Dichtwerk, Leeslengte kort

Partnerruil

Havermout bij het doorzonraam,
dáár staat de ronde tafel.

Over het hout scheren stralen,
geel en ijl staan beneden iepen.

Vier nijlganzen kruisen –
wisselen partners.

Van twee nieuwe paren
vliegt elk een kant uit
het vierkant.

Een druppel pap morst
op de Ulmus-nerf
alles tot normaal.

Standaard
Column, Leeslengte kort, Verhaal

Leugens

Wanneer je ongevraagd over iemand schrijft die geen publieke figuur is, is het goed gebruik dat je die persoon onherkenbaar maakt. Als ik schrijf over een magere oude man die ik ontmoet heb in het winkelcentrum, zou het dus in werkelijkheid een gezette jonge vrouw in het park kunnen zijn geweest. Mijn verdraaiing van de waarheid beschermt hem.

Schrijven is voortdurend liegen, wetend dat dat nobel is.

Legitiem liegen is een prachtig voorrecht. Het is bevrijdend. Je kunt alles van iedereen spuien. Ik geniet het meest van dit voorrecht wanneer ik iemand bekritiseer wiens woorden mij niet aanstonden. Dat is pas wraak.

Gezet wordt mager, jong wordt oud, vrouw wordt man. Om te voorkomen dat je nu denkt te weten hoe je mijn personages naar hun oorsprong kunt herleiden, vertel ik erbij dat het morfen in werkelijkheid veel subtieler verloopt dan in het voorbeeld, en zich zelfs uitstrekt over de situatie of uitspraak die beschreven wordt. Je hebt dus niets aan deze kennis.

Je kunt nooit vertrouwen op wat je leest.

Lees verder
Standaard
Dichtwerk, Leeslengte kort

Ondergang

Een ruisende percussie van confetti
dwarrelt op stoepen
in alle tinten geel en goud.
Laag licht strooit stralen uit het blauw
door het hoge net van takken
tot trillend mozaïek in straten.

Onder de kanten spitsbogen
van haar kathedraal
waarin licht en vorm maximaal verstrengelt,
danst de natuur ten onder
op de xylofone klanken van een knokendans.

Kraaien krassen,
gierig plukkende genodigden.
Tiptappend op de betonnen tegels
voeren zij hun foxtrot op.

Zwart glanzend in het helle licht
pikken zij de laatste restjes
uit de schedel van de zomer,
nu een beker van bederf
op dit satansbal.

Op dit uur
slaat de herfst
uit een gouden kelk
het leven achterover
in een liturgie
waarop de dood
in duizend kleuren schijnt,

voor de storm het te pakken krijgt,
voor de zwarte luchten uit,
voor de kraaien winters walsen in het zwerk,

voor het weer het graf uit groeit.

Standaard
Dichtwerk, Leeslengte kort

Van korte duur

Het was de flard plastic in het hoge riet,
al deels verzwolgen,
die mij de macht van de natuur verried.

’s Mens blikveld van een korte horizon,
hoe slim we menen dat we zijn,
houdt ons, voor hoe het echt zit, dom.

Denkend dat wij erboven staan
en de natuur eronder hebben,
de clou volgt lang na ons vergaan.

Geordend uit wat chaos lijkt,
zou kunst door ons verzonnen zijn,
maar ga er maar van uit dat later blijkt:

het is niet dat iets de boel vervuilt
omdat het komt uit mensenhanden –
evenzogoed wordt het tot stof vergruisd;
het is dat ook die flard uit de natuur verrijst,
als wij deel is van de kringloop,
terwijl ons niet gegund is eenzelfde lange levensreis.

Standaard
Gedachte, Leeslengte kort

Aristotelisch inzicht

Het hele klimaatgevecht staat me tegen, zoals vechten me altijd tegen heeft gestaan. Ik ben het altijd uit de weg gegaan. Als het maar enigszins kon.

Niet altijd bleek dat mogelijk. Soms word je gevechten ingetrokken en kun je je niet lafhartig opstellen. 

Ik heb ze ook weleens gewonnen, die ongewilde gevechten. Gaven die overwinningen voldoening? Allerminst. De knokpartijen waren vaak langdurig – maanden, soms jaren. Ze zweefden als donkere wolken boven mijn hoofd en er was geen wind die ze wegblies. Ik nam ze met me mee en was me steeds bewust van de schaduwen die ze wierpen op de grond  rondom mij, over het pad dat ik liep.

Maar het waren gevechten met mensen. Als individuen, als organisaties. Dat maakte ze uiteindelijk wel hanteerbaar.

Bij het klimaatgevecht is dat anders. Dat is een strijd van een hogere orde, tegen een macht die mensen ontstijgt. Het is een strijd tegen onze dierlijkheid, tegen onze natuur. Een strijd, zo zou je kunnen zeggen, tegen onze oorspronkelijkheid.

Winnen is alleen maar mogelijk als we die oorspronkelijkheid weten af te werpen. Dat zou ons tot de rationele wezens kunnen maken die we willen zijn – de wezens zoals we onszelf graag zien en waar we ons onterecht regelmatig op beroepen.

Bewuste planning, bewuste logica, bewuste samenwerking zou ons kunnen redden; het zou ons volkomen onzelfzuchtig maken en ons handelen loskoppelen van door het gevoel ingegeven impulsen.

Dat gaat allemaal niet gebeuren, onbewuste creaturen als we zijn. Oorspronkelijkheid is niet te verloochenen; zij zit in ons, zij is onze ziel, datgene wat onze vorm bepaalt.

Het gevecht dat we moeten winnen is zogezegd een gevecht tegen onszelf. Bij voorbaat hebben we dat gevecht daarom verloren.

Standaard