Dichtwerk, Leeslengte kort

Nijlpaarden in de Rijn

De tjiftjaf tjiftjaft weer onvermoeibaar door het raamrooster naar binnen.
Hij zit ergens hoog in een iep beneden.

Waar maken wij ons druk om?
Klimaatactivisten.

Een vrouw van cijfers,
voor het hoofdkantoor van een bank in Amsterdam,
vertelde dat haar puberdochter wist van nijlpaarden in de Rijn,
ooit –
en vrienden vonden botrestanten van mastodonten aan het Noordzeestrand;
ze leefden tussen Engeland en Nederland,
toen de kom nog niet vol water stond.

Zij maakte zich geen zorgen.
Tegen welke krachten vecht je?
Panta rhei.

Als mensen willen consumeren,
wie houdt ze tegen?
Waarom?
Zijzelf deed er niet aan mee.
Aan het een en ander.

Misschien is zij wel verder dan wij,
die het stromen stoppen willen.
Begrijpt zij het beter,
vrouw van cijfers.
Controller, astronoom, fysicus, geoloog.
Wie in grote getallen denkt kijkt dieper in de tijd.

De kleine vogel overstemt nu zelfs sirenes,
en een politiehelikopter,
intussen rustig persisterend naast een vinkenslag.
Ik begrijp iets niet,
hij wel,
zij ook.

Zou het kouwe drukte zijn?

Standaard
Column, Gedachte, Leeslengte kort

Ertussenuit gepiept

Gisteren werd er even over gesproken. Henny Vrienten is er dit voorjaar ‘tussenuit gepiept’. Zijn lied Het gaat niet over was opgenomen in het programma. Meer dan alleen als een zomergeluid passend in de Dienst zonder god, mochten we dat interpreteren als een eerbetoon aan hem.

Het gaat wel over. Doodgaan is de derde grote daad die een mens kan stellen in zijn leven. ‘Kan’ omdat het ook de tweede zijn kan. De eerste is geboren worden, de optionele middelste is nieuw leven verwekken.

‘Ertussenuit gepiept.’ De daad van doodgaan is te ingrijpend voor grote woorden. Henny Vrienten is een stukje van mijn jonge jaren. Toen ik in april over de radio hoorde van zijn sterven, gebruikte ik dezelfde woorden. Zo ook toen mijn vader stierf, en een zus. Alsof er iets vrolijks had plaatsgevonden, om de grote daad te bagatelliseren.

Het zijn woorden die vooral zeggen: ik bescherm nu mijzelf tegen zware balken die drukken op mijn gemoed. Balken die zo zwaar zijn omdat zij een stellage moeten vormen die iets dragen moet dat ondraaglijk is.

‘Ertussenuit gepiept’ is geen symptoom van een taboe. Het is een sympathiek gebaar naar die wie er niet meer is. We doen even alsof dat nog niet zo is, niet definitief. We doen even alsof we met ons hoofd om de hoek kunnen roepen: ‘Kom er nog even bij!’

We sluiten nog niet definitief de kring, maar houden een plaatsje vrij.

Het is ons spel met de dode. We zouden zo graag horen hoe het aan de andere zijde is: ‘Kom en vertel het ons, nu het zo kort geleden is en je nog in de buurt moet zijn.’

Niet uit nieuwsgierigheid, eerder uit wanhoop. Als er een kans is om nog een hand te schudden, een kus te geven, elkaar te omarmen, elkaar in de ogen te zien en iets oprechts te zeggen, dan is het deze.

Want nu voelen we de warmte nog, en ruiken de geur van de ander. Zodra die zijn afgekoeld en vervlogen, is de stoel onherroepelijk uit de kring geschoven.

Standaard
Dichtwerk, Leeslengte kort

Ideale wereld

in een ideale wereld
is niets ergens een oorzaak van
of een gevolg
kan ik niet vooruit blikken
of terug
er alleen maar zijn
los van verwachtingen
zonder herinneringen
in een punt
waarin niets voorvalt
geschiedenisloos
toekomstloos
tijdloos
planloos

in een ideale wereld
ben ik een meeuw
stil in de lucht

een ideale wereld
stelt geen eisen
accepteert dat ik er ben
en er niet om heb gevraagd

Standaard
Gedachte, Leeslengte kort

Ruimte

21 juni. De dag van de zonnewende. De start van de zomer.

Het was vannacht de kortste nacht.

Of was dat gisteren? Of is het morgen?

Het wisselt. Rondom deze dagen.

Mensen spreken er iets over af, maar niemand weet het zeker; het zijn de zon en de aarde die erover gaan.

Mijn neusvleugels zijn schraal van twee dagen intensief snuiten. Ik voel me beter, er weer bovenop. Dat is een vreemde sensatie. Het doet aan als een schoon, nieuw begin. Een heldere dag na veel regen die alle stof en vuiligheid heeft weggespoeld – zoiets.

Mijn spieren zijn nog wat slap en tegelijkertijd stijf. Trillerig en onzeker, dát zijn de woorden. Het zijn de spieren van een kind dat juist heeft ontdekt dat het kan lopen en nu vooral oefenen moet. Zodat het soepel gaat bewegen en het lichaam automatisch en accuraat wordt, en zich trefzeker gaat kwijten van zijn taak.

Het is ontluisterend hoe weinig er voor nodig is om in fysieke staat af te zakken. Een verkoudheidsvirus dat een dagje rondwaart in je lijf is genoeg om de boel zodanig te ondermijnen dat je het idee krijgt – achteraf – dat je meedogenloos bent leeg geschraapt.

Dat is de minkant.

De pluskant is het besef van een totale zuivering, een complete ontslakking. Een hergeboorte. Een fris, nieuw begin waarop is afgerekend met alle oude zooi en er weer eindeloos veel ruimte is. Zoiets als de start van een veelbelovend seizoen, laten we zeggen de zomer.

Vanavond ga ik naar de Dienst zonder god in de Rode Hoed. Inderdaad, om de seizoenswisseling te vieren. Om nog even naar het oude om te zien en vooral ook de verwachtingen in te luiden, om in een mis zonder heiligheid stil te staan bij wat mij beroert, zonder dat Hij zich ermee bemoeit.

Maar eerst zal ik schrijven. Nu zij is ontstaan, wil ik de ruimte benutten.

Standaard
Leeslengte kort, Verhaal

Klus

Op dag 1 startte God het karwei, hij scheidde licht en donker en schiep zo dag en nacht.

Op dag 2 schiep hij het hemelgewelf.

Op dag 3 de aarde, de zee, de planten en de bomen.

Op dag 4 de zon, de maan en de sterren.

Op dag 5 de vogels en de vissen.

Op dag 6 kwamen de landdieren en de mens, de laatste naar zijn evenbeeld.

Op dag 7 was de klus geklaard, God voelde zich moe en verklaarde deze dag tot heilige rustdag.

Een mooi verhaal voor wie het wil geloven of de wereld graag simpel ziet voorgesteld.

Op maandag 30 mei liep ik de route van de woninggidsen van het Van Eesteren Museum om mij voor te bereiden op de vrijdag daarop wanneer ik voor de eerste maal het stokje over zou nemen van een ervaren gids om zelf de rondleiding door Amsterdam Slotermeer te gaan doen. 

Ik kwam het scheppingsverhaal op mijn wandeling tegen, prachtig uitgevoerd in mozaïek door kunstenaar Theo Forrer. Het ontvouwt zich stap voor stap in de frontons van zeven portieken van een van de woonblokken in de Dobbebuurt van de jarenvijftigtuinstad.

Het blok is in de stijl van de Bossche School gebouwd en secuur gerenoveerd, met veel respect voor de originele elementen: de stoere lateien boven deuren en ramen, het vol gevulde voegwerk, de vierkant geperforeerde roosters voor de vensters van de bergingen, en dus die mooie portieken – ze doen aan kapelletjes denken.

Het contrasteert sterk met de andere blokken. Daar heeft goedkope renovatiedrift op veel plaatsen vernielzuchtig toegeslagen. Spaarzaamheid maakt vaak meer kapot dan het opbrengt.

Van één van de frontons was ik een foto aan het nemen toen er net een meneer naar buiten kwam. Om hem en ook mijzelf niet in verlegenheid te brengen met een situatie die suggereerde dat hij op de plaat werd vastgelegd, wees ik hem op het mozaïek en vroeg hem of hij wist wat het betekende. Hij vertelde me dat hij wel had begrepen dat dit een bijzondere buurt was vanwege de verschillende monumentale panden. Ook de mozaïeken waren hem opgevallen. Hij vond ze fraai, maar de betekenis ervan kende hij niet.

En zo kwam het dat ik, deze man het verhaal van de schepping uitleggende – zowel van de wereld als van het mozaïek –, mijzelf heel even pastoor en gids voelde tegelijk. Nog even en dan geef ik mij over aan de tweede klus, wist ik intussen.

Standaard