Het was Gerrit Rietveld die zoiets zei als: ‘Voor de nieuwe vormgeving is dat, wat eender is in alle mensen belangrijker dan hun verschillen.’
Pik die gedachte in als van jezelf en neem plaats in de zetel van 2024.
Het hout is nog blank en knoestig, maar schijnt de satijnen glans van kansen.
Kleur het in – ik wens je een jaar van opbouw toe.
Bron:
Het citaat van Gerrit Rietveld komt uit Aldo van Eyck: relativiteit en verbeelding van Francis Strauven, Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam, 1994, p. 230
Na de kleine ophaalbrug voor fiets- en voetverkeer gaat het pad licht glooiend naar beneden en buigt iets af naar rechts. Dan, onderbroken door een kleine knik, loopt het weer rechtdoor. Links en rechts staan struiken en bomen, dicht opeengepakt, een transparante tunnel toverend van chlorofyl en schitterende scherven zon.
Juist in de knik en juist als ik kom aangereden, kijven twee zwart-witte dieren. Het ene is een lapjeskat, het andere een ekster.
De kat haalt met zijn klauwen naar de vogel uit, die klapwiekend vurig terugpikt met zijn snavel. De twee houden respectabel afstand tot elkaar, beducht als ze zijn voor hun wederzijdse wapens.
Hun strijd blijft onbeslist; ze stuiven uit elkaar vanwege het aanrollend fietsgeweld. De lapjeskat schiet rechts de struiken in, de ekster kiest heftig fladderend voor het geboomte aan de linkerkant, ik rijd ertussendoor.
Dan hinkt iets verderop, een tiental meters maar, een nog donzig eksterjong het lage groen uit – de inzet van de strijd. Het ziet er gehavend uit en kan niet vliegen.
Ik kijk het na, achterom, en zie nog net de oudervogel terugkomen – naar het juveniel toe – en de andere partij tevoorschijn sluipen vanonder de bermbegroeiing, aanstalten makend om de jacht te hervatten.
Ik ben te ver weg om te kunnen volgen wat zich daarna voordoet. Bovendien wipt er een blaadje voor mijn wiel weg; een levend blaadje, een vorm die ik herken, dus keer ik om … als ik al dertig meter verder ben, want dan pas valt de herinnering op zijn plaats.
Mijn onbewuste had het goed gezien: een kikker! Hij zit er nog, midden op het pad.
Ik stap naast hem af en geef hem een licht tikje op zijn achterwerk. Met twee reuzensprongen vlucht het amfibie de struiken in; voorlopig veilig, voor fietsers en voor katten.
Peddelend namalend over de belevenissen van zojuist, concludeer ik met enige zelfspot: de levende natuur is niet vriendelijk en haar wreedheid neemt toe met het IQ van haar wezens … hetgeen wellicht míjn domheid staaft.
Op een balkon hiertegenover, vijf verdiepingen lager, schuilt achter de kale iepentakken een persoon. Hij of zij is gestoken in een stevig dichtgeslagen regencape met capuchon, waarvan de knal van de kleur zo hard is dat het oranje niet meer lelijk is. Reflecterende waarschuwingsstrepen op de zeildoeken torso lichten nu en dan op door het keren van koplampen op de parkeerplaats die tussen de beide flatgebouwen ligt. Wie of wat wordt daar gered?
Het is een barre dag van donkergrijze boosheid. Alarmfase oranje? Zou kunnen. Of is het zo dat de schuilevink in werkelijkheid geen opgetrommelde hulpverlener is, maar een verstokte roker? Je moet er wat voor over hebben om je teer- en nicotinepeil op hallucinante hoogte te houden. Maar hoe blijft in hemelsnaam je peuk droog wanneer pijpenstelen tot stuifregens stukslaan tegen de gevels? Ik heb geen idee. Een roker waarschijnlijk wel; verslaving maakt vindingrijk.
Vrij schrijven brengt gelijkaardige sensaties naar boven als vrij zwemmen. Weet ik het nog?
Vierde klas lagere school. Eén maal per week naar het Brabantbad in ’s-Hertogenbosch – wat een idiotie dat ze dat later hebben afgebroken om er elders een subtropisch surrogaat voor neer te planten; ik heb er grootse momenten beleefd. Die ene keer per week, met zijn allen in de bus, speciaal voor ons gecharterd – voor de hele klas. We leerden zwemmen. Daaraan heb ik mijn diploma A te danken.
Voor B was ik niet ambitieus genoeg. Aan de aansporing onderaan de akte, Ga nu verder oefenen voor het DIPLOMA Geoefend Zwemmer, had ik geen boodschap. Ik was content, de eisen waren streng. Binnen dat ene jaar, in die ene keer per week, moest het gefikst zijn.
A was al meer dan voor veel anderen was weggelegd. De meesten struikelden over het zeer gevreesde onderdeel: een volle minuut watertrappelen met de wijsvingers boven water. Daarbij moest halverwege een complete rotatie om de verticale lichaamsas worden gemaakt – intimiderend ingewikkelde woorden voor kinderen van tien. Eén wijsvinger één keer kopje onder en je was gezakt.
Wat ik ook nog meen te weten (en ik kan er goed naast zitten): de zwemles duurde een half uur. Niet zo lang, zeg ik nu ik ‘groot’ ben. Toen was een half uur daarentegen eindeloos veel tijd. Steevast eindigden we met één minuut watertrappelen, want de badmeester kende zijn pappenheimers. Een helse uitdaging. Dan proestte je het uit. Niet van het lachen, je snoof het scherpe chloorwater door je neusgaten naar binnen.
En daarna, ja daarna kwam de grote beloning voor alle gehoorzame inspanning. Daarna mochten we vrij zwemmen, wel vijf minuten lang. Dan was het soms ook toegestaan vanaf de hoge te springen. ‘Pas op, voeten naar beneden, géén duikcapriolen!’
De echte waaghalzen echter – soms was ik daarbij – togen naar het pierenbadje. Dat was namelijk verboden. Maar daar lagen alle speeltoestellen, daar was het water baarmoederwarm. Daar kon je je pas echt vrij zwemmer voelen, want daar lag het avontuur. Tot natuurlijk de apotheose zich ontvouwde wanneer de badmeester of de badjuf kwam en de onverlaten eruit joeg.
Verspeelden we zo wel eens onze vijf vrije minuten? Vast wel.
Nog één ding: ik was bang toen ik voor de eerste keer het grote, diepe bad in moest. Je kon erin verdrinken – daar werd ernstig voor gewaarschuwd – en dat was ik absoluut niet van plan. Moedig heb ik doorgezet. Ik voelde me een kleine held, een sleutelmoment; mijn diploma A is toen tot stand gekomen.
Horizontaal schijnt de bal naar binnen, dertien uur ’s middags, ver weg witheet, dichtbij uitdagend.
Zíj heeft er zin in: ‘Ik geef mij al iets meer vandaag – neem mij.’
Dwars door het doorzonraam van de betonnen flat toont zij haar stralende kracht, haar energie, haar groeihormonen, haar drift om voort te planten.
De korte kou van rond het vriespunt heeft zicht teruggetrokken, al enkele dagen, de Maas voorbij, Midden-Europa in, richting het oude Habsburgse Rijk.
Het is opmerkelijk zacht, er bloeien prunussen, schuchter, autochtone vogels kwinkeleren, twijfelachtig.
Zo niet de parkieten, pedant als ze zijn.
In kleine zwermen, caleidoscopische groene flitsen, krijsend vuurwerk in wisselende formaties, schreeuwen zij brutaal: ‘Het geile voorjaar staat op springen!’