Entropisch wezen, waar leven passeert van warme lijven die koude bewegen, wanordelijk mengend, woelend en zoekend, één richting, geen retour.
Amorfe draaikolk, die in haar plooien alles slaafs slikt: mooi, lelijk, mismaakt, talentvol, misdadig, eenzaam, ontaard.
Lonkende vrucht, rood, zoet en gistend, tot diep in het vlees van sleetse organen die luidruchtig haperen.
Veroveringsmijlpaal, steeds bloedig bevochten voor valse beloften aan blinde termieten, vallend als kinderen voor stof, gruis en puin, buit zonder waarde.
Voordat ik aan het rommelen sla en daar volledig in verzand, moet ik je iets vertellen.
Ik kreeg een potje thee van Suze gisteravond; een glazen potje gedroogde groene thee, vol met besjes, bloemknopjes en kleurige, onbestemde blaadjes.
‘Hier, dat is voor jou; iemand heeft het vergeten en jij drinkt zo graag thee.’
Het was na de afsluiting van het Van Eesteren Gesprek over stadsboerderijplannen voor de Lutkemeer. Het initiatief van stadsboerderijen daar komt uit de hoed van de strijders voor het behoud van de vruchtbare en landelijke Lutkemeerpolder.
Die polder ligt zowat om de hoek bij mij. Als ik uit het raam van mijn werkkamer op tien hoog kijk, kan ik een flinke punt ervan achter begraafplaats Herdenkingspark Westgaarde zien liggen.
Ik sta vierkant achter de actievoerders. In de Lutkemeer geen enorme dozen van logistieke reuzen. Die horen daar niet. Laat de polder polder zijn in alle diversiteit die met stadsboeren bereikt kan worden.
Dit gaat ook over mij, want het is de plek waar ik woon. Dus had ik me aangemeld voor de bardienst tijdens het Gesprek op het Van Eesteren Museum. Ik wilde het meemaken – eerste rang.
Het werd een razend druk bezochte avond; ik moest stevig aanpoten. Maar ik voel me verwend met verantwoorde thee.
Noot:
Onder de noemer van Van Eesteren Gesprek organiseert het Van Eesteren Museum met regelmaat thematische avonden over stedenbouw, architectuur en leefomgeving. De avonden worden opgebouwd rondom een panelgesprek en lezingen van deskundigen en worden afgesloten met een gezellig samenzijn. Ze zijn vrij toegankelijk.
Om 6 uur werd ik wakker en hoorde ik een merelman. Hij zong zijn betoverende loopje, nog in het donker, en andere vogels volgden hem.
Om 7 uur ontwaakte ik opnieuw. De zon was nog niet opgekomen maar stuurde zijn grijs-roze perzikstrepen al vooruit. Een puincontainer van een bouwplaats werd een vrachtwagen opgetakeld. Ik herkende het kabaal. Een tram, eveneens buiten beeld, plingplongde zijn wakkere stadsbel. Wellicht om al te levendig fietsgedrag te temperen. Autoverkeer zoefde en stond weer even stil, op weg naar het werk of andere bezigheden.
En weer die vogels met hun vrolijke, vrijlustige gekwetter. Nu ook de eenden en meerkoeten, gesnater en gegak.
Er is beweging binnen.
Het is het gerommel van darmen die nog wel een uurtje langer hadden willen liggen. En direct ook het gerommel van het voelen dat er een dag vol verwachtingen aanbreekt, een dag vol mooie ervaringen, inzichten en ideeën, prikkelende nieuwigheden.
Even waan ik me weer een kind na de laatste schooldag: het zijn darmen die zich roeren omdat je vroeg bent opgestaan want de zomervakantie breekt aan. Je moet op pad. De zon, de bossen, de vrijheid tegemoet. Dan komen ze tot rust.
Alles lonkt, maar niet vanwege nakend vakantieplezier; alles lonkt vanwege voorjaarssignalen. Het is heiig en als ik omhoog kijk, de lucht in, zie ik een wolkenlaag als gekaarde katoen, ongewassen. Dat wordt nog anders. De zon is beloofd en de voortekenen dat de belofte wordt ingelost, sluipen ertussendoor.
De vogels merken het ook op, maar anders dan ik hadden die de belofte bij donker al in de gaten. Voor hen is de weer-app of ander technologisch bewijs overbodig. Zij hebben hun raadselachtige, mystieke zintuigen.
Laat die darmen maar morrelen van verlangen, verwachting en verstoord bioritme. Hooguit maakt het me slanker. Ik treed de dag met plezier tegemoet. De lente stapt binnen, nu al, in februari. Door een uitzonderlijk zacht briesje dat onderweg is, mogen we straks rekenen op een huidstrelende veertien graden. Zouden de vogels dat ook al weten, via hun stiekeme barometers?
Zo direct stap ik op de fiets. Nog een half uurtje wachten, ietsjes langer. Ik zal langs de paden in de parken speuren naar veelkleurige krokussen en geel-oranje narcissen, naar witte sneeuwklokjes en naar zon-gele ranonkels. Het speuren zal me makkelijk afgaan; ik heb ze eerder al gespot, in groten getale.
‘Vroeg’, zeggen wij, klimaatverziekers. ‘Hoe vroeg, dat maak ik wel uit’, reageert Moeder Natuur. ‘Verzieken noch beïnvloeden kunnen jullie mij. Wie en wat jullie zijn dat ben ik. Jullie zijn mijn kroost, jullie zijn mijn bloed. Ik hoef niemand te temmen, ik ken geen arrogantie. Alleen het kind denkt in die termen omdat het onvolkomen is. En wie kan een kind iets verwijten?’
Op pad, op pad, het ontbijt achter de kiezen, de vogels kwetteren. Een dag vol optimisme begroet de stad. De eerste zonnestralen verwarmen de uiteen getrokken watten. De dikte lost op, ik zie het gebeuren.
Zometeen heb ik les. De laatste in de reeks van Dictators en Dictaturen. We gaan het hebben over Spanje, een dictatuur die vreedzaam tot een vrije omwenteling is gekomen. Dat kan. Een voorbeeldigheid, een beloftevolle revolutie, een halve eeuw terug.