Leeslengte kort, Verhaal

Nog even

De iepen hebben nog twee verdiepingen te gaan. Nu al strekken hun toppen zich reikhalzend uit naar de onderrand van het balkon. Dat was zes jaar geleden nog anders, toen wij hier kwamen wonen.

Alles groeit in de natuur. Alles woekert over alles heen als het de kans krijgt. Beneden, in die toppen daar, zie ik vier parkieten spelen. Invasieven als ze zijn, verdringen zij inheemse vogelsoorten. In zes jaar tijd heb ik hun populatie hier flink zien toenemen.

Ze zijn groener dan het felste groen van het lichtgevende, jonge iepenzaad. Vol verwachting kijken de vogels naar de lekkernij in wording, vol verwachting van het volgroeid raken.

Het is onmogelijk om er nog vanaf te blijven. Het verlangen is te groot en de frustratie valt in onrijpe trosjes, kapot gebeten door kleine rode snavels, naar beneden. Tussen de voorjaarsnarcissen die daar staan te bloeien.

Heb geduld, wil ik ze zeggen, het zuur wordt automatisch zoet. Nog even.

Standaard
Leeslengte kort, Verhaal

Zachte letters

Gisteren vond ik iemand terug van vroeger in mijn leven: juffrouw Verhappen, onderwijzeres op de Sint Lucasschool in ’s-Hertogenbosch, mijn juf van de eerste klas.

Ze zat gevangen in de nalatenschap van mijn oudste zus en heeft er zeven jaar over gedaan om van daaruit terug te belanden bij mij. Ze kwam tevoorschijn uit een stapel boeken die ik via kronkelige wegen in handen kreeg. Allemaal eigendom geweest van die zus, dat wist ik zeker.

Totdat ik gisteren dat ene, kleine exemplaar oppakte; nog geen A6, ouderwets gebonden, voorzien van een kersenrode harde kaft met een leerstructuur. In gouden diepdrukletters staat erop: Mijn mooiste boekje. Het is een beetje gesmoezeld door de tand des tijds, het geurt een beetje naar oud papier.

Ik blader erdoorheen en wordt getroffen door een schok. In een flits schiet mijn naam voorbij.

Ik ga terug naar die plek waar het geweest moet zijn. Er kleeft een kaartje tussen de pagina’s vijftig en eenenvijftig. En op dat kaartje lees ik in een zacht, rond handschrift, in blokletters:

stan,

hartelijk
gefeliciteerd
met
je
eerste
heilige
communie.

juffrouw
verhappen.

Precies zo, mét interpunctie, zónder hoofdletters – zover waren we kennelijk gekomen. Mijn eerste echte grote-schooljuf tot leven gewekt.

Ik heb het boekje niet eens gemist. Ik heb van het bestaan niet meer geweten.

Het is een raadselachtig wonder dat het via zo’n vreemde, grote omweg door tijd en ruimte weer op zijn thuisplek is aangeland. Ik ga daar niet te diep over zitten denken. Het toeval speelt zijn spel met alle dingen en met iedereen. Dat is alles.

Het toeval speelt zijn spel, ook met mijn emoties. Breekbare herinneringen flakkeren op bij dat zachte, ronde handschrift. Een speelkwartier, houten lessenaartjes, stoffig bordkrijt, glanzend linoleum, een zonnig klaslokaal. Heel vaag komt er een gezicht door. In dat decor, een jonge vrouw, een donkerblonde paardenstaart, een licht gelaat, fijne trekken. Slechts heel vaag, het kan bedrog zijn.

Onmiskenbaar echter een liefdevol gezicht. Dat bewijzen ook de letters, zo zorgvuldig en met toewijding als die geschreven zijn. Deze juf koesterde haar kinderen.

Iemand schrijft een kaartje, met jonge, slanke vrouwenhanden. Ik ben het kind voor wie die boodschap is. Een intieme band wordt hier bezegeld. Zo voel ik dat.

Zo veel jaren later komt die band haast metafysisch binnen. Haar vingers hebben het papier geraakt, bewust voor mij, zeer persoonlijk. Die vingers ontmoet ik weer. Niet als zesjarige, mijn vingertoppen zijn inmiddels vierenzestig. Toch ik kan daarmee die van haar raken, bijna zestig jaar terug in de tijd, die van die jonge toegewijde vrouw, via dat kaartje.

Het zegel is al die jaren nooit kapot gegaan. De warmte is nog voelbaar. De zachte, ronde letters spreken nog speciaal tot mij.

Standaard
Leeslengte kort, Verhaal

Friese staartklok

Ik zit op een bankje op de winderige kale dijk. In mijn rug voel ik het kille appeltjesgroen van de Noord-Hollandse polder. Verder weg, weet ik, lost het op in het silhouet van de werktorens en woonflats van zuidelijk Amsterdam.

Mijn fiets staat naast me in het gras. Zometeen zak ik het Amsterdam-Rijnkanaal een stukje af. Tegendraads, want ik ben vlakbij het eindpunt van het kunstwerk, daar waar het aansluit op het IJ. Het uitgegraven water buigt hier traag, breed en groots het vlakke land uit.

Ik vraag me af waar al dat zand gebleven is en ik verwonder me over de kolossale ijzeren waterwezens die voorbij komen: duwschuiten met vrachtbakken, aan elkaar vastgekleefd alsof ze zoenen; dikbuikige tankers gehuld in een vlechtwerk van buizen en meters; platte containeraken die reusachtige, op elkaar geklikte legostenen dragen.

Ik meen zeker te weten dat ze alleen hier hun heen- en weergang maken, op dit stukje van de wereld, tussen het IJ en de Waal. Opgesloten door hun omvang, tot elkaar verdoemd, vastgehaakt aan een immense ketting die rondgaat over de bodem en die het zand daar tot rusteloze wolken omhoog roert. De stoet sleept zich voort, steeds weer dezelfde kielen zweven door bruine wolken van steeds weer hetzelfde zand, tot het einde toe.

Een wapperende zuurstokroze trainingsbroek, die schuifelend joggend stroomafwaarts het asfaltpad volgt, maakt een einde aan mijn fantasieën. Erin gestoken is een ronde man van middelbare leeftijd. Boven een volle baard bungelt een gebreide puntmuts tot ver voorbij zijn schouders; ze vloekt met de aard van de tegenwoordige Hollandse winter. Tussen baard en muts zie ik een montuur dat me doet denken aan prins Bernhard jr.

Een pompon zo groot als een tennisbal slingert dan weer bij een linker- en dan weer bij een rechterarm tevoorschijn. Als een traag tikkende Friese staartklok komt de man dichterbij.

Ter hoogte van het bankje gekomen, knipperen zijn ogen me door de vierkante vensters toe. Een stille groet. De aanblik is zo olijk, zo’n provocatie van Santa Claus, dat ik die opvat als een aanmoediging voor iets meer tegengroet dan de gebruikelijke hand omhoog.

‘Hoeveel kilometer nog?’

Hij maakt pas op de plaats, buigt voorover en hijgt uit.

’Och, zoveel het lijf toelaat. Gisteren iets te veel genoten. Daar zet je dan wat tegenover. U snapt het wel.’

Of ik het snap laat ik gaan. Wel vertel ik hem van mijn ontzag voor de enormiteit van het kanaal en de voorbij glijdende schepen.

Hij recht zijn rug, blikt opzij en het water langs, knikt en zegt: ’Dit is het drukste kanaal van de wereld. Steeds van die joekels. Ik weet niet hoeveel per dag!’

Uit de plooien van zijn broek diept hij een flacon op. Hij neemt een flinke slok, waarna de fles terug verdwijnt in het roze textiel. Dan richt hij zijn blik weer vooruit, licht bij wijze van afscheid een hand een stukje op en hervat zijn boetedoening.

Ik sta op voor mijn rit de andere kant op en kijk hem na. Links … rechts, links … rechts, links … rechts tikt de pompon hem voort.

Standaard
Column, Leeslengte kort, Verhaal

Leugens

Wanneer je ongevraagd over iemand schrijft die geen publieke figuur is, is het goed gebruik dat je die persoon onherkenbaar maakt. Als ik schrijf over een magere oude man die ik ontmoet heb in het winkelcentrum, zou het dus in werkelijkheid een gezette jonge vrouw in het park kunnen zijn geweest. Mijn verdraaiing van de waarheid beschermt hem.

Schrijven is voortdurend liegen, wetend dat dat nobel is.

Legitiem liegen is een prachtig voorrecht. Het is bevrijdend. Je kunt alles van iedereen spuien. Ik geniet het meest van dit voorrecht wanneer ik iemand bekritiseer wiens woorden mij niet aanstonden. Dat is pas wraak.

Gezet wordt mager, jong wordt oud, vrouw wordt man. Om te voorkomen dat je nu denkt te weten hoe je mijn personages naar hun oorsprong kunt herleiden, vertel ik erbij dat het morfen in werkelijkheid veel subtieler verloopt dan in het voorbeeld, en zich zelfs uitstrekt over de situatie of uitspraak die beschreven wordt. Je hebt dus niets aan deze kennis.

Je kunt nooit vertrouwen op wat je leest.

Lees verder
Standaard
Leeslengte kort, Verhaal

Dichtgetimmerd

Ik voel de trilling, tegelijkertijd galmt de klap. Klaarwakker ben ik, met mijn ogen nog dicht, rechtstreeks vanuit een diepe slaap.

Een fractie van een moment is het doodstil, een vacuüm, de dampkring die zijn adem inhoudt. Dan barst het gekrijs los. Duizenden vogels, totale paniek. Meeuwen, meerkoeten, ganzen, kraaien, alles wat zich luidkeels kan laten horen doet dat. Het is de doodsangst voor een verschijnsel dat onaards is.

Ik open mijn ogen richting de groene lichtcijfers van de wekker. Het is net na vijven.

Een tweede klap, weer die luchtverplaatsing. Via de betonconstructie, via de poten van het bed, langs de bedspiraal, door de matras heen baant zij zich een weg naar mij toe – naar binnen, naar mijn ingewanden. Ruiten trillen in hun sponningen.

Lees verder
Standaard