Dichtwerk, Leeslengte kort, Verhaal

Lente!

Het is een dag van kleine klussen, zo’n dag waarvan je hoopt dat ie maar snel gedaan is, de klussen snel geklaard zijn.

Maar dat is een vergissing.

De thee die ik nu drink, op deze dag, smaakt fris zoet groen, en naar jasmijn en voorjaar.

Ik heb net op het balkon de was gehangen. Ik hoorde de slag van vinken, en de bescheiden tjilp van pimpelmezen. En ver weg de prachtzang van een merel. En natuurlijk het gekoer van duiven.

De tweede nieuwsblog van zus en zwager is gekomen – sinds de start van hun gewaagde voettocht naar het einde van de wereld. Die spat uiteen van lentelust.

Ze schrijven over groen dat almaar groener wordt, het fluitenkruid en koolzaad dat overal uitbundig bloeit, dat links en rechts hun pad versiert. Samen met de paardebloem, de vlier en de hoge pluimen van het gras lijkt me dat een erehaag om doorheen te wandelen.

Al lezend denk ik ook aan hier. De ganzen en de eenden, de meerkoeten en waterhoenen, de zwanen. Allemaal heb ik ze al gezien met donzig nageslacht in de Amsterdamse wateren. Levenslustig spartelend, spelend – of statig pedant peddelend. In het Vondelpark moet het ooievaarspaar ook jongen hebben. Het leeft helaas te hoog op stand voor mij als mens om dat te kunnen nagaan.

Zelfs een dag van kleine klussen laat zich groot genieten. Het is lente, eindelijk voorjaar!

Laat vandaag maar duren. Ik schenk heet helder water klaterend in een glas voor nog een keer jasmijnthee.

Standaard
Leeslengte kort, Verhaal

Prikken zonder afspraak

‘Au!’, roept de jonge vrouw die voor mij is, en meteen daarna klinkt uit het hokje: ‘Sorry, het was de schrik.’

Priklocatie GGD, Amsterdam Nieuw-West, vrijdag na Pasen drie uur ’s middags. Ik ben aan de beurt. Mouw omhoog, prik, pleister erop, en het is gedaan.

‘Welke was het deze keer?’

‘Pfizer’, antwoordt de arts.

Heel druk is het niet. Hij neemt tijd voor een korte uitleg over de verschillende vaccins voordat hij mij vriendelijk doorloodst naar de wachtruimte: ‘Even een kwartiertje zitten, kijken of u zich goed voelt.’

Een beetje rommelig opgesteld staan daar twee groepen stoeltjes, rood en geel. Ik neem op een gele plaats. Schuin naast mij zit een Chinees uitziend oud vrouwtje, recht voor haar een rollator binnen handbereik. In het mandje daarvan ligt een roze tas. Ze pelt ietwat bibberig maar behoedzaam een banaan half af en neemt een hap.

‘Wat een vrolijke stoeltjes’, merk ik op.

‘Geel nog vanwege Pasen’, zegt ze, en ze grinnikt.

Ik grinnik mee om haar gevatheid. Ze oogt als een eigengereid mensje, oud genoeg om zich door helemaal niets meer van de wijs te laten brengen. Ze draagt een vuurrode broek, een vuurrood fleece jasje en een vuurrode baseballpet. Lekker tegendraads is ze in de gele groep gaan zitten. Onder de pet komt een spierwitte dunne vlecht tevoorschijn.

We raken in gesprek. Ze is 82, studeerde toen ze jong was geneeskunde in China, kwam naar Nederland en kreeg hier een dochter. Ik hoor het allemaal aan in telegramstijl; de Nederlandse taal vindt ze na al die jaren nog steeds moeilijk.

Opeens wijst ze op haar linkeroog.

‘Staar. Operatie was vier weken, volgende week controle.’

Ik vertel haar hoe toevallig dat is, want voor mij geldt precies hetzelfde. Of ze blij is dat ze dat nog heeft laten doen op zo’n hoge leeftijd.

‘Heel blij, alles nu weer scherp. Dochter was tegen. Te gevaarlijk. Ik weet beter, vroeger oogoperatie heel gevoelig, tegenwoordig heel goed.’

‘Eén ding jammer,’ zegt ze, ‘kan pas over paar weken nieuwe bril.’

Dan laat ik haar mijn budget-leesbril zien en vertel dat dít toch wel kan alvast, voor de kleine lettertjes …

Weer die grinnik. Haar wijsvinger gaat omhoog en zwaait vermanend: ‘Nee, nee!’

De banaan, waar na die ene hap niet meer in is gebeten, wordt zorgvuldig op het plankje van de rollator gelegd, het vruchtvlees netjes op een flapje van de schil. Ze buigt zich eroverheen, naar de roze tas in het mandje en begint daarin te rommelen.

En dan opeens: ‘Aha!’

Triomfantelijk tovert ze een enorme loep de lucht in. We moeten er allebei vreselijk om lachen.

Mijn kwartier is om, het hare vast al veel langer. Ik neem afscheid: ‘Het was ontzettend leuk u te ontmoeten. Doet u de groeten aan uw dochter?’ Dat zal ze zeker. We bedanken elkaar voor ons praatje op prikken zonder afspraak en gaan zonder handen schudden uit elkaar.

Standaard
Leeslengte kort, Verhaal

Feestje

Ik ben bij vrienden M en E, in een huis dat ik niet ken, bij anderen die ik niet ken. A was er ook, maar is al vertrokken. Het is druk, er heerst een uitgelaten sfeer. Het huis is Belgisch ingedeeld; het is een wirwar van doorloopjes, gangen en kamers. Bruin en oker overheersen.

Ik neem plaats aan een L-vormige tafel, aan de korte poot van de letter. Daar staan verrukkelijke gebakssoorten uitgestald. Zandtaart, zachte speculaas gevuld met amandelspijs, boterkoek en appelpunten. Ik ben geen liefhebber van gebak, behalve als het om deze versies gaat. Zelfgebakken. E is een ster hierin, en kent mij.

De tafel is te hoog, de stoel te laag, of ik ben te klein – het blad ligt op mijn ooghoogte, ik kan er net bovenuit zien. Mijn hand moet ver grijpen en zijn best doen om iets van het lekkers te bemachtigen. Dat lukt.

Ik heb een stukje appeltaart te pakken. Als ik goed kijk moet ik concluderen: appelcake. Een fragment appel, scherp dwars doorgesneden, glinsterend van het vocht en met een fijn bruin kaneelrandje, zit ingepakt als een fossiel in het brokje tere, versgebakken deeg. Het verdwijnt in mijn mond.

Hoe lastig ik er ook bij kan, ik laad gulzig mijn bord vol. Er is niemand die daar aanstoot aan neemt, niemand die zich stoort aan mijn gedrag. Al die vreemdelingen zijn geanimeerd met elkaar in gesprek. Rond mijn bord ontstaat een braspartij.

Nu komen de gedachten die mij willen remmen. Wordt het niet wat bovenmaats voor je? Eet je jezelf niet misselijk? Pas je wel op dat je niet te veel naar binnen propt? Hoe zou dat overkomen als het weer naar buiten komt?

Ik moet me matigen, ik mag me hier niet ongans gaan zitten eten.

Het zal niet gebeuren. Op tijd word ik wakker.

Nederland kleurt oranje in de Buienradar. Buiten hangt – niet meer zo massaal als vroeger maar nog steeds hier en daar – het rood-wit-blauw met een oranje wimpel hoog in stok. Er is een feestje gaande, het is Koningsdag.

Standaard
Column, Leeslengte kort, Verhaal

Wat wordt ons verhaal?

Regelmatig valt het me moeilijk te geloven dat we ooit leren de aarde duurzaam te delen. Op die momenten voelt mijn bestaan als dat van een Don Quichot, de Spaanse edelman uit de boeken van Cervantes van 1605 en 1615, die in het post-riddertijdperk zoveel ridderromans had gelezen dat zijn brein erdoor verschrompeld was.

Don Quichot meende een opdracht in al die verhalen herkend te hebben: een roep om de herrijzenis van het ridderschap, ter ondersteuning van de zwakken, het herstel van de vervagende deugdzaamheid en het verslaan van het voortdurend de kop opstekende onrecht.

Die roep – zo wist hij – was persoonlijk aan hem gericht. Dus Don Quichot hees zichzelf in het verweerde harnas van zijn voorvaderen, haalde de wetsteen langs een roestig zwaard, duikelde een antieke lans op, zadelde zijn schonkige rossinant en trok eropuit. We weten allemaal hoe dat resulteerde in een eerder lachwekkend dan heldhaftig ridderschap. Don Quichot was een goedbedoelende zot die zich stortte in een dolende en hopeloze strijd.

Misschien moet ook ik wat minder verhalen lezen.

Zoals dat van Philipp Blom in Het grote wereldtoneel:

Wat heb je aan de eeuwige profeten van de vooruitgang die met statistieken wapperen over de laagste kindersterfte ooit, de hoogste levensverwachting, zo weinig armoede en oorlog was er nog nooit, als die mooie dikke tak die ons zo’n fantastische zetel biedt intussen door onszelf wordt afgezaagd.

Of dat van Bruno Latour in Oog in oog met Gaia:

We kunnen niet meer onverschillig naar wolken kijken. We weten dat het voortaan deels aan ons ligt dat ze er zijn en dat het regent of de zon schijnt.

In 1492 werd het motto: verover de wereld! De ruimte werd groter en groter, we kregen steeds meer aarde. Sindsdien is het motto niet veranderd. Maar nu vernauwt de ruimte zich, de aarde krimpt en dreigt met opraken.

Het oude verhaal houdt geen rekening met onafwendbaar onheil. Het is zaak dat we daar iets op verzinnen, want de schade die op ons afkomt is rampzalig. Zij zal ons mentaal laten wankelen. We hebben een nieuwe definitie van toekomst nodig, willen we onszelf redden van de naderende volksdepressie. (Dus je kunt wel menen dat je genoeg gelezen hebt, je zult niet aan een volgend verhaal kunnen ontkomen.)

De noodzaak van een nieuwe toekomstdefinitie geldt overigens meer voor ons dan voor de beklagenswaardige mensenkinderen die over tien jaar geboren worden, in die toekomst. Zij worden ‘gered’ door het shifting baseline syndrome; zij zullen niet beter weten dan dat de aarde vijandig is, vol rampspoed en orkanen, zij zullen de natuur niet anders kennen dan in een verarmde staat. Zij zullen geen kolonisators zijn, geen kapitalisten, geen materialisten – hun lotsbestemming, door ons in gang gezet, schrijft ze iets anders voor. Wat zal hun verhaal zijn?

Don Quichots dolende ridderschap eindigde in een zesdaagse koorts, waarin hij van zijn waanzin werd verlost en stierf. Je zou die dood en genezing ook symbolisch kunnen opvatten: hij ontdeed zich van zijn strijdlust en leerde te berusten, waardoor weliswaar niet de wereld maar wel hij zelf gered werd. Dat raakt aan waar ik mee worstel: als redding utopisch wordt, is verzoening met het lot dan toegestaan?

Bronnen:

  • Parafrasering Philipp Blom komt uit Het grote wereldtoneel, De Bezige Bij, 2020, p. 52
  • Parafrasering Bruno Latour komt uit Oog in oog met Gaia, octavo, 2020, pp. 354-355
Standaard
Essay, Leeslengte lang, Verhaal

Terrarium

Als twaalfjarig jochie bezat ik een terrarium. Er kroop van alles in rond: een koppeltje vuursalamanders, moerasschildpadjes, een muurhagedis, een pad. Het stond bij ons thuis in de erker van de woonkamer, op de vensterbank, daar waar de zon er ’s ochtends bij kon.

Ik had mijn best gedaan het op een stukje bos te laten lijken. Met kleine varens, mos, kruipplantjes, turf, kurkschors en brokjes lavasteen. Ik vond dat ik in mijn opzet was geslaagd. Dat was ik natuurlijk niet; het was te klein, te volgepropt, te bevolkt.

Een aquarium heb ik ook gehad, en goudhamsters en een Griekse landschildpad. Die laatste wandelde regelmatig rond in onze tuin. Ik was dol op dieren en dol op de natuur. Dat ben ik nog.

Ons gezin trok er op de zondagen vaak op uit. Wij woonden in Den Bosch. Je zat zo in de zandverstuivingen van de Drunense Duinen, aan de waterplas De IJzeren Man in de bossen van Vught, of op de heide bij Berlicum.

We fietsten ernaartoe, twee ouders met hun negen kinderen. Voor de veiligheid in twee ploegen. Los van elkaar, twee kleine stoeten, twee kloeken met hun kuikens. We ontmoetten elkaar op een zorgvuldig afgesproken plek. Het was eind jaren zestig, begin zeventig, mobiele telefoons bestonden niet.

Soms ging één ploeg met de auto. De eerste die mijn vader had was een Volkswagen kever, tweedehands aangeschaft. Met wat puzzelen pasten een bestuurder en vijf kinderen daar prima in. Van de kleinsten kon er altijd een in de kattenbak en desnoods twee. Die kattenbak zat tussen de achterbank en de luchtgekoelde motor achterin. Veiligheidsgordels ontbraken.

Lees verder
Standaard