Ik zal voortaan met andere ogen naar Oopjen kijken. Zij is een van de grote juwelen uit de schatkamer van onze gouden eeuw. Samen met Marten Soolmans, haar man, werd zij begin 2016 voor 160 miljoen euro gekocht van de familie De Rothschild. Zij maken deel uit van ons culturele erfgoed en horen dus gemeenschapsbezit te zijn. De aankoop was een project van ons Rijks en het Franse Louvre, waar Oopjen en Marten sindsdien om en om elkaar gezelschap houden.
Op dit moment hangt het koppel Soolmans in het Rijks, als onderdeel van de tentoonstelling Slavernij. Met negen andere namen vertelt het stel het verhaal van het Nederlandse slavernijverleden.
Op vrijdag 9 juli ben ik daar.
Ik maak onder andere kennis met Joã, die rond september 1646 wist te ontsnappen aan zijn Portugese slavenhouder in Brazilië. Hij ontkwam naar Nederlands grondgebied. Daar werd hij uitgebreid ondervraagd. Joã zelf boeide de Nederlanders niet bijzonder. Uit het verhoorverslag blijkt dat ze vooral geïnteresseerd waren in strategische informatie over hun Portugese handelsconcurrenten. Daar wist Joã het nodige over te vertellen.
Ik leer de tegenstrijdige geschiedenis kennen van Dirk, de abolitionist, zoon van een rijke VOC-regent in Zuid-Oost Azië. Dirk verzette zich op Java tegen de slavernij. Hij werd vervolgd en vluchtte in 1798 naar de Republiek. Zijn vrouw moest hij achterlaten. Zij stierf op Java in 1801. Rond 1820 duikt Dirk weer op in Brazilië waar hij een koffie- en sinaasappelplantage heeft. Uit zijn kasboeken blijkt dat hij er gebruik maakt van slaven. Want, had hij ontdekt, vrijgemaakten ‘gingen lopen’; ze waren hem niet dankbaar genoeg.
Ook ontmoet ik op de tentoonstelling de dappere Lohkay van Sint Maarten. Ze had het gewaagd de plantage waar ze moest werken te ontvluchten. Ze werd gepakt; voor straf sneed de slavenhouder haar een borst af. Lohkay liet zich niet ontmoedigen en ontsnapte opnieuw. Ze vluchtte de heuvels in, waar ze in haar eentje wist te overleven en een icoon van verzet werd.
Lees verder