Leeslengte kort, Verhaal

Klus

Op dag 1 startte God het karwei, hij scheidde licht en donker en schiep zo dag en nacht.

Op dag 2 schiep hij het hemelgewelf.

Op dag 3 de aarde, de zee, de planten en de bomen.

Op dag 4 de zon, de maan en de sterren.

Op dag 5 de vogels en de vissen.

Op dag 6 kwamen de landdieren en de mens, de laatste naar zijn evenbeeld.

Op dag 7 was de klus geklaard, God voelde zich moe en verklaarde deze dag tot heilige rustdag.

Een mooi verhaal voor wie het wil geloven of de wereld graag simpel ziet voorgesteld.

Op maandag 30 mei liep ik de route van de woninggidsen van het Van Eesteren Museum om mij voor te bereiden op de vrijdag daarop wanneer ik voor de eerste maal het stokje over zou nemen van een ervaren gids om zelf de rondleiding door Amsterdam Slotermeer te gaan doen. 

Ik kwam het scheppingsverhaal op mijn wandeling tegen, prachtig uitgevoerd in mozaïek door kunstenaar Theo Forrer. Het ontvouwt zich stap voor stap in de frontons van zeven portieken van een van de woonblokken in de Dobbebuurt van de jarenvijftigtuinstad.

Het blok is in de stijl van de Bossche School gebouwd en secuur gerenoveerd, met veel respect voor de originele elementen: de stoere lateien boven deuren en ramen, het vol gevulde voegwerk, de vierkant geperforeerde roosters voor de vensters van de bergingen, en dus die mooie portieken – ze doen aan kapelletjes denken.

Het contrasteert sterk met de andere blokken. Daar heeft de renovatiedrift op veel plaatsen vernielzuchtig toegeslagen. Spaarzaamheid maakt vaak meer kapot dan het opbrengt.

Van één van de frontons was ik een foto aan het nemen toen er net een meneer naar buiten kwam. Om hem en ook mijzelf niet in verlegenheid te brengen met een situatie die suggereerde dat hij op de plaat werd vastgelegd, wees ik hem op het mozaïek en vroeg hem of hij wist wat het betekende. Hij vertelde me dat hij wel had begrepen dat dit een bijzondere buurt was vanwege de verschillende monumentale panden. Ook de mozaïeken waren hem opgevallen. Hij vond ze fraai, maar de betekenis ervan kende hij niet.

En zo kwam het dat ik, deze man het verhaal van de schepping uitleggende – zowel van de wereld als van het mozaïek –, mijzelf heel even pastoor en gids voelde tegelijk. Nog even en dan geef ik mij over aan de tweede klus, wist ik intussen.

Standaard
Leeslengte kort, Verhaal

Pandjesdief

Twee mannen liggen spartelend op de grond. Een van de twee is groot en gespierd. Hij draagt een sweater met logo-opdruk van een bedrijf. De andere is mager en ziet er sjofel uit. Met alle macht probeert hij los te komen uit de houdgreep waarin hij gevangen zit.

De sterke man ziet wit van woede. ‘Bel de politie!’, briest hij naar omstanders. ‘Ik heb niks gedaan’, kermt de ander.

Het is olie op het vuur. Zijn belager slaat volledig door. Hij haakt zijn rechterarm om de nek van zijn slachtoffer en trekt diens hoofd achterover. Het komt omhoog alsof hij een bal uit een buis perst.

‘Vuile dief!’

De schriele stakker stoot gegorgel uit. Een oude vrouw met hoofddoek en een gekleurde man schieten naar voren uit het opstootje dat zich rond de vechtpartij gevormd heeft. ‘Rustig, rustig,’ manen zij de grote toe, ‘het is een mens, maak geen ongeluk.’

De krachtpatser verslapt zijn greep wat, maar blijft de ander in de klem houden. ‘Hij steelt gereedschap!’, roept hij half tegen zijn slachtoffer, half tegen het publiek. Hij lijkt er niet gerust op dat iedereen voldoende snapt wat er precies aan de hand is, of ze wel zien dat hij in zijn recht staat.

Waar blijven de sirenes, denk ik. Naast mij staat een knul met een mobiel te filmen. Ik vraag hem of hij de politie heeft gebeld. Hij niet alleen, ook anderen, krijg ik te horen.

Het wordt steeds drukker. Wat voeg ik hier toe?

Ik wandel verder, het tafereel latend voor wat het is. Ik orden de verwarring in mijn hoofd. Ik zie opnieuw hoe ik het pandjeshuis passeerde precies op het moment dat pandjesbaas en dief zich ineen geknoopt naar buiten worstelden. Er was stampij en drukte op de stoep, geschreeuw. Mensen schrokken en sprongen opzij.

Dan, plotseling, aan mijn linkerkant, vliegt er iets voorbij. Ik wordt door iets geraakt, ik voel de wind en ik herken een schicht. Waar blijft de andere, de atleet? Ik kijk om. Verderop zie ik hem, gebukt, met zijn handen op zijn knieën, blazend. Hij is te traag, te uitgeput. Hij kijkt een mager lijf na dat hem alsnog tuk heeft. Fluks zigzaggend lost het op in het publiek.

Pas dan hoor ik sirenes. Nog ver weg, te ver. De sloeber heeft het gered.

Standaard
Leeslengte kort, Verhaal

Beschermengel

15 mei. Na het avondeten nog naar AH geweest. Groente en roggebrood voor maandag veiliggesteld. Het was niet veel; op zondag wil ik winkelbezoek zo veel mogelijk vermijden. Ik had het verdeeld over twee tassen aan mijn schouders. Ik zal zwaar bepakt hebben geleken maar droeg lucht.

Het was warm op de terugweg over Tussen Meer. De avondzon scheen me tegemoet, de eerste zwoele avond van het jaar. Op de terrasjes van de winkelstraat klonk opgewonden zomerpraat.

Op de brug over de Hoekenesgracht is de stoep wat smal. Na het water wordt ie breder. Ik loop achter drie gekleurde dames. Twee stevig van postuur, waarvan één met hoofddoek. De derde een hoofd kleiner dan de andere twee. In een uitgelaten stemming wijzen zij links en rechts naar huizen die zij kennen en wisselen woorden over de mensen die er wonen.

Ik zit er te dicht op, te veel in hun sfeer.

Na het water glip ik voorbij met mijn ‘zware’ tassen, richting het zebrapad over de fietsroute die er de stoep kruist, vlak voor het futuristische gebouw op palen waarin onderin de protestantse kerk zich prominent verstopt houdt.

In mijn linker ooghoek zie ik blonde lokken, brede banden en een chopper-zadel. Geluidloos maar snel nadert een stevig Hollands Welvaren op haar e-bike.

Ik besluit dat ik voorrang heb, een levensgevaarlijk idee. Ik stap het zebrapad op, net iets eerder dan de uitgaande dames. Er wordt niet geremd; de blonde duivelin weet zichzelf en mij nog net te redden met een zwabberige zwaai via het trottoir.

‘Hey, het is een zebrapad!’, klinkt het luidkeels achter mij. ik draai me om.

‘Ik was wel voor u opgekomen hoor.’ Het is de kleinste die dit zegt en het klinkt moederlijk. Ik ben een oude man in haar ogen, iemand die bescherming nodig heeft, of minstens hulp.

‘Als ik daar plat en omvergereden had gelegen, had jij dan de ambulance gebeld voor mij?’ Ik heb geen gevat antwoord terug, alleen dit. Niet echt aardig. Toch lacht zij terug.

‘Ze kennen de verkeersregels niet, vooral die elektrische fietsen.’ Op die stelling delibereren we gevieren kort voort. Ik hoor nu bij ze, voor een enkele minuut.

Dan neem ik afscheid. Ik maak een kleine buiging met de hand op mijn hart: ‘Ik ben blij dat ik een paar beschermengelen heb in onze buurt.’

Standaard