Essay, Leeslengte lang

Utopia

Ik kijk naar het schilderij Het nieuwe Moskou van Joeri Pimenov (1937). Erg schokkend ziet het tafereel er op het eerste gezicht niet uit. Een jonge vrouw achter het stuur van een open auto. Ze rijdt het uitgaansleven in van een bruisende, wereldse stad. Haar voorkomen wekt de indruk dat ze welgesteld is. Haar cabriolet, haar verzorgde kapsel, de kleding die ze draagt, alles aan haar straalt geld uit. Heel het straatbeeld doet dat. Luxe auto’s verplaatsen zich breeduit door het stadsverkeer, goed geklede vrouwen en mannen bevolken de stoepen, iedereen lijkt op stap. Hier heerst welvaart, hier kan men zich de luxe van het restaurant en de schouwburg permitteren.

Het is een filmisch tafereel dat zich, aan de auto’s te zien, in de jaren dertig afspeelt. Vanuit een verhoogde positie ben ik toeschouwer. Ik kijk over de vrouw heen een brede, drukke straat in. De voorgrond wordt beheerst door warme gele en rode tinten. Langzaam vervagen die naar het grijs van de gebouwen in de verte. Mijn blik wordt de diepte in getrokken. De straat verdwijnt linksom in een flauwe bocht tussen de hoge gebouwen. Het beeld heeft iets van een affiche waarin een toneelstuk of speelfilm wordt aangekondigd. Ik krijg het gevoel alsof ik, meerijdend met de jonge vrouw, beland in de optimistische wereld van de reclame.

Maar meteen brengt het schilderij mij ook aan het twijfelen over dat optimisme. De kolossale grijze torens die achterin het beeld oprijzen in massief beton – ze lijken nog in aanbouw – maken zich breed in een dreigende houding, alsof ze zeggen willen: ‘Wacht maar, dit zullen nog donkere tijden blijken.’ Bovendien valt het mij op dat de lucht grauw is en dat het wegdek eruit ziet alsof het zojuist geregend heeft. Desalniettemin rijdt de vrouw met een open dak en wemelt het van de voetgangers. Het tafereel roept ambivalente gevoelens op. Het lijkt zo onbekommerd en toch krijg ik het idee dat zich hier iets heftigs afspeelt. En dat klopt …

Ik kwam het schilderij van Pimenov op het spoor door het boek Alles voor het moederland van Ruslandkenner en journalist Michel Krielaars (2017). Hij beschrijft daarin de levens van de Sovjet-Joodse schrijvers Isaak Babel en Vasili Grossman. Pimenov was een tijdgenoot van Babel en Grossman.

Ik heb het over de eerste helft van de vorige eeuw, meer precies de periode van de Stalinterreur. De Sovjet-Unie is bezig met de opbouw van een socialistische heilstaat. De revolutie van 1917 heeft de tsaristische aristocratie van het oude Rusland weggevaagd. Naar het Marxistische model is de macht nu aan de arbeiders. Zogenaamd, want in werkelijkheid wordt de Sovjet-Unie met ijzeren hand geregeerd door het regime van Josif Stalin. Zijn centraal geleide planeconomie moet het slagen van de socialistische heilstaat afdwingen. Het succes van die nieuwe maatschappij moet het daverende bewijs zijn van Stalins gelijk: een Utopia is maakbaar! De wereld moet dat zien en niet in de laatste plaats moeten ook de Sovjetburgers dat zien.

Het doek van Pimenov suggereert een stad van voorspoed, een stad waarin de mensen het leven vieren. Daarmee is het een iconische verbeelding van Stalins triomf. Pimenov was niet per se een vriend van het toenmalige Sovjetregime. Net als van alle kunstenaars werd van hem echter verwacht dat hij zich schikte naar de heersende censuur. Hij diende zich te houden aan de regels die het socialistisch realisme voorschreef: kunst moest eenvoudig te begrijpen zijn, optimisme en enthousiasme oproepen, en bovenal de vooruitgang van de Sovjetstaat verbeelden.

Zoals zovelen boog Pimenov het hoofd voor de staat om zijn kunst te kunnen blijven maken en niet verstoten te worden uit zijn vakkring of te eindigen in de goelag. Het nieuwe Moskou toont een zelfbewuste samenleving die pronkt met haar voorspoed. Met grove, vastberaden penseelstreken in gloedvolle kleuren bewijst het doek eer aan Stalins Utopia. Tegelijk heeft het ook iets onheilspellends – alsof Pimenov heimelijk wil uitdrukken wat er intussen werkelijk gaande is.

Joeri Pimenov schilderde zijn doek in 1937. In dat jaar, lees ik in Krielaars’ boek, betaalden de Sovjetburgers een enorme prijs voor de schepping van de heilstaat. 1,7 miljoen van hen werden gearresteerd, 350.000 werden naar de goelags verbannen en 800.000 werden met een nekschot omgebracht. Het was het bloedigste jaar van een periode die de wereld later de Grote Terreur (1934-1939) is gaan noemen.

Van het oorspronkelijke enthousiasme voor het ideaal van een socialistische samenleving was bij de Sovjetburgers in 1937 weinig meer over. Hadden zij aanvankelijk geloofd in de belofte van gelijkheid en vrijheid, hun vertrouwen daarop was nu omgeslagen in desillusie en angst. Gelijkheid bestond niet. Er was een nieuwe elite ontstaan binnen de Communistische Partij. Alleen als je deel uitmaakte van die elite had je het goed. En ook van vrijheid was geen sprake. Je diende volledig toegewijd te zijn aan de ideeën van de leider van de Sovjetstaat. Wie iets deed wat het gezag niet beviel, werd gezien als een vijand en kon rekenen op het strafkamp of erger.

Stalin gedroeg zich naarmate zijn bewind voortduurde in toenemende mate paranoïde. Hij zag overal tegenstrevers die weggezuiverd moesten worden. De massale arrestaties, verbanningen, executies en het verraad dat daarbij hoorde tussen collega’s, vrienden en familieleden – vaak uit wanhoop om zelf aan het noodlot te kunnen ontsnappen – gingen aan niemand voorbij. Elke familie kende haar slachtoffers.

Op het schilderij van Pimenov rijdt een kennelijk geslaagde en moderne jonge vrouw via een brede straat het centrum van de hoofdstad van de Sovjet-Unie binnen. Krielaars vertelt (pp. 20-21): ‘Ze komt uit de richting van het Dzerzjinski-plein, waar de dag en nacht werkende geheime politie van Josif Stalin kwartier houdt in het statige gele gebouw van een voormalige verzekeringsmaatschappij. (…) Recht voor de vrouw in de cabriolet rijst het nieuwe Gosplan-gebouw op, het beleidscentrum van de communistische planeconomie. Het overschaduwt het belendende Huis van de Vakbonden, dat gevestigd is in het vroegere paleis van de Adelsvereniging. Aan de gevel hangt een grote rode banier, om aan te geven dat de aristocraten hier niets meer te zoeken hebben.’

Het beeld is klip-en-klaar: in de socialistische heilstaat heeft de burger die meedoet het goed. De jonge vrouw is een voorbeeld, een rolmodel. Een verwijzing naar de legitimiteit van haar welvaart is de rode anjer aan de linkerstijl van de voorruit. Het is het symbool van de arbeidersbeweging. De rode bloem komt terug in het patroon van de jurk of blouse die ze draagt.

De eerste keer dat ik het schilderij zag, werd ik getroffen door de gelijkenis die het oproept met de atmosfeer van het uitgaansleven van de bourgeoisie in een grote metropool in West-Europa of Amerika, ten tijde van de jaren dertig. Zoiets als het beeld van de uitgelaten drukte bij aanvang van een zaterdagavond op een brede, chique avenue in het centrum van het New York, wanneer de welgestelden op weg zijn naar een theatervoorstelling, een concert of ergens gaan dineren. Frappant is dat Michel Krielaars hetzelfde gevoel beschrijft (p. 22): ‘Je waant je bijna in het New York van die tijd – op Broadway om precies te zijn.’

Om te onderzoeken of ik een bevestiging kan vinden van die aangevoelde gelijkenis met New York, googel ik naar foto’s van het straatbeeld van de Amerikaanse metropool in de jaren dertig. In luttele minuten duiken er tientallen plaatjes op. Naast voor de hand liggende verschillen, zoals de lichtreclames en mensen van verschillende etnische achtergronden, zie ik inderdaad ook opvallende overeenkomsten met het doek van Pimenov. Er heerst bedrijvigheid, er rijden luxe auto’s, en smaakvol geklede mensen tonen zich zelfverzekerd aan de buitenwereld.

De foto’s weerspiegelen vooruitgang (nota bene in een decennium van crisis), levenslust, zelfbewustheid en vrijheid. Precies die elementen zijn voor mij zo herkenbaar voor de sfeer in een westerse metropool. Het zijn ook precies die elementen die Pimenov tot leven laat komen in de figuranten op Het nieuwe Moskou. Maar klopt die gelijkenis met de werkelijkheid toendertijd in de Moskouse straten?

Weer googel ik naar foto’s voor antwoorden. Nu van Moskou in de jaren dertig. De plaatjes die ik dan vind, laten een heel ander beeld zien dan het schilderij van Pimenov. De luxe auto’s ontbreken volledig en de voetgangers lijken in niets op de modieuze, trotse mensen die Pimenov zo opzichtig schilderde. Hun kleding is functioneel en donker, en ze wekken de indruk zich met een trage en gebogen gang te verplaatsen.

Deze foto’s doen mij in geen enkel opzicht denken aan het elan en de levenslust van Het nieuwe Moskou. Wat ze eerder bij mij oproepen is een beeld van economische en menselijke depressie; de personen erop zien eruit als zwoegers die het leven zwaar valt.

De gelijkenis van het Pimenovdoek met een westerse metropool komt mij nu heel ironisch voor. Het is geen utopische voorstelling meer die moet misleiden; er is eerder sprake van subtiel de spot drijven met een collectivistisch idee-fixe van een gelukkige wereld van gelijkheid en vooruitgang.

Ik kijk nog eens naar het schilderij. Het valt me op dat er iets ontbreekt. Ik krijg geen idee van de stemming van de jonge vrouw, ik zie haar alleen van achteren en moet maar raden naar haar gezichtsuitdrukking. Kijkt ze vrolijk, verwachtingsvol, uitgelaten? Of kijkt ze teleurgesteld, angstig, cynisch? Het beeld laat er niets over los, de jonge vrouw kijkt strak voor zich uit. Ik vang zelfs geen glimp op van een blik via de achteruitkijkspiegel. Durfde Pimenov het misschien niet aan om ook haar ogen te schilderen? Was hij misschien bang voor wat die getoond zouden hebben?

Standaard
Essay, Leeslengte lang, Opinie

Onvermogen

Ik was een jaar of zes en vroeg de juffrouw in de klas hoe het zat met de uitlaatgassen van de auto’s. Was het niet erg dat we die viezigheid de lucht in bliezen?

‘Dat lossen de bomen en de planten op, zij maken de lucht weer schoon’ – ik tuinde erin als kind.

Dit was pak ‘m beet 55 jaar geleden. Over het klimaat maakte de wereld zich geen zorgen.

Het is goed mogelijk dat mijn juffrouw van toen nog leeft. Dan is zij nu vast een lieve, wijze oma. Wat zou zij zeggen als ik haar die vraag vandaag de dag opnieuw stelde? Zou haar antwoord nu net zo onbekommerd zijn?

De reactie van mijn juffrouw paste naadloos in het sentiment van haar tijd. De westerling was in het derde kwart van de twintigste eeuw, ruwweg vóór de eerste oliecrisis, hoopvol gestemd. Alles was mogelijk en alles werd beter. Waarom zou je dan al te kritisch zijn? Natuurlijk zag zij ook wel dat ik in mijn kinderlijke oprechtheid aan iets raakte dat volwassenen voor het gemak negeerden, maar voordat mijn zorg echt een probleem kon worden was er allang een oplossing, dat was zeker. Ze vertelde mij liever een naïef sprookje dan op lastige materie in te gaan.

Het ging ons goed hier in het Westen. Dat daarvoor sluipenderwijs een rekening werd opgemaakt wisten we best, maar die mocht het plezier niet verpesten. Lang hebben we daarom alle dissonanties die er waren en die ons als tekenen aan de wand waarschuwden, weg gesust. Te lang. Dissonant waren niet alleen de vieze uitlaatgassen, dissonant waren ook de vluchtelingen, de kindslaven, de plasticsoep, de olierampen, de verwoestijning, enzovoort. Het is maar een kleine greep uit een tragische lijst van wat het Westen niet storen mocht.

Maar in plaats van eerlijk tegen elkaar te zijn en de rekening te lezen, bleven we elkaar wijsmaken dat alles goed ging. De sprookjes stapelden zich op en de problemen ook. En nu de wereld om ons piept en kraakt als een sleetse langspeelplaat die niet in staat is nog langer vrolijke muziek te laten horen, schrikken we wakker uit de droom en merken we dat ons hoopvolle gemoed heeft plaatsgemaakt voor een ander sentiment: angst.

De westerling is bang geworden, bang dat zijn kinderen het minder goed zullen hebben dan hijzelf, bang dat andere culturen zijn ‘eigenheid’ aantasten, bang dat hij zijn rijkdom delen moet, bang dat populisten en autocraten de macht in handen krijgen, bang dat dat juist niet gebeurt, bang dat China de nieuwe wereldleider wordt, bang dat Poetin op de rode knop drukt.

Bang is hij ook dat de oceaan hem op gaat slokken. En het is die angst die het meest gegrond van alle is. Want zo onnozel was mijn vraag niet als zesjarige, de zondvloed ontwikkelt zich inmiddels in rap tempo en dat die ook het obees rijke Westen gaat treffen is onontkoombaar.

Fysicus en schrijver Carlo Rovelli merkt hierover op in zijn boek Zeven korte beschouwingen over natuurkunde (p. 90):

“Ik denk dat onze soort niet lang zal voortbestaan. Ze lijkt niet uit hetzelfde hout gesneden als schildpadden, die in min of meer dezelfde gedaante al honderden miljoenen jaren bestaan, honderden keren langer dan wij. We zijn een kortlevende soort. Onze neven en nichten zijn al allemaal uitgestorven. En wíj richten schade aan. De klimaat- en milieuveranderingen die we hebben veroorzaakt zijn ingrijpend en zullen ons vermoedelijk niet sparen.”

Hij schreef dit acht jaar geleden al op, toen de wereld nog vol was van klimaatontkenners.

We zijn in een situatie beland die we niet meer gaan herroepen. Niet omdat dat in praktische zin niet kan, want met een uiterste krachtsinspanning zou het moeten lukken, maar omdat we niet met het vermogen begiftigd zijn ons gedrag te veranderen. Onze reflex is te primitief, te instinctief. We zien het gevaar, en de consequente reactie van de politiek en de publieke opinie is de blik af te wenden en op de oude voet door te gaan. We handelen als alle andere dieren; alleen gevaar dat ons direct bedreigt maakt indruk.

Rovelli’s pessimistische oordeel is niet uitzonderlijk in de wetenschappelijke wereld. In zijn essay in opinieweekblad De Groene Amsterdammer van 23 maart 2022 maakt klimaatjournalist Jaap Tielbeke melding van de moedeloosheid die, als gevolg van de inertie van de politiek, het bedrijfsleven en de consument, heeft postgevat onder klimaatwetenschappers. Tielbeke vertelt dat een enquête gehouden door het wetenschapstijdschrift Nature onder 234 auteurs van het op één na laatste IPCC-rapport liet zien dat maar vier procent van hen geloofde dat de Parijse doelstelling van anderhalve graad gehaald zal worden. Zes van de tien respondenten gaan ervan uit dat de aarde tegen 2100 drie graden zal zijn opgewarmd.

Het vertrouwen is eruit bij de minder instinctieven – in die fase zitten we. Een oplossing achten zij niet meer realistisch. Bij hun is het kwartje allang gevallen. Al die tijd dat we ons voorhielden dat het beter ging, zaten we in feite op het verkeerde spoor. Generaties politici, denkers, ondernemers, intellectuelen en, ja, dus ook wetenschappers zelf, leidden ons in naam van de vooruitgang richting de ondergang. Veel van hen doen dat nog, met name in de politiek.

Zie je, vertellen de 234 IPCC-auteurs ons, hoe onmogelijk het is om dat toe te geven? Zo’n historische blunder. Zie je ook dat er dus niets zal veranderen, niet op tijd? Want wie durft de schuld te dragen, wie durft te bekennen dat hij fout zit?

Hoe voelt het om in te zien dat de wereld zoals wij die kennen niet gered zal worden? Ik weet niet hoe dit besef bij jou binnenkomt, maar bij mij veroorzaakt het een pijn als van het verdriet om een groot nabij verlies. Een verlies waarmee je je moet verzoenen omdat het onomkeerbaar is, omdat met het beminde dat verdwenen is je eigen bestaan voor een stuk gestorven is. Omdat het te onvatbaar en te definitief is. Omdat je weet dat er niets meer terugkomt, alleen herinneringen. Omdat je, zo begrijp je, zonder verzoening nooit in het reine kunt komen met de nieuwe werkelijkheid.

Ik heb deze gevoelens lang van mij weggeduwd. Er was een film voor nodig om ze toe te laten. Dat was de documentaire The Magnitude of All Things van Jennifer Abott uit 2020. De documentaire begint met de rouw van Jennifer om haar zus. Wij zien bij aanvang van de film hoe zij in een brief aan haar familie en vrienden vertelt dat haar lichaam is aangetast door kanker en dat zij nog maar kort zal leven.

Jennifer herinnert zich de wandelingen die zij als kinderen samen maakten door de ongerepte Canadese natuur. Zij wil die tijd terughalen, maar wanneer zij de wandelingen opnieuw maakt komt zij een verminkte schoonheid tegen: de rivieren zijn leeg, de bossen geslonken, de sneeuw die neerdwarrelt in de lente blijkt as te zijn van brandende bomen ver weg. Jennifers rouw wordt gaandeweg ook een rouw om de aarde.

Ik voelde het verdriet ook. En tegelijkertijd bekroop me de twijfel. Want hoe eerlijk is het verdriet om de aarde van wij die dat voelen, dacht ik. Is het eerlijk genoeg om compassie te verdienen of zijn het meelijwekkende krokodillentranen van kinderen die zichzelf in hun eigen spel hebben vergaloppeerd?

Waar is ons verdriet op gericht? Op het verlies van de natuur om ons heen? Of treuren we uit spijt – om het feit dat we het allemaal zelf veroorzaakt hebben, dat we die macht hadden en hem ook hebben ingezet? Hebben we zo’n zelfmedelijden dat de tranen die vloeien tranen zijn van schuldbesef? Is ons verdriet niet eigenlijk een uiting van arrogantie? Ontneemt het ons niet juist ons laatste recht op mededogen?

Het is allemaal heel verwarrend. Als er nog íets voor ons pleit, dan is het hooguit het gegeven dat het ernaar uitziet dat we niet meer zijn dan een evolutionair slachtoffer, een experiment dat weinig bestendig is omdat zijn onvermogen de zwakke schakel is, een soort die niet de genade kent van de taaiheid van de schildpad. En wat daarachter steekt, de zin van het experiment, dat zullen wij nooit weten.

Eind mei op de fiets, op de groene paden van Amsterdam naar Haarlem, hoorde ik de koekoek. Dat was sinds jaren. En de zon scheen en het koolzaad stond wiegend in de berm als een rivier van gele bloemen. Mijn hart sprong op. Tja, dacht ik, die aarde, zij stijgt ons begrip te boven, wij zullen haar nooit vatten. Zij die ons heeft voortgebracht blijft maar schenken, zonder wrok. Of wij nu eerlijk zijn of niet. Dat is pas compassie.

Standaard
Essay, Leeslengte lang, Opinie

Slavernij

Ik zal voortaan met andere ogen naar Oopjen kijken. Zij is een van de grote juwelen uit de schatkamer van onze gouden eeuw. Samen met Marten Soolmans, haar man, werd zij begin 2016 voor 160 miljoen euro gekocht van de familie De Rothschild. Zij maken deel uit van ons culturele erfgoed en horen dus gemeenschapsbezit te zijn. De aankoop was een project van ons Rijks en het Franse Louvre, waar Oopjen en Marten sindsdien om en om elkaar gezelschap houden.

Op dit moment hangt het koppel Soolmans in het Rijks, als onderdeel van de tentoonstelling Slavernij. Met negen andere namen vertelt het stel het verhaal van het Nederlandse slavernijverleden.

Op vrijdag 9 juli ben ik daar.

Ik maak onder andere kennis met Joã, die rond september 1646 wist te ontsnappen aan zijn Portugese slavenhouder in Brazilië. Hij ontkwam naar Nederlands grondgebied. Daar werd hij uitgebreid ondervraagd. Joã zelf boeide de Nederlanders niet bijzonder. Uit het verhoorverslag blijkt dat ze vooral geïnteresseerd waren in strategische informatie over hun Portugese handelsconcurrenten. Daar wist Joã het nodige over te vertellen.

Ik leer de tegenstrijdige geschiedenis kennen van Dirk, de abolitionist, zoon van een rijke VOC-regent in Zuid-Oost Azië. Dirk verzette zich op Java tegen de slavernij. Hij werd vervolgd en vluchtte in 1798 naar de Republiek. Zijn vrouw moest hij achterlaten. Zij stierf op Java in 1801. Rond 1820 duikt Dirk weer op in Brazilië waar hij een koffie- en sinaasappelplantage heeft. Uit zijn kasboeken blijkt dat hij er gebruik maakt van slaven. Want, had hij ontdekt, vrijgemaakten ‘gingen lopen’; ze waren hem niet dankbaar genoeg.

Ook ontmoet ik op de tentoonstelling de dappere Lohkay van Sint Maarten. Ze had het gewaagd de plantage waar ze moest werken te ontvluchten. Ze werd gepakt; voor straf sneed de slavenhouder haar een borst af. Lohkay liet zich niet ontmoedigen en ontsnapte opnieuw. Ze vluchtte de heuvels in, waar ze in haar eentje wist te overleven en een icoon van verzet werd.

Nederland was vanaf de 17e eeuw een belangrijke speler in de slavenhandel en bleef dat tot het einde van de 19e eeuw, toen de slavernij werd afgeschaft. Nederlanders verscheepten ruim 600.000 in Afrika tot slaaf gemaakte mensen naar de beide Amerika’s en rond 1 miljoen naar Nederlands-Indië en Zuid-Afrika.

Alles werd ze afgenomen; hun thuis, hun naam, hun identiteit, ze wisten niet waar ze heen gingen – het enige dat ze behielden was de herinnering aan waar ze vandaan kwamen. Ze kregen een naam die soms naar die plek verwees, maar in de hun vreemde taal obscuur geklonken moet hebben. Of ze werden genoemd naar de maand waarin ze tot slaaf gemaakt waren – Januarij, Augustus –, of voortaan aangesproken met christennamen als Paulus en Maria. Bezit en schrijven werd ze verboden. De kinderen die zij kregen werden eigendom van hun slavenhouder.

Slaafgemaakten werden met geweld losgerukt uit hun omgeving, hun families, hun taal, hun cultuur en hun religie, en verplaatst naar een onbekend, ver land. De ontheemding en de anonimisering maakten verzet vrijwel onmogelijk. Mannen, vrouwen en kinderen werden gedegradeerd tot economische objecten. De ontmenselijking was zo grondig en diepgaand dat zwarte en gekleurde mensen tot in onze tijd door veel ogen als tweederangs worden gezien. ‘Slavernij is geen afgesloten geschiedenis’, vertelt het boek Slavernij dat ter gelegenheid van de tentoonstelling is uitgegeven (p. 17).

Oopjen en Marten zijn in 1634 als vorsten op het doek gezet; zij 22, hij twee jaar jonger. Zij contracteerden daarvoor de beste en duurste portretschilder die zij konden vinden: Rembrandt. Een jaar daarvoor waren zij getrouwd. Oopjen is zichtbaar in verwachting.

Marten was de steenrijke zoon van een suikerproducent. Zijn vader bezat de grootste suikerraffinaderij van Amsterdam. De ruwe suiker kwam van plantages in Brazilië en werd via tussenhandelaren ingekocht. Het suikerriet werd geoogst door slaven. In de brandende zon kapten zij de scherpe stengels. Om hun blote voeten bonden ze lappen als bescherming tegen het harde stoppelveld; schoenen dragen was slaven verboden. De ruwe suiker werd in een door paarden aangedreven molen uit het riet geperst. Een gevaarlijk karwei, waarbij nogal eens een arm of hand werd afgerukt.

Wanneer ik Oopjen en Marten aankijk, voel ik kippenvel opkomen. Ik begin steeds beter te beseffen hoe rijkdom altijd tot stand komt door onderdrukking en uitbuiting. Dat was in de Nederlandse gouden eeuw zo en dat is nog steeds zo, en ik ben onderdeel van dat systeem. Ik zie de parallellen met nu langs mijn ogen voorbijglijden: de naaiateliers in Bangla Desh, de kobaltmijnen in Congo, Shell in Nigeria, de flexwerkers in Nederland, het terugduwen van vluchtelingen op hun gammele bootjes in de Middellandse Zee, de uitputting van hulpbronnen en de vernietiging van de aardatmosfeer waar het zuidelijk halfrond het zwaarste gelag voor betaalt.

Pas in 1863 was de slavernij in alle Nederlandse koloniën afgeschaft. Veel Europese buren gingen ons voor: Denemarken in 1803, Groot-Brittannië in 1834, Frankrijk in 1848. Wij lieten economische argumenten lang boven het onrecht prevaleren, en toen het eenmaal zover was werden de Nederlandse slavenhouders gecompenseerd, niet de slaven. De staatskas vergoedde hen voor elke man of vrouw die vrij kwam 100 tot 300 gulden. De voormalige slaven waren verplicht, tegen betaling, nog tien jaar op de plantages te blijven werken.

Daar, staand voor dat fortuinlijke echtpaar uit onze gouden eeuw, huiver ik. Het is voor mij kristalhelder: het kapitalisme is een perfide sirene die met haar zang het geweten wist. Wie eenmaal voor haar verlokking valt, verliest het zicht op goed en kwaad. Hij wordt een spartelende vlieg op een glas limonade. Hij kan niet meer loskomen van het lekkers.

Dirk, de witte abolitionist van rijke komaf, vond alsnog redenen om slaven te bezitten. Het gedrag van nu is weinig anders; de multinationals die onze rijkdom oppompen, de bio-industrie, de grote banken, de politiek, ze bieden werk aan mensen die allemaal redenen hebben om te blijven doen wat ze doen – mensen die zichzelf fatsoenlijk achten, zoals Dirk deed. De zucht naar meer zal hooguit stoppen door hen ruim te compenseren. Want de rekening moet vereffend worden. Intussen koesteren zij een blinde vlek voor het conto van anderen.

Wie wil het kwaad erkennen als de rijkdom te aantrekkelijk is? Fatsoenlijke mensen gebruiken liever 17e eeuwse argumenten om misdaad te vergoelijken. De politiek, het bedrijfsleven en de burgerij vinden altijd alibi’s waarom het niet anders kan, waarom we er nog niet aan toe zijn, waarom we conservatiever moeten zijn, waarom we recht hebben op een afkoopsom. Het spartelt te comfortabel op het zoet van de kapitalistische status quo.

Marten stierf toen hij 28 was. Oopjen hertrouwde met Maerten Daey, een militair die tussen 1629 en 1641 in Nederlands-Brazilië diende en de slavernij uit de eerste hand kende. Zijn familie bezat twee plantages waar zij kapitalen verdiende. Maerten had er tot slaaf gemaakte mensen in zijn bezit. Bij de Afrikaanse Francisca, die hij vier maanden opgesloten hield en regelmatig verkrachtte, verwekte hij een kind. De pastoor en de burgemeester klaagden hem aan. Het bleef voor hem zonder gevolgen. Voor Oopjen zal hij het verzwegen hebben.

In het huishouden van Oopjen moet over de slavernij gesproken zijn. Maerten heeft er vast over verteld en er stond een model van een suikermolen uitgestald in een van de vertrekken. Oopjen heeft zonder twijfel geweten hoe het familiefortuin werd verdiend.

Oopjens leven was verweven met de slavernij. Daarom hangt zij daar. Het Rijks markeert daarmee een belangrijk breekpunt: niet langer wordt alleen de pracht en praal van onze gouden eeuw getoond, er is erkenning voor een onuitwisbare smet die van nu af ook gezien moet worden. Hij kleeft aan dat schilderij waar miljoenen voor zijn betaald, en aan tientallen andere pronkstukken van het Rijks. De expositie heeft ze definitief beschadigd. Dat is een welbewuste en terechte keus.

Bronnen: boek ‘Slavernij’ en website-artikel ‘Afschaffing van de slavernij in Nederland‘.

Standaard