Na een cadeau van vijftigduizend gouden jaren, een dierlijk brein om er twaalfduizend vol te maken – wat onbeduidend is na vier punt vijf miljard rondedansjes – en ons zuur op de etsplaat, is het rode koper rijp voor wat erna komt.
Een ruisende percussie van confetti dwarrelt op stoepen in alle tinten geel en goud. Laag licht strooit stralen uit het blauw door het hoge net van takken tot trillend mozaïek in straten.
Onder de kanten spitsbogen van haar kathedraal waarin licht en vorm maximaal verstrengelt, danst de natuur ten onder op de xylofone klanken van een knokendans.
Kraaien krassen, gierig plukkende genodigden. Tiptappend op de betonnen tegels voeren zij hun foxtrot op.
Zwart glanzend in het helle licht pikken zij de laatste restjes uit de schedel van de zomer, nu een beker van bederf op dit satansbal.
Op dit uur slaat de herfst uit een gouden kelk het leven achterover in een liturgie waarop de dood in duizend kleuren schijnt,
voor de storm het te pakken krijgt, voor de zwarte luchten uit, voor de kraaien winters walsen in het zwerk,
Het was de flard plastic in het hoge riet, al deels verzwolgen, die mij de macht van de natuur verried.
’s Mens blikveld van een korte horizon, hoe slim we menen dat we zijn, houdt ons, voor hoe het echt zit, dom.
Denkend dat wij erboven staan en de natuur eronder hebben, de clou volgt lang na ons vergaan.
Geordend uit wat chaos lijkt, zou kunst door ons verzonnen zijn, maar ga er maar van uit dat later blijkt:
het is niet dat iets de boel vervuilt omdat het komt uit mensenhanden – evenzogoed wordt het tot stof vergruisd; het is dat ook die flard uit de natuur verrijst, als wij deel is van de kringloop, terwijl ons niet gegund is eenzelfde lange levensreis.