
In de tijd dat ik bezig ben met mijn kleine gedachten in mijn kleine wereld zakt Nederland af naar een bedenkelijk humane staat. Onze bestuurders hebben van wachten een wapen gemaakt om vluchtelingen af te schrikken – wachten, eindeloos wachten, twee tot drie jaar wachten voordat je weet of je in Nederland mag blijven. Maar gevlucht wordt er desalniettemin, ook naar Nederland, en het wachten leidt in de noodopvang in Ter Apel tot afgrijselijke situaties.
Mensen slapen er buiten, delen per zevenhonderd één of twee dixie-toiletten, hebben geen bedden, leven in hun eigen drek, raken depressief, ziek, en een baby sterft. Het zijn taferelen die we voorheen alleen – en het spijt me dat woord te moeten gebruiken – gewend waren van de vluchtelingenkampen aan de randen van Europa. Het was en is vreselijk dat we de mensen daar niet hielpen en helpen, maar nu kiest onze overheid ervoor om vluchtelingen ook binnen de eigen landsgrenzen te laten creperen.
Moet ik mijn land gaan haten? Mijn Nederland, dat ik lang een vriendelijk oord vond vanwege zijn pogingen in een nog vrij recent verleden zijn rijkdom te delen en een tolerante koers van mededogen te varen.
Zelfs om pogen maakt onze overheid zich niet meer druk. Geen denken aan. Het mocht radicaal rechts eens in de kaart spelen, straalt onze premier uit. Hij moest zich eens realiseren hoezeer hijzelf inmiddels naar die hoek is opgeschoven en hoezeer hij ze dáármee in de kaart speelt.
Lees verder
