Op de lagere school heb ik een keer vreselijk moeten huilen. De aanleiding was nogal dom. Nou ja, dat denk je als je groot bent.
Ik weet niet meer in welke klas het was, ik weet alleen nog dat het bij een juffrouw was, niet bij een meester. Ze had ons verteld dat je in een zin een komma plaatst wanneer er bij het uitspreken even rust gehouden wordt.
Korte tijd later nam ze ons een dictee af. Stukje bij beetje las ze de zinnen voor. En braaf, achter ieder stukje en beetje, plaatste ik een komma.
Ik was er trots op dat ik het zo goed begrepen had en rekende op een acht of een negen. Maar toen we onze blaadjes na het nakijken terugkregen en ik het mijne opensloeg, voelde ik alle bloed uit mijn lichaam zakken.
Intimiderend bellend kwam hij aangereden op zijn rammelende oude fiets. Een lange, magere man, sjofele kleding, doorrookt gezicht en naar schatting drie maal de leeftijd van zijn wankele vervoermiddel – dik in de zeventig.
Hij maakte het ons heel duidelijk: dit was dan wel het voetpad, hij had er fietsend voorrang. Kennelijk bevonden wij ons op zijn domein en dat verleende hem bijzondere rechten. We sprongen dus opzij.
Ik was op stap met een groepje van vijf dames in mijn rol van gids voor het Van Eesteren Museum. Hier op de stoep van de Louis Couperusstraat in Slotermeer, met onze gezichten naar de duplexwoningen – in de jaren vijftig gebouwd door de architecten Tuijnman en Snellebrand – was ik mijn tourdeelneemsters aan het vertellen over de speciale kenmerken van die gestapelde woningen.
In bredere zin was ik ze in deze rondleiding aan het voorlichten over de opbouwperiode van na de Tweede Wereldoorlog, en over de ideeën en plannen waaruit de wijk Slotermeer in die periode was ontstaan als onderdeel van de Westelijke Tuinsteden in Amsterdam, het gebied dat nu meer bekend is onder de naam Nieuw-West.
In onze rug, schuin de straat over, had ik de H-school van architect Jan Leupen al in de peiling. In dezelfde tijd gebouwd, gedoopt Burgemeester Rendorpschool en toen bestemd voor het lagere onderwijs in de wijk. Tegenwoordig is het een gemeentelijk monument en in gebruik als een speciale school. Het zou zometeen aan bod komen.
Maar nu werd ik gestoord in mijn verhaal en het was onprettig. De oude man was boos, hij stelde zich vijandig op. Wat waren wij hier, in wat zijn buurt was, aan het kletsen? Waren wij een groepje ambtenaren die weer iets buiten de bewoners om waren aan het bedisselen?
Zo zag het er wel uit naar zijn oordeel, dat hij dan ook prompt uitsprak – en ook de door hemzelf opgeroepen spanning wat doorbrak, want het veroorzaakte gelach. Een hilariteit die hem stoorde, want hij begon zich met ons gesprek te bemoeien.
Ik maande dus de dames om niet te blijven staan, maar onze weg te vervolgen. Dat deden ze, aarzelend. Twee achterblijvers waagden het nog met de man in discussie te gaan. Op boze toon blies hij hen toe dat ze goed moesten beseffen dat het hier om revolutiebouw ging. Toen volgden ook zij. Gekheid om hem makend, gaven ze op.
In mijn ooghoek zag ik nog net dat de oude man een van de duplexwoningen binnenging. Hij woonde er, vermoedde ik, en misschien al wel decennialang. Misschien had hij er kinderen grootgebracht. Misschien had hij er een fijn leven geleid. Misschien was hij geworteld hier, op deze plek in de wijk.
Dan begreep ik hem. Want het mochten dan wel eenvoudige revolutiehuizen zijn, hetgeen dat ik het zijne vermoedde wordt hoogstwaarschijnlijk afgebroken. Dat was mij bekend. Dit stuk van de wijk valt de komende jaren ten prooi aan grootschalige stedelijke vernieuwing. De achterhaalde opbouwbuurt moeten eraan geloven.
Het is pijnlijk wanneer wortels worden doorgesneden. De boze bemoeienis van de oude man met onze tour wordt wat mij betreft dan ook met terugwerkende kracht in een mild bed van compassie opgevangen.
Zondag 4 mei 2025, Dodenherdenking. Ik was erbij, op de Amsterdamse Stille Tocht en de herdenking erna op de Dam. Andere jaren startte de tocht voor het stadhuis, maar daar werd verbouwd. Het vertrekpunt was daarom verlegd naar een plek op het Museumplein ter hoogte van het Zigeunermonument Hel en Vuur.
Er was een podium geplaatst dat was overspannen met een groot baldakijn. Burgemeester Femke Halsema hield er haar openingstoespraak. Ze sprak over onrecht en geweld in de wereld, en dat wij toekijken zonder dat het stopt. Ze sprak over rechteloosheid, over landen waar mensen worden opgepakt en opgesloten zonder enige vorm van rechtspraak.
Ik keek naar het baldakijn en probeerde haar te ontdekken. Zij is klein. Ik ben klein. Ik kon haar niet echt zien tussen alle hoofden door.
Mijn ogen gleden weg, over het baldakijn naar boven. Daarachter torenden twee zwaar beveiligde kantoorvilla’s omhoog. Ik zag ook twee vlaggen: de Turkse en de Amerikaanse.
Hier, achter dat podium met baldakijn, bevonden zich de consulaten van Turkije en de Verenigde Staten. Ze werden even gekneveld door Halsema’s woorden – de consulaten van twee landen waarvan de huidige leiders, Erdogan en Trump, zeer actief de rechteloosheid belijden waar die woorden zich tegen keerden.
De Bossche binnenstad is monumentaal. Eronderdoor, overkoepeld door gemetselde gewelven, stroomt de Binnendieze: een riviertje, kronkelend in het ondergrondse donker, zich wringend door een nat, met algen begroeid bakstenen gangenstelsel. Eigenlijk is het een weefsel van meerdere watertjes. In oude tijden werden die beetje voor beetje overkluisd om uiteindelijk als een door de natuur gegeven riool voor de stad te dienen.
Nog in de eerste naoorlogse decennia was de Binnendieze berucht om zijn stank, zijn vuiligheid en zijn ratten. En boven de indringende geur van het water, achter de antieke stadswallen, wankelden, grauw en onderkomen, de eeuwenoude Bossche panden. Er stonden heel wat verkrotte exemplaren tussen. Niet zelden was bewonen bij gemeentelijke verordening verboden.
‘Onbewoonbaar verklaarde woning’ stond er dan op een bordje boven de voordeur; de kozijnen waren verrot, de kleine antieke ramen ingegooid, de muren gescheurd en de daken bezaaid met verweesde plekken waar de pannen ontbraken. Nat, muf, koud en tochtig moet het er binnen zijn geweest. En toch werd er nog geleefd, want ergens in zo’n pand woonde Janus Kiepoog.
Toen ik op een voorjaarsdag in een ander voorjaar met een groepje Amsterdamse buurtbeheerders door stadsdeel West fietste en we bij een ‘verborgen’ stukje wijk stilhielden omdat het daar zo mooi is, vertelde één van de deelnemers dat het ondanks dat het mooi is, hem ook kopzorgen opleverde: mensen konden nogal mopperen over het kabaal van spelende kinderen, er waren problemen met huisvuil en ratten, en de appartementen uit de jaren veertig waren niet altijd even comfortabel en warm.
En zo raakten we in gesprek over entropie …
Stel je een glas water voor, helder en klaar. En giet in dat glas een scheutje limonadesiroop. Er ontstaan borrelende, wilde wolkjes, van dieprood tot lichtrood gekleurd en van ontelbare vormen. Het zijn vormen die aan een stuk door veranderen en een eigen wil lijken te hebben.
Als we dat glas vervolgens laten staan zonder erin te roeren, gaat de wolkenvorming en het borrelen nog een tijdlang door; het duurt minuten voordat het rood zich met het water heeft vermengd en tot een egaal roze drank is getransformeerd. Pas op het moment dat die staat is bereikt, worden we geacht ervan te drinken.
In het glas is niets van leven meer waar te nemen; alle rusteloze rode clusters zijn verdwenen. Er is orde, zou je zeggen, maar dat is een misvatting.
In feite is er sprake van volledige chaos. Alles loopt namelijk volmaakt door elkaar. Er is geen rubricering, structuur of volgorde in te ontdekken. Hier is sprake van een hoge mate van entropie.
Materie streeft naar een steeds hogere entropie. Hoewel dat wat wij leven noemen uit materie is opgebouwd, huist in leven een tegengestelde drang: het wil zich juist niet vermengen met de omgeving.
Het verzet zich daartegen omdat dat de weg naar het eindpunt van het leven zelf is – het uiteenvallen ervan, het ophouden te bestaan.
Leven wil niet opgelost raken. Het wil zich blijven roeren, als roodgloeiende, opgewonden wolken.
De spelende kinderen, de mensen die klagen over tocht in hun woning, de ratten die ook een plekje opeisen in de buurt, het is allemaal leven dat zich roert. Het zijn spanningsvelden die reuring in het rood veroorzaken.
Het is natuurlijk zaak al dat gedoe zo goed mogelijk te begeleiden, zodat het leven in de wijk goed geleefd kan worden, zodat – met andere woorden – het verzet succesvol is.
Kijk, en nu zien de problemen van de buurtbeheerder er ineens heel anders uit. Want wat blijkt? De buurtbeheerder voegt zichzelf in het verzet – vervult geen andere rol dan deel van het leven in de wijk te zijn.
Als je vanaf een afstandje kijkt naar deze wijk, deze plek in de wijk, en dat daarbij in gedachten houdt, dan zie je pas echt hoe mooi zij is.
Niet perfect. Oké en gelukkig maar, want dat zou dus het eindpunt zijn: alles in volmaakte chaos tot één amorfe massa vermengd, waarin geen kabaal makend kind, geen mopperende buurtbewoner meer te bespeuren is.
Nee, dit is de plek waar buurtbeheerder en bewoners samenwerken aan het instandhouden van het leven. Zélfs de ratten horen daarbij.
En dit is het paradijselijke resultaat!
Maar … het is altijd een tussenresultaat, het is altijd tijdelijk, het is altijd in spanning. Het is altijd aan het veranderen. Want uiteindelijk is de tocht naar de hoogste mate van entropie – waartegen het leven zich verzet – niet te stoppen. Dat is een universele wet.