Column, Leeslengte lang, Opinie

Zwermgeest

Vanaf tien hoog, waar ik woon, kan ik het goed zien: zwermen spreeuwen die dansende capriolen uithalen in de avondzon, alsof zij grote swingende organismen zijn.

Een school vissen kan zich ook zo gedragen: een zilveren zwier, en het hele boeltje zwemt zomaar de andere kant op.

En wandel op een zonnige zaterdagmiddag eens vanaf de Dam het zebrapad over naar de Kalverstraat. Het is haast onmogelijk om daar een individueel loopje van te maken; de zuigkracht van de mensenstroom beteugelt onmiddellijk elke afwijkende gedraging. Je móét wel mee met het collectief.

Zwermgeest – zo heet dat verschijnsel – oogt als een onmogelijke coördinatie van ontelbare individuen, een geheimzinnige hand die vat lijkt te hebben op de hele groep.

Ik kwam het woord ‘zwermgeest’ tegen in het boek Botanische revolutie van Norbert Peeters (2017). Dat handelt over Charles Darwin en zijn plantenleer.

Botanie besloeg de helft van Darwins loopbaan, maar daar kennen wij hem nauwelijks van. Denken wij aan Darwin dan denken wij vooral aan de Galapagosarchipel met zijn reuzenschildpadden en Darwinvinken. Op het familielandgoed Down House experimenteerde Darwin er in zijn kassen echter lustig op los met planten. Zijn revolutionaire evolutietheorie stoelt voor veel meer dan wij beseffen op wat hij daar allemaal zag gebeuren in een groene wereld.

In relatie tot Darwin kwam ik het verschijnsel zwermgeest dus tegen. Het schijnt ook van toepassing te zijn op de wortels van planten. Uit het zicht voor ons volgen ze elkaar allemaal een bepaalde richting uit. Naar vruchtbare zachte aarde, water, of weg van gevaar.

Zwermgeest. Zie je het neergeschreven staan? Intrigerend. Het drukt iets heel anders uit dan gewoon een zwerm, een school of een menigte. Dit gaat over een beweeglijk wezen, een wezen met een wil.

Van de groene wereld naar de politieke wereld.

Lees verder
Standaard
Leeslengte kort, Verhaal

Pandjesdief

Twee mannen liggen spartelend op de grond. Een van de twee is groot en gespierd. Hij draagt een sweater met logo-opdruk van een bedrijf. De andere is mager en ziet er sjofel uit. Met alle macht probeert hij los te komen uit de houdgreep waarin hij gevangen zit.

De sterke man ziet wit van woede. ‘Bel de politie!’, briest hij naar omstanders. ‘Ik heb niks gedaan’, kermt de ander.

Het is olie op het vuur. Zijn belager slaat volledig door. Hij haakt zijn rechterarm om de nek van zijn slachtoffer en trekt diens hoofd achterover. Het komt omhoog alsof hij een bal uit een buis perst.

‘Vuile dief!’

De schriele stakker stoot gegorgel uit. Een oude vrouw met hoofddoek en een gekleurde man schieten naar voren uit het opstootje dat zich rond de vechtpartij gevormd heeft. ‘Rustig, rustig,’ manen zij de grote toe, ‘het is een mens, maak geen ongeluk.’

De krachtpatser verslapt zijn greep wat, maar blijft de ander in de klem houden. ‘Hij steelt gereedschap!’, roept hij half tegen zijn slachtoffer, half tegen het publiek. Hij lijkt er niet gerust op dat iedereen voldoende snapt wat er precies aan de hand is, of ze wel zien dat hij in zijn recht staat.

Waar blijven de sirenes, denk ik. Naast mij staat een knul met een mobiel te filmen. Ik vraag hem of hij de politie heeft gebeld. Hij niet alleen, ook anderen, krijg ik te horen.

Het wordt steeds drukker. Wat voeg ik hier toe?

Ik wandel verder, het tafereel latend voor wat het is. Ik orden de verwarring in mijn hoofd. Ik zie opnieuw hoe ik het pandjeshuis passeerde precies op het moment dat pandjesbaas en dief zich ineen geknoopt naar buiten worstelden. Er was stampij en drukte op de stoep, geschreeuw. Mensen schrokken en sprongen opzij.

Dan, plotseling, aan mijn linkerkant, vliegt er iets voorbij. Ik wordt door iets geraakt, ik voel de wind en ik herken een schicht. Waar blijft de andere, de atleet? Ik kijk om. Verderop zie ik hem, gebukt, met zijn handen op zijn knieën, blazend. Hij is te traag, te uitgeput. Hij kijkt een mager lijf na dat hem alsnog tuk heeft. Fluks zigzaggend lost het op in het publiek.

Pas dan hoor ik sirenes. Nog ver weg, te ver. De sloeber heeft het gered.

Standaard
Dichtwerk, Leeslengte kort

KLM

‘Wat kunnen die sjoemelen zeg!’, roept iemand in mijn droom.

Ik zie twee liften;
één omhoog,
één omlaag.

Daar wordt men in gezet.

Het zoeft;
óf omhoog,
óf omlaag.

Slikken, suizen, trommelvliezen.
Boeren, braken, maag.
Men verreist niet!

Wakker.

Vliegen als suggestie;
je kunt de wereld
mooier dromen dan hij is.

Standaard
Leeslengte kort, Verhaal

Beschermengel

15 mei. Na het avondeten nog naar AH geweest. Groente en roggebrood voor maandag veiliggesteld. Het was niet veel; op zondag wil ik winkelbezoek zo veel mogelijk vermijden. Ik had het verdeeld over twee tassen aan mijn schouders. Ik zal zwaar bepakt hebben geleken maar droeg lucht.

Het was warm op de terugweg over Tussen Meer. De avondzon scheen me tegemoet, de eerste zwoele avond van het jaar. Op de terrasjes van de winkelstraat klonk opgewonden zomerpraat.

Op de brug over de Hoekenesgracht is de stoep wat smal. Na het water wordt ie breder. Ik loop achter drie gekleurde dames. Twee stevig van postuur, waarvan één met hoofddoek. De derde een hoofd kleiner dan de andere twee. In een uitgelaten stemming wijzen zij links en rechts naar huizen die zij kennen en wisselen woorden over de mensen die er wonen.

Ik zit er te dicht op, te veel in hun sfeer.

Na het water glip ik voorbij met mijn ‘zware’ tassen, richting het zebrapad over de fietsroute die er de stoep kruist, vlak voor het futuristische gebouw op palen waarin onderin de protestantse kerk zich prominent verstopt houdt.

In mijn linker ooghoek zie ik blonde lokken, brede banden en een chopper-zadel. Geluidloos maar snel nadert een stevig Hollands Welvaren op haar e-bike.

Ik besluit dat ik voorrang heb, een levensgevaarlijk idee. Ik stap het zebrapad op, net iets eerder dan de uitgaande dames. Er wordt niet geremd; de blonde duivelin weet zichzelf en mij nog net te redden met een zwabberige zwaai via het trottoir.

‘Hey, het is een zebrapad!’, klinkt het luidkeels achter mij. ik draai me om.

‘Ik was wel voor u opgekomen hoor.’ Het is de kleinste die dit zegt en het klinkt moederlijk. Ik ben een oude man in haar ogen, iemand die bescherming nodig heeft, of minstens hulp.

‘Als ik daar plat en omvergereden had gelegen, had jij dan de ambulance gebeld voor mij?’ Ik heb geen gevat antwoord terug, alleen dit. Niet echt aardig. Toch lacht zij terug.

‘Ze kennen de verkeersregels niet, vooral die elektrische fietsen.’ Op die stelling delibereren we gevieren kort voort. Ik hoor nu bij ze, voor een enkele minuut.

Dan neem ik afscheid. Ik maak een kleine buiging met de hand op mijn hart: ‘Ik ben blij dat ik een paar beschermengelen heb in onze buurt.’

Standaard
Leeslengte kort, Opinie, Verhaal

Plasticmijn

Steeds als ik erlangs loop komt de ergernis. Dat moet ik niet toelaten; ik ben zen genoeg om dat te snappen.

Onze flat staat in een buitenwijk van Amsterdam. Hij is zestig jaar geleden gebouwd, kort na mijn geboortejaar. Links en rechts van het gebouw lopen twee brede, rafelige sloten. Die strekken zich uit langs nog zes andere flats, identiek aan de onze. Ze zijn parallel aan elkaar neergezet, over een afstand van circa zevenhonderd meter. Ertussen liggen speelplekken, parkeerplaatsen en forse plantsoenen met veel flinke, volwassen bomen.

De walkanten van de sloten zijn dicht begroeid met riet en ruige planten. Op de oevers staan populieren, iepen, treurwilgen en espen. Van die laatste ratelen de bladeren bij het minste zuchtje wind. Het kruid tussen de bomen staat in het voorjaar en in de zomer hoog. Het bloeit geel, wit, rood en paars. En het ruikt naar de zuurtjes waar ik als kind op sabbelde als we lange autoritten maakten.

Lees verder
Standaard