
Zij kon onmogelijk niet gebeuren,
die catharsis van vallend water
over de grind- en asfaltpaden,
over het park dat zich gulzig laafde,
over het groen dat glom en bolde.
De hemel zwol er zwaar van,
groeide buikig en koppig
als dartele Shetlandpony’s,
vormde wanden van rotsen
uit zwart van git gehouwen,
met cascades overgoten
van licht dat zilver straalde.
Dat hele bouwwerk stortte neder
in een plas die spoog en schuimde,
zodat je bonkend vreesde
dat zijn oevers hem vergaten
en de koeten en de zwanen dreigden
door hun gakken en geblaas
met het overspoelen van hun grenzen.
Terwijl jij,
toen de kleuren je betoverden,
de werveling trachtte vast te klampen,
intussen heel goed wetend
dat het zou blijven bij de gratie
van één moment van magisch schenken.
Maar er is dat ene dat je blijft bewaren,
omdat het onuitwisbaar ooit
het reukgeheugen binnendrong,
de vlag waaraan je hem
ook nu vooraf herkende.
Het is de witte peper
zwevend door de ether.
Ontdek meer van Stan Lenssen
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.