Twee kampen zijn geschrokken van de strijd die zij ontstaken – er vloeiden druppels rood.
Twee minder schuldigen zijn dood gebleven, elk op hun eigen wijze aangezogen om aan het spektakel deel te nemen.
Hoe moet de wereld hiermee verder, als wij er in het Avondland, gewend aan wat we zijn, al slecht van slapen?
Wat moet de wereld met een ego dat zich schaamteloos laat gelden, dat zegt een man neer te kunnen schieten bij klaar daglicht in de straat, en dat zelfs dat het niet hindert een gekozen president te worden?
Wie, die in zo’n wereld is geboren, wil daarin leven? De angst gezaaid in jonge harten moet enorm zijn; ondraaglijk voor een twintigjarige, die de rollen omdraait.
Wat ging er in dat hoofd om tijdens die tijgersluipgang op het dak? Kruipend naar een vreselijk offer, pogend iets in de orde te verschuiven.
Een naïef kind, denkend dat het boven de loop der dingen staat. Is het in iets geslaagd?
De eerste daad, een vuist omhoog die ‘Vecht!’ riep, was er een van woede.
De tweede, uit het andere kamp, riep om verzoening – en werd aldus beantwoord.
Zou in een gepiercet oor een sieraad kunnen hangen?
Of wordt de diepe vrees, nu het gevaar gesterkt wordt door een vals geloof in een godgegeven missie,
weer snel gewekt door monsterlijke woorden, roepend om retributie en repressie?