Horizontaal schijnt de bal naar binnen, dertien uur ’s middags, ver weg witheet, dichtbij uitdagend.
Zíj heeft er zin in: ‘Ik geef mij al iets meer vandaag – neem mij.’
Dwars door het doorzonraam van de betonnen flat toont zij haar stralende kracht, haar energie, haar groeihormonen, haar drift om voort te planten.
De korte kou van rond het vriespunt heeft zicht teruggetrokken, al enkele dagen, de Maas voorbij, Midden-Europa in, richting het oude Habsburgse Rijk.
Het is opmerkelijk zacht, er bloeien prunussen, schuchter, autochtone vogels kwinkeleren, twijfelachtig.
Zo niet de parkieten, pedant als ze zijn.
In kleine zwermen, caleidoscopische groene flitsen, krijsend vuurwerk in wisselende formaties, schreeuwen zij brutaal: ‘Het geile voorjaar staat op springen!’
V. zond mij gisteren een aandoenlijke mail. Het was een forward van K., een gepensioneerde dame uit Istanbul, civiel ingenieur, met een speciale belangstelling voor stedenbouw. Zij had een wandeling geboekt door het buitenmuseum van het Van Eesteren Museum en ik was haar gids geweest.
In gebroken Engels uitte zij haar genoegen over de excursie. De mail was rechtstreeks aan V. gericht en ondertekend met: ‘K. moeder van N.’ (Kent V. haar persoonlijk?)
Wat mij trof en streelde aan het bericht was de expliciete opdracht om haar dank over te brengen aan de gids: hij was zo aardig geweest en zijn verhaal zo informatief. ‘I had to catch tram 13’, stond erbij. Alsof ze zich schaamde voor het abrupte einde van onze wandeling. Dat moment zie ik nog helder voor me.
Het ging er gehaast aan toe op de grote, drukke kruising van de Burgemeester Roëllstraat en de Burgemeester Rendorpstraat, waar zich aan de Roëll-zijde de tramhalte bevindt. Alle verkeer stond stil, alle stoplichten op rood, simultaan kwam lijn 13 aangereden. ‘My tram!’ Een gelegenheid van nu of nooit. En met een spurtje – ik steunde haar elleboog – landden we veilig op het perron, brutaal diagonaal dwars door het vlechtwerk van stoeptegels, asfalt en auto’s heen.
Aan de overzijde stond een politiewagen die het allemaal aanzag. Ik weet nog dat ik dacht: of hij slingert me zo op de bon, of hij waakt nu over ons. De vrouwelijke trambestuurder had onze snelle en zondige oversteek in het vizier – ze glimlachte achter de ruit, ze nam wat extra tijd en toonde compassie met de verkeersovertreders.
Ik zwaaide naar mijn excursionist, inmiddels op de treeplank van de tram. Zij hief haar arm een stukje in mijn richting. In het verwarrende gebeuren moet ze mij nog ‘thank you’ hebben willen zeggen. En dan met wat meer woorden dan de tijdsdruk haar toestond.
Het is niet meer gelukt en ik voelde toen, en weet het nu zeker, dat dat haar naar haar idee schuldplichtig maakte tegenover mij. Maar ik had allang de dankbare signalen begrepen en in mijn hart gesloten, die ze mij tijdens onze wandeling overvloedig had toegeworpen.
En nu die mail: gemeende lieve woorden van alweer ver weg, wat een roerende gedachte. Ik zag dat V. haar mailadres had laten staan in de kop. Geen idee of dat bewust was. Hoe dan ook, ik heb K. terug bedankt.
De politiewagen kwam mij nog achterop. De vrouwelijke en de mannelijke agent spraken mij niet aan, ook al kon het. Ze beleden waakzaam én dienstbaar hun zorgzame slagzin.
D. kijkt graag vogels, ik mag mee. Kijk, zeg ik, een bonte ekster. Nou, zegt D., dat is een Vlaamse gaai.
En daar, bij de waterkant, zit een jonge wintertaling. Nou nee, zegt D. Dat is een smient.
Verrijkend is het, vogelkijken. We zijn pas net begonnen en we hebben er al vier gezien.
– Ester Naomi Perquin, uit de bundel Ongevraagd advies, 2022
Ester Naomi Perquin schrijft en dicht over niets bijzonders. Vanuit iets kleins, een jeugdherinnering, een geur, een aardappel die geschild wordt, weet zij woorden op papier te zetten die bij de hartstreek binnenkomen.
Zij uit zich niet in grootse formuleringen, ze treft de lezer met haar beelden van het gewone.
Het alledaagse zien en daar het speciale uit naar voren halen – die dingen die steeds langs ons heen gaan en van ons bordje glijden voor we ze te pakken krijgen. Die dingen die oplossen in de lucht omdat ze te banaal schijnen, te algemeen, te veel ons dagelijks brood.
Ze ontsnappen aan de meesten van ons. Maar zij zijn het leven, zij zijn het nu, hetgeen waar we dagelijks middenin staan. Dat wat ons bestaan behelst.
Het is kunst de beelden op de tijdlijn van het alledaagse te vangen. Het is goed, maak er verhaaltjes over, dicht erover, hou het vast in een foto van persoonlijk opgeschreven woorden.
In de tijd dat ik bezig ben met mijn kleine gedachten in mijn kleine wereld zakt Nederland af naar een bedenkelijk humane staat. Onze bestuurders hebben van wachten een wapen gemaakt om vluchtelingen af te schrikken – wachten, eindeloos wachten, twee tot drie jaar wachten voordat je weet of je in Nederland mag blijven. Maar gevlucht wordt er desalniettemin, ook naar Nederland, en het wachten leidt in de noodopvang in Ter Apel tot afgrijselijke situaties.
Mensen slapen er buiten, delen per zevenhonderd één of twee dixie-toiletten, hebben geen bedden, leven in hun eigen drek, raken depressief, ziek, en een baby sterft. Het zijn taferelen die we voorheen alleen – en het spijt me dat woord te moeten gebruiken – gewend waren van de vluchtelingenkampen aan de randen van Europa. Het was en is vreselijk dat we de mensen daar niet hielpen en helpen, maar nu kiest onze overheid ervoor om vluchtelingen ook binnen de eigen landsgrenzen te laten creperen.
Moet ik mijn land gaan haten? Mijn Nederland, dat ik lang een vriendelijk oord vond vanwege zijn pogingen in een nog vrij recent verleden zijn rijkdom te delen en een tolerante koers van mededogen te varen.
Zelfs om pogen maakt onze overheid zich niet meer druk. Geen denken aan. Het mocht radicaal rechts eens in de kaart spelen, straalt onze premier uit. Hij moest zich eens realiseren hoezeer hijzelf inmiddels naar die hoek is opgeschoven en hoezeer hij ze dáármee in de kaart speelt.
De dagen zijn kort en vadsig, het huis ruikt naar uien en kool, het bed is te warm en te veilig.
Een plank van twaalf al een jaar ongelezen. Eén boek is geen waarheid, vele zijn een leugen.
Mijn twijfelachtige denken is echt niet in staat die dubieuze balans te doorbreken.
Dus wat zou ik toevoegen, wat zou ik inkt verspillen, wat zou ik woorden verzinnen?
We lopen nog, zij het allemaal wat krom. We hopen nog, zij het allemaal wat dom.
Bij de foto:
Hoopvol en niet zo dom: Tentoonstelling BORO x Mobiel: Ik zie jou, wat zie jij?, Antoine Peters en buurtbewoners van Amsterdam West en Nieuw-West – te zien in het Van Eesteren Museum, tot en met 10 december 2023