Entropisch wezen,
waar leven passeert
van warme lijven
die koude bewegen,
wanordelijk mengend,
woelend en zoekend,
één richting,
geen retour.
Amorfe draaikolk,
die in haar plooien
alles slaafs slikt:
mooi, lelijk, mismaakt,
talentvol, misdadig,
eenzaam, ontaard.
Lonkende vrucht,
rood, zoet en gistend,
tot diep in het vlees
van sleetse organen
die luidruchtig haperen.
Veroveringsmijlpaal,
steeds bloedig bevochten
voor valse beloften
aan blinde termieten,
vallend als kinderen
voor stof, gruis en puin,
buit zonder waarde.
Wat maakt haar beminnelijk?





