er is eigenlijk geen keuze meer. Een collectieve draai is nodig. Het zou namelijk zo zonde zijn als die dansende spreeuwenzwermen in de schemerende avondzon niet ook door volgende generaties kunnen worden gezien.

Standaard