Column, Leeslengte kort

Carnaval

Het is zaterdag en ik ben laat uit bed. 10.30 uur. Was er een feestje gisteravond? Nee, niet bij ons. Verderop in de wijk was er wel iets gaande. Door de kier van het slaapkamerraam hoorde ik het hossen en teuten van de feestvierders binnenkomen. Het was ver weg, te ver om me lang wakker te houden.

Ik lag erin om ongeveer 1 uur en heb dus zo’n negen en een half uur geslapen. Schandalig lang is dat niet. Kennelijk vraagt het lijf daarom. Ik eet gezond, beweeg regelmatig, lees en studeer elke dag. Wellicht doen die laatste twee ertoe; het hoofd heeft iets te ordenen.

Op deze februarimorgen hangt het zwerk bovendien vol grauwheid. Niet raar dat in die donkerte de slaaphormonen in actie blijven. En ik dus in rust.

‘Het aantal probleemdrinkers in Nederland bedraagt 1 miljoen’, klinkt het onder het tandenpoetsen. Het hoge cijfer wordt door de nieuwsvrouw op de radio nadrukkelijk voorgelezen. Ik bedenk me hoe fijn het elke dag weer voelt dat ik de alcohol heb afgezworen, nu al ettelijke jaren geleden.

Voor velen is dát de oorzaak die ze in het weekend lang in bed houdt. Voor velen is het ook het opiaat, de drug, de tinctuur die van een grijze dag als vandaag iets vrolijks maakt. Een valse noodzaak, want we zijn vergeten welke betovering de Hollandse wolkenluchten ons naast hun somberte ook te bieden hebben.

Lees verder
Standaard
Leeslengte kort, Verhaal

De diender

Het was twee graden onder nul en door de straten blies een venijnige oostenwind. Ik liep over Tussen Meer, de hoofdstraat van de buurt. Wanten aan, das om. Genietend van mijn dikke, teddyberenvacht gevoerde winterjack, want wanneer had ik dat nog nodig.

Knus geborgen, een tas om de linkerschouder en een in de rechterhand, was ik op weg voor een paar boodschappen. Halverwege viel mijn oog op een man in een politiepak. Op de hoek van een kruising stond hij er wat verloren bij. Hij was behangen met handboeien, een mobilofoon en een klein wapenarsenaal. Dit was echt.

Houdt de wacht, concludeerde ik, en mijn gedachten vlogen terug naar mijn diensttijd. Op je post, in de vrieskou. Alert wezen op wat er mogelijk kon gebeuren in de ijzige stilte van de nacht in en rond een kampement in de bossen.

Eén keer heb ik een spannend moment beleefd: een opgewonden everzwijn leek het op mij voorzien te hebben. Een boom werd mijn redding. Ik sprong erachter, weg uit de lijn van het aanstormende dier.

Op Tussen Meer komen geen everzwijnen voor. Het was er ook niet nachtelijk stil. Toch leek voor de agent iets gelijkaardigs te gelden als voor mijn wacht: alert wezen op wat er mogelijk kon misgaan in de haastige dagroutine van een drukke winkelstraat. Ik twijfelde er niet aan of hij had er de taak het bedreigend afwijkende te onderscheiden en er adequaat naar te handelen.

Lees verder
Standaard
Dichtwerk, Leeslengte kort

Motorzaag

Buiten snerpen schakels van een motorzaag,
binnen slaat de ketting
lucht uit mijn ingewanden.

Een vitale iep wordt genadeloos geveld.
Hout van zestig jaar moet wijken,
weerloos tegen technisch staal.

Nabij de gevel staat de reus,
een uur nog – te bedreigend,
gaat de vijfhonderd niet halen.

De redder mocht eens vallen
door een winterstorm
in de orkaan die wij ontstaken

voelt hij meer nog het wringen, wrikken,
het kraken van de schakels,
de zweepslag van de zaag.

Bij de foto:

  • Iep bij Langswater, Amsterdam, geveld op 3 september 2020
Standaard
Column, Gedachte, Leeslengte kort

Een winterdag

Op een winterdag tussen vrees en hoop niet het bed uit kunnen komen omdat de vrees overheerst.

Het bed, de warm kabbelende haven, de baarmoeder van de dag. De dag die liever niet geboren wil worden omdat de grauwe kilte daarbuiten hem aanziet en hem wil overnemen, hem wil verwezen en adopteren en met vrees wil overladen.

De dag die hoopvol wil beginnen maar direct vanuit het donker boze geesten ontmoet: de geest van Poetin, de geest van Trump, de geest van Wilders en die van Yesilgöz; de geest van oorlog, in Oekraïne, in Gaza; de geest van een aarde die op is en geen Moeder meer kan zijn, de geest van neerplenzende buien, van hitte en van stormen, de geest van een zeespiegel die stijgt.

De dag wil niet geboren worden, de dag wil niet verweesd raken en geadopteerd worden door zwaarmoedigheid. De dag raakt niet verlicht.

Tussen vrees en hoop de hoop vinden van creatie, de hoop van literatuur, de hoop van schilderkunst, de hoop van mooie woorden en beelden als een begeesterende toespraak op papier.

En dan de hoop van een expositie van transparante lagen. Wanden van slanke, warm-houten balken die samen een netwerk vormen, geweven – het web van een reuzenspin.

Lees verder
Standaard
Leeslengte kort, Verhaal

Vrouw met hond

In de lift kreeg ik gezelschap van een vrouw met hond. De hond keek omhoog, timide, de wenkbrauwen opgetrokken. Ik zag iets van het wit van zijn ogen. Even ontmoetten die de mijne; vrijwel direct sloeg hij ze neer. De vrouw twijfelde. Ik liet hen langsgaan.

De kleine ruimte sloot zich en kwam in beweging. Ik keek omlaag naar de hond, gladharig, net niet zwart, met een oude, grijs geworden snoet, zijn kop ter hoogte van mijn knieën. Ik merkte op dat hij verlegen leek. Zij ontkrachtte die schijn met één afgemeten zinnetje waarin een Duits accent doorklonk: ‘Hij is bang.’

Haar aarzeling van net … Ik begreep nu dat ik niets onverhoeds moest doen, dat benaderen uit den boze was, dat ik ondubbelzinnig moest zijn in mijn bewegingen, rustig en bedachtzaam.

‘Hij moet wennen?’, vroeg ik haar, met mijn roerloosheid intussen duidelijk makend dat ik de hond niet zou aanhalen.

‘Nou,’ reageerde zij terug, ‘dat zal niet gebeuren, het is al drie jaar niet gebeurd.’

Met een Duitse tongval klinkt dat hard. Zo bedoelde ze het niet. Ik kon maar beter gewaarschuwd zijn, in het hondenhoofd sluimerde een oud trauma.

Op de zevende etage schoof de liftdeur open.

‘Hij is er’, zei ik en deed beheerst een stapje achteruit om, voorzover de engte dat toestond, een ruime doorgang vrij te maken. Half naar hem, half naar mij klonk het: ‘Hij mag eruit, als hij erlangs durft.’ Ik ontving een glimlach als dankjewel voor mijn gebaar.

Hij durfde het niet zo een-twee-drie, waarop de vrouw hem met een kort, voorwaarts gericht rukje aan zijn riem aanspoorde. Schichtig keek het dier omhoog, naar mij, glipte langszij en was vóór zijn bazin de nauwe ruimte uit.

Ik drukte op de sluitknop, de deur gleed dicht. De lift zoefde verder, naar de tiende. Er was geen ongecontroleerde knauw of grom mijn kant uit gegaan en ik was er zeker van dat ik niet de enige was die dat op dit moment opgelucht constateerde.

Kan een hond verlegen zijn? Dat vroeg ik mij af, bij de voordeur aangekomen en mijn sleutels pakkend. Ik besloot van niet. Het tonen van een vanbinnen voelbaar ontzag voor een onzinnig idee van minderwaardigheid, lijkt mij een typisch menselijk euvel.

Standaard