
Ochtend eerst kerstdag. Ik was daarstraks op het balkon om de natte handdoek weg te hangen. Tien graden moest het zijn, volgens de verwachting. Dat was het minstens. Een ekster schaterlachte.
Een klein half uur later. Ik schrijf. De ekster laat zich nog eens horen, anders nu. Het lachen is veranderd in het imiteren van een kauw. Of zou het juist een kauw zijn? Het blijken er twee te zijn. Ze bekvechten op de galerij.
Er staat geen zuchtje wind. In de hoge wolkenlagen is dat anders. Daar glijden vuile watten door het zwerk. Amorfe wezens, die elkaar vastpakken tot ze sleetse dekens vormen. Tussen de smoezelige karakters door duiken nu en dan pastelblauwe vegen tevoorschijn: beloften van warme zonnestralen.
Buiten de bekvechtende kauwen is het stil in de wijk. Weinig wegverkeer, een enkele voetganger. Wel luidt een tram zijn herkenbare, klingelende bel. Kerst tussen de rails, daar gaat dat het hele jaar door.
Gedempt ratelt plots een honderdklapper, kilometers verderop. Schuchter vuurwerk dat niet tot oudjaar wachten wil.
Lees verder







