Dichtwerk, Leeslengte kort

P’s dropping

Drie parachutisten kwamen
naar beneden,
in formatie,

uit een vlucht zonder vliegtuig.
Ik hoorde
geen propellers.

Ze vielen in
gehurkte houding,
geklonken aan elkaar.

De tweede hield
de eerste vast

aan zijn opgetrokken
voeten.

De derde klemde zijn
handen stevig

om de rugbepakking
van de eerste.

Zo ging het in compacte
vaart omlaag,

voordat ze elkaar
lieten gaan.

P van de drie maakte
een perfecte
landing.

Een andere bleef steken
in een boom bovenin
de kruin.

De laatste zag zijn parachute
voor een deel niet
opengaan.

Wapperend sloeg hij
in paniek
te pletter,

in een ramp zonder ziekenauto.
Ik hoorde
geen sirenes.

De stunt sloot af
met een receptie.

Groots,
feestelijk en
buiten.

P zat tegenover mij,
drie meter
verder, op

een witte
tuinstoel,

smalend

om zijn geslaagde
val.

Ik schoot vol
met vragen.

Geheel naar P’s natuur kwam
op geen ervan

een serieus te nemen
antwoord.

Standaard
Leeslengte kort, Verhaal

Mirakel

Het is zover, de eerste vlokken zijn gevallen.

Voor en achter onze flat staan iepen. Veel! Je zou kunnen zeggen dat wij zijn ingesloten door een bos. Meer dan twee maanden terug, in de winter nog, stonden de bomen op knappen. Aan de uiteinden van de kale takken groeiden trosjes rood-bruine balletjes. Een opmaat naar bladknoppen? Dat was het niet.

Elk jaar zie ik het gebeuren. Nog voor zich iets van loof gaat vormen, verzekert de iep zich van nageslacht. Alsof de boom zich daarna pas het voorrecht gunt om zelf te leven.

De rood-bruine trosjes verschijnen. Massa’s bijeengepakte bolletjes. Elk bolletje een microranonkeltje op het punt van ontvouwen. Vliesjes over vliesjes, rood-bruin en kleverig. Eind februari, mirakels, volgt de transformatie.

De bolletjes barsten open, de vliesjes laten los. Al snel ligt diep beneden het plaveisel ermee bezaaid. Elk bolletje ontpopt zich als een bloempje. Heel klein. Vanaf de grond voor mensenogen is er nog net iets zichtbaar, maar het is niet als voortplantingsorgaan te onderscheiden.

Ik heb het wonder dit jaar vanaf het balkon gevolgd. Daar was een verrekijker voor nodig.

Iepen zijn windbestuivers. Zodra de bloempjes zijn opengesprongen, kan het spel van de bevruchting plaatsvinden. Zodat een paar weken erna opnieuw een wonder kan volgen.

Dan is het of de iepen hun blad gaan maken. Zou het nu dan wel gebeuren? De misleiding is compleet omdat bomen van andere soorten daar dan al druk mee bezig zijn. Zij zetten je op het foute been. Je denkt, nu komt hij ook, de iep. En je wordt in je idee bevestigd, want in de toppen van zijn takken vormt zich een geel-groene gloed.

Maar, het gaat om zaden. Het zijn de oorspronkelijk trosjes die nu vrucht gaan dragen. Ze vormen zich plat en rond en hard, elk ingepakt in een flinterdun groen laagje dat aan de randen overtollig weefsel vormt. Maar ook ‘overtollig’ is misleidend. Het surplus aan weefsel krijgt nut, hoewel veel later pas.

Een paar weken houdt die geel-groene gloed aan. Het zaad groeit, de halsbandparkieten ook – en tegelijkertijd, want zij smullen er gretig van. En dan, wanneer het eindelijk volwassen is, het is al mei, dan komt de sneeuw.

Dan laten de vruchtjes los en bewijst het ruime jasje zijn belang. Als een kleine deltavlieger tilt het zijn kostbare vracht op in de wind en neemt die mee, ver weg van de moederboom, om in vreemde streken neer te dalen op de grond. Het is een massaal gebeuren, het gaat met miljoenen.

Hopelijk ging de vlucht dan naar een vruchtbaar plekje, zodat ook daar over dertig-veertig jaar een iep te pronken staat. Slechts enkele zaadjes hoeven het zover te brengen.

Half mei heeft de iep het zware werk gedaan en breekt voor de boom zelf het leven aan. Dan pas groeit zijn blad volwassen uit. Op het einde van de maand staat hij uiteindelijk trots te wezen, groen en helder en transparant, als een smaragd.

Als ik dit schrijf is het 5 mei, bevrijdingsdag. En juist vandaag valt de eerste lentesneeuw.

Standaard
Dichtwerk, Leeslengte kort

Voorland?

We waren met een groepje mensen en
we aten
gaar gekookte,
afgedankte kleding.

Op mijn bord lag een textielen schoen,
zwart met rood
geruit.

Ik sneed hem in blokjes en
dacht aan de voet
die erin gezeten had en
aan het straatplaveisel
waar de zool
op had gelopen.

Het eten stond me tegen.
Ik heb de blokjes weggegooid,
keurig in de afvalbak,
en mijn bord
en mijn mes
schoongeveegd.

De rest,
smakkend smullend,
keek mij,
niet begrijpend,
na …

Standaard
Leeslengte kort, Verhaal

Nog even

De iepen hebben nog twee verdiepingen te gaan. Nu al strekken hun toppen zich reikhalzend uit naar de onderrand van het balkon. Dat was zes jaar geleden nog anders, toen wij hier kwamen wonen.

Alles groeit in de natuur. Alles woekert over alles heen als het de kans krijgt. Beneden, in die toppen daar, zie ik vier parkieten spelen. Invasieven als ze zijn, verdringen zij inheemse vogelsoorten. In zes jaar tijd heb ik hun populatie hier flink zien toenemen.

Ze zijn groener dan het felste groen van het lichtgevende, jonge iepenzaad. Vol verwachting kijken de vogels naar de lekkernij in wording, vol verwachting van het volgroeid raken.

Het is onmogelijk om er nog vanaf te blijven. Het verlangen is te groot en de frustratie valt in onrijpe trosjes, kapot gebeten door kleine rode snavels, naar beneden. Tussen de voorjaarsnarcissen die daar staan te bloeien.

Heb geduld, wil ik ze zeggen, het zuur wordt automatisch zoet. Nog even.

Standaard