Dichtwerk, Leeslengte kort

Motorzaag

Buiten snerpen schakels van een motorzaag,
binnen slaat de ketting
lucht uit mijn ingewanden.

Een vitale iep wordt genadeloos geveld.
Hout van zestig jaar moet wijken,
weerloos tegen technisch staal.

Nabij de gevel staat de reus,
een uur nog – te bedreigend,
gaat de vijfhonderd niet halen.

De redder mocht eens vallen
door een winterstorm
in de orkaan die wij ontstaken

voelt hij meer nog het wringen, wrikken,
het kraken van de schakels,
de zweepslag van de zaag.

Bij de foto:

  • Iep bij Langswater, Amsterdam, geveld op 3 september 2020
Standaard
Column, Gedachte, Leeslengte kort

Een winterdag

Op een winterdag tussen vrees en hoop niet het bed uit kunnen komen omdat de vrees overheerst.

Het bed, de warm kabbelende haven, de baarmoeder van de dag. De dag die liever niet geboren wil worden omdat de grauwe kilte daarbuiten hem aanziet en hem wil overnemen, hem wil verwezen en adopteren en met vrees wil overladen.

De dag die hoopvol wil beginnen maar direct vanuit het donker boze geesten ontmoet: de geest van Poetin, de geest van Trump, de geest van Wilders en die van Yesilgöz; de geest van oorlog, in Oekraïne, in Gaza; de geest van een aarde die op is en geen Moeder meer kan zijn, de geest van neerplenzende buien, van hitte en van stormen, de geest van een zeespiegel die stijgt.

De dag wil niet geboren worden, de dag wil niet verweesd raken en geadopteerd worden door zwaarmoedigheid. De dag raakt niet verlicht.

Tussen vrees en hoop de hoop vinden van creatie, de hoop van literatuur, de hoop van schilderkunst, de hoop van mooie woorden en beelden als een begeesterende toespraak op papier.

En dan de hoop van een expositie van transparante lagen. Wanden van slanke, warm-houten balken die samen een netwerk vormen, geweven – het web van een reuzenspin.

Lees verder
Standaard
Leeslengte kort, Verhaal

Vrouw met hond

In de lift kreeg ik gezelschap van een vrouw met hond. De hond keek omhoog, timide, de wenkbrauwen opgetrokken. Ik zag iets van het wit van zijn ogen. Even ontmoetten die de mijne; vrijwel direct sloeg hij ze neer. De vrouw twijfelde. Ik liet hen langsgaan.

De kleine ruimte sloot zich en kwam in beweging. Ik keek omlaag naar de hond, gladharig, net niet zwart, met een oude, grijs geworden snoet, zijn kop ter hoogte van mijn knieën. Ik merkte op dat hij verlegen leek. Zij ontkrachtte die schijn met één afgemeten zinnetje waarin een Duits accent doorklonk: ‘Hij is bang.’

Haar aarzeling van net … Ik begreep nu dat ik niets onverhoeds moest doen, dat benaderen uit den boze was, dat ik ondubbelzinnig moest zijn in mijn bewegingen, rustig en bedachtzaam.

‘Hij moet wennen?’, vroeg ik haar, met mijn roerloosheid intussen duidelijk makend dat ik de hond niet zou aanhalen.

‘Nou,’ reageerde zij terug, ‘dat zal niet gebeuren, het is al drie jaar niet gebeurd.’

Met een Duitse tongval klinkt dat hard. Zo bedoelde ze het niet. Ik kon maar beter gewaarschuwd zijn, in het hondenhoofd sluimerde een oud trauma.

Op de zevende etage schoof de liftdeur open.

‘Hij is er’, zei ik en deed beheerst een stapje achteruit om, voorzover de engte dat toestond, een ruime doorgang vrij te maken. Half naar hem, half naar mij klonk het: ‘Hij mag eruit, als hij erlangs durft.’ Ik ontving een glimlach als dankjewel voor mijn gebaar.

Hij durfde het niet zo een-twee-drie, waarop de vrouw hem met een kort, voorwaarts gericht rukje aan zijn riem aanspoorde. Schichtig keek het dier omhoog, naar mij, glipte langszij en was vóór zijn bazin de nauwe ruimte uit.

Ik drukte op de sluitknop, de deur gleed dicht. De lift zoefde verder, naar de tiende. Er was geen ongecontroleerde knauw of grom mijn kant uit gegaan en ik was er zeker van dat ik niet de enige was die dat op dit moment opgelucht constateerde.

Kan een hond verlegen zijn? Dat vroeg ik mij af, bij de voordeur aangekomen en mijn sleutels pakkend. Ik besloot van niet. Het tonen van een vanbinnen voelbaar ontzag voor een onzinnig idee van minderwaardigheid, lijkt mij een typisch menselijk euvel.

Standaard
Dichtwerk, Gedachte, Leeslengte kort

Neem plaats

Het was Gerrit Rietveld
die zoiets zei als:
‘Voor de nieuwe vormgeving
is dat, wat eender is in alle mensen
belangrijker dan hun verschillen.’

Pik die gedachte in
als van jezelf
en neem plaats
in de zetel
van 2024.

Het hout is nog blank
en knoestig,
maar schijnt
de satijnen glans
van kansen.

Kleur het in
– ik wens je
een jaar
van opbouw
toe.

Bron:

  • Het citaat van Gerrit Rietveld komt uit Aldo van Eyck: relativiteit en verbeelding van Francis Strauven, Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam, 1994, p. 230
Standaard
Leeslengte kort, Verhaal

Een levend blaadje

Amsterdam, hoogzomer langs de Schinkel.

Na de kleine ophaalbrug voor fiets- en voetverkeer gaat het pad licht glooiend naar beneden en buigt iets af naar rechts. Dan, onderbroken door een kleine knik, loopt het weer rechtdoor. Links en rechts staan struiken en bomen, dicht opeengepakt, een transparante tunnel toverend van chlorofyl en schitterende scherven zon.

Juist in de knik en juist als ik kom aangereden, kijven twee zwart-witte dieren. Het ene is een lapjeskat, het andere een ekster.

De kat haalt met zijn klauwen naar de vogel uit, die klapwiekend vurig terugpikt met zijn snavel. De twee houden respectabel afstand tot elkaar, beducht als ze zijn voor hun wederzijdse wapens.

Hun strijd blijft onbeslist; ze stuiven uit elkaar vanwege het aanrollend fietsgeweld. De lapjeskat schiet rechts de struiken in, de ekster kiest heftig fladderend voor het geboomte aan de linkerkant, ik rijd ertussendoor.

Dan hinkt iets verderop, een tiental meters maar, een nog donzig eksterjong het lage groen uit – de inzet van de strijd. Het ziet er gehavend uit en kan niet vliegen.

Ik kijk het na, achterom, en zie nog net de oudervogel terugkomen – naar het juveniel toe – en de andere partij tevoorschijn sluipen vanonder de bermbegroeiing, aanstalten makend om de jacht te hervatten.

Ik ben te ver weg om te kunnen volgen wat zich daarna voordoet. Bovendien wipt er een blaadje voor mijn wiel weg; een levend blaadje, een vorm die ik herken, dus keer ik om … als ik al dertig meter verder ben, want dan pas valt de herinnering op zijn plaats.

Mijn onbewuste had het goed gezien: een kikker! Hij zit er nog, midden op het pad.

Ik stap naast hem af en geef hem een licht tikje op zijn achterwerk. Met twee reuzensprongen vlucht het amfibie de struiken in; voorlopig veilig, voor fietsers en voor katten.

Peddelend namalend over de belevenissen van zojuist, concludeer ik met enige zelfspot: de levende natuur is niet vriendelijk en haar wreedheid neemt toe met het IQ van haar wezens … hetgeen wellicht míjn domheid staaft.

Standaard