
Twee dagen na de juli-storm is het een uiterst milde zomerdag – alsof er altijd vrede heerst in de natuur.
De lucht is staalblauw met een enkele witte vliegtuigstreep. Condens van uitlaatgassen, een zachte frons in een vriendelijke hemel.
Ik kan mijn blik diep de horizon in laten priemen, over de aarde die zich kromt. Zo helder is het.
Beneden staan de iepen. Hun kronen, meters lager dan mijn standplaats op het balkon, worden licht bewogen door een briesje. Ze deinen en ze schommelen wat.
Hun bladeren hebben zich inmiddels weer opgericht. De bomen lijken al hersteld van de stress waarmee de storm ze heeft verrast.
Alleen levenloze takpunten met afhangend, geteisterd blad, gekwetst tot moes en rafels – versleten weefsel in één dag – herinneren nog aan het geweld.
Verpulpte twijgen. Ze zullen weldra afvallen en vervangen worden door vers, nieuw loof. De zomer is nog jong genoeg.






